- Arrest van 1 december 2011

01/12/2011 - 183/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, uitspraak doende met eenparigheid van stemmen,

stelt vast dat de prejudiciële vragen onontvankelijk zijn.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt en de rechters-verslaggevers E. Derycke en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij beslissing van 20 september 2011 in zake de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren tegen H.V., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 september 2011, heeft de Tuchtcommissie van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Kan de tuchtcommissie beslissen tot een probatiemaatregel of uitstel van tenuitvoerlegging van de tuchtsanctie ? Gaat dit in tegen het legaliteitsbeginsel waaraan tuchtstraffen onderworpen zijn ? Kan het tuchtcollege enkel de wettelijk voorgeschreven tuchtsancties opleggen of kan er naar analogie met het strafrecht een probatiemaatregel getroffen worden of uitstel van tenuitvoerlegging van de tuchtsanctie ? ».

Op 12 oktober 2011 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarin wordt vastgesteld dat de prejudiciële vragen klaarblijkelijk niet ontvankelijk zijn.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Volgens artikel 27, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moet de beslissing tot verwijzing de wetsbepalingen preciseren die het onderwerp uitmaken van de vraag.

Prejudiciële vragen die niet vermelden welke norm ter toetsing aan het Hof wordt voorgelegd, zijn klaarblijkelijk niet ontvankelijk.

B.2.1. In zijn memorie met verantwoording wijst H.V. erop dat het « voor alle betrokkenen » duidelijk zou zijn welke norm ter toetsing wordt voorgelegd.

B.2.2. Zelfs in de hypothese dat het voor de partijen in het bodemgeschil duidelijk zou zijn welke norm ter toetsing wordt voorgelegd, geldt zulks niet automatisch voor de institutionele overheden die kennisgeving van de verwijzingsbeslissing zouden ontvangen.

Prejudiciële vragen die niet de vereiste elementen bevatten opdat het Hof uitspraak kan doen, zouden het contradictoire karakter van de rechtspleging voor het Hof in het gedrang kunnen brengen, nu de partijen die in voorkomend geval in de zaak voor het Hof wensen tussen te komen niet in de gelegenheid zouden worden gesteld om zulks op een doeltreffende wijze te doen. Dat geldt inzonderheid voor de partij die zou opkomen voor de verdediging van de in het geding zijnde bepalingen en alsdan geen dienstig verweer zou kunnen voeren.

B.2.3. Overigens blijkt ook uit de memorie met verantwoording van H.V. niet duidelijk welke norm ter toetsing wordt voorgelegd. Eerst wordt een lacune « in het bijzonder » in artikel 73 van de voormelde wet van 22 juli 1953 aangeklaagd, doch vervolgens wordt - in zijn voorstel tot « herformulering » - artikel 460 van het Gerechtelijk Wetboek ter toetsing voorgelegd en dan nog wordt de schending door die bepaling aangevoerd « in zoverre de wet van 22 juli 1953 [...] niet voorziet in de mogelijkheid om probatiemaatregelen op te leggen, terwijl probatiemaatregelen wel voorzien zijn voor bijvoorbeeld de advocaten ».

B.3. Hoewel het in beginsel aan het Hof staat om de omvang van de saisine te bepalen op basis van de elementen die in de verwijzingsbeslissing zijn vervat, dienen die elementen voldoende nauwkeurig te zijn om het Hof toe te laten om op basis daarvan de saisine correct vast te stellen, wat te dezen niet mogelijk is.

B.4. Een verwijzingsbeslissing waarin niet of op onduidelijke wijze wordt aangegeven welke bepalingen ter toetsing worden voorgelegd, is klaarblijkelijk niet ontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

uitspraak doende met eenparigheid van stemmen,

stelt vast dat de prejudiciële vragen onontvankelijk zijn.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 1 december 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd op 30 april 2007, gesteld door de Tuchtcommissie van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Voorafgaande rechtspleging

  • Prejudiciële vraag

  • Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan vermelding van de getoetste norm. # Bedrijfsrevisoren

  • Tuchtrecht.