- Arrest van 22 december 2011

22/12/2011 - 198/2011

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 21 april 2011 in zake de procureur des Konings tegen S.C., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 20 mei 2011, heeft de Correctionele Rechtbank te Charleroi een prejudiciële vraag gesteld die bij beschikking van het Hof van 7 juni 2011 als volgt werd geherformuleerd :

« Schendt artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het als voorwaarde van ontvankelijkheid van de vervolgingen niet in een uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer voorziet in tegenstelling tot artikel 442bis van het Strafwetboek, en in zoverre het het bezorgen van overlast aan een correspondent strafbaar stelt terwijl er geen tenlastelegging bestaat wanneer met een ander communicatiemiddel overlast wordt bezorgd aan een derde ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ingevoegd bij artikel 189 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), bepaalt :

« Met een geldboete van 50 EUR [20 EUR in de Franse tekst] tot 300 EUR en met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar of met één van die straffen alleen worden gestraft de persoon, die een elektronische-communicatienetwerk of -dienst of andere elektronische communicatiemiddelen gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen alsook de persoon die welk toestel dan ook opstelt dat bestemd is om de voorgaande inbreuk te begaan, alsook een poging om deze te begaan ».

B.2. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van het voormelde artikel 145, § 3bis, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een dubbel verschil in behandeling teweegbrengt : enerzijds, tussen de beklaagden, naargelang zij worden vervolgd op grond van die bepaling of op grond van artikel 442bis van het Strafwetboek dat de belaging bestraft, waarbij een klacht van de persoon die beweert te worden belaagd, enkel in het tweede geval is vereist; anderzijds, tussen de rechtzoekenden die overlast bezorgen aan derden naargelang zij een elektronisch communicatiemiddel of een ander communicatiemiddel gebruiken, waarbij enkel de eerstgenoemden krachtens de in het geding zijnde bepaling kunnen worden vervolgd.

B.3. Artikel 442bis van het Strafwetboek bepaalt :

« Hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot driehonderd euro of met een van die straffen alleen.

Tegen het in dit artikel bedoelde misdrijf kan alleen vervolging worden ingesteld op een klacht van de persoon die beweert te worden belaagd ».

B.4. Het bepalen van de modaliteiten voor het instellen van strafvervolging behoort tot het opportuniteitsoordeel van de wetgever.

Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven, indien het bij de vraag naar de verantwoording van verschillen in de talrijke wetteksten houdende strafrechtelijke sancties, wat dergelijke modaliteiten betreft, zijn oordeel niet zou beperken tot die gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare misdrijven.

B.5. De twee in het geding zijnde bepalingen hebben tot doel gedragingen te bestraffen die andermans rust kunnen verstoren. Zij kunnen dus, wat de wijze betreft waarop vervolgingen worden ingesteld, op voldoende pertinente wijze met elkaar worden vergeleken.

B.6. Artikel 442bis van het Strafwetboek heeft tot doel handelingen te bestraffen die het privéleven van de personen aantasten door hen lastig te vallen op een wijze die voor de betrokkenen overlast met zich meebrengt. De straf waarin artikel 442bis van het Strafwetboek voorziet, is alleen van toepassing wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan : het belagende karakter van het gedrag van de vervolgde persoon, een verstoring van de rust van de persoon die de belager op het oog heeft, een oorzakelijk verband tussen het gedrag van die persoon en die verstoring van andermans rust, de ernst van die verstoring, alsook het feit dat de belager wist of had moeten weten dat hij de rust van de beoogde persoon ernstig zou verstoren.

B.7. De in het geding zijnde bepaling werd in artikel 145 van de wet van 13 juni 2005 ingevoegd teneinde de straffen te verminderen waarin de oorspronkelijke bepaling voorzag voor het misdrijf dat zij bestraft (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2873/001, p. 116). De wet van 13 juni 2005 strekt met name ertoe de gebruikers van elektronische communicatie te beschermen (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1425/001 en 1426/018, p. 4), terwijl artikel 145 ervan wordt voorgesteld (ibid., DOC 51-1425/001 en 1426/001, p. 91) als zijnde geïnspireerd op artikel 114, §§ 8 en 9, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (sindsdien opgeheven bij de wet van 13 juni 2005 (artikel 155) waaruit de in het geding zijnde bepaling is voortgekomen). Die bepaling, die, in paragraaf 8, 2°, ervan (zoals gewijzigd bij de wet van 19 december 1997), betrekking had op « de persoon, die een telecommunicatienet of -dienst of andere middelen van telecommunicatie gebruikt om overlast te veroorzaken aan zijn correspondent of schade te berokkenen », kan ook worden toegepast zelfs wanneer niet is voldaan aan de in B.6 vermelde toepassingsvoorwaarden van artikel 442bis van het Strafwetboek, aangezien niet wordt vereist dat het gebruik van het telecommunicatiemiddel een belagend karakter heeft, noch dat de rust van de correspondent van de persoon daadwerkelijk wordt verstoord. Over die bepaling was het volgende vermeld in de memorie van toelichting :

« Punt 2° van § 8 voorziet in de bestraffing van de kwaadwillige telefoonoproepen waarbij door herhaalde oproepen aan telefoongebruikers overlast wordt veroorzaakt. Strafbaar zijn ook de praktijken, die tot doel hebben door gebruikmaking van telecommunicatie onrechtmatig toegang te verkrijgen tot computerprogramma's of -bestanden » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 1287/1, p. 71).

B.8. Dat doel dat bestaat in « het bestraffen van kwaadwillige telefoonverbindingen » (ibid., p. 173), dat eveneens het doel van de in het geding zijnde bepaling is, moet in verband worden gebracht met één van de vaststellingen die heeft geleid tot de totstandkoming van nieuwe Europeesrechtelijke bepalingen tussen 1999 en 2002 en waarnaar de wetgever bij het aannemen van de wet van 13 juni 2005 heeft verwezen, vaststelling volgens welke de evolutie van de technologie « zeer [snel] en [onvoorspelbaar] » was (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1425/001 en 1426/001, p. 6), waarbij de telecommunicatiesector aan het einde van de jaren 1990 een belangrijke dynamiek en aanzienlijke wijzigingen heeft gekend (ibid., p. 3).

B.9. Rekening houdend met het in B.7 beschreven doel van de in het geding zijnde bepaling en met de in B.8 beschreven technische context en evolutie ervan, vermocht de wetgever, zonder op discriminerende wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokkenen, te oordelen dat het mogelijk moest worden gemaakt om vervolgingen te kunnen instellen teneinde de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde misdrijven te bestraffen zonder dat een klacht van de persoon die beweert te worden belaagd, is vereist : het gebruik van elektronische communicatie kon immers worden geacht een bron van grotere misbruiken te vormen dan in andere domeinen waar kan worden verantwoord dat belang wordt gehecht aan het aanvoelen van het slachtoffer. In dat opzicht wordt in de in het geding zijnde bepaling rekening gehouden met een moreel bestanddeel (de wil om overlast te bezorgen aan zijn correspondent) dat niet overeenstemt met het in artikel 442bis van het Strafwetboek in aanmerking genomen morele bestanddeel (de kennis die de dader had of moest hebben van de gevolgen van zijn gedrag voor de rust van de belaagde persoon). Door niet het voornemen te vereisen dat bij de in het geding zijnde bepaling wordt voorgeschreven, strekt artikel 442bis ertoe rekening te houden met hetgeen het slachtoffer ervaart (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 1046/5, p. 2, en nr. 1046/8, p. 3) van wie de klacht bijgevolg als voorwaarde wordt gesteld voor de ontvankelijkheid van de vervolgingen. Die bekommernis vermocht niet die van de wetgever te zijn toen hij bij het aannemen van de in het geding zijnde bepaling het morele bestanddeel van het misdrijf omschreef als het voornemen om overlast te veroorzaken en die keuze brengt geen gebrek aan samenhang met zich mee dat tot een kennelijk discriminerende behandeling zou leiden.

B.10. Het is dezelfde bekommernis om te reageren tegen onrechtmatige gedragingen in een sector die recent belangrijke technische ontwikkelingen heeft gekend, die de wetgever ertoe kan hebben gebracht specifiek diegenen te bestraffen die hun correspondent overlast bezorgen of schade berokkenen wanneer zij dat doen met behulp van elektronische communicatie, terwijl diegenen die dat met behulp van andere communicatiemiddelen doen, onder het gemeen recht vallen. Zoals de Ministerraad in dat verband doet opmerken, kan het gedrag van diegene die overlast zou bezorgen aan zijn correspondent door gebruik te maken van andere communicatiemiddelen dan die welke in de in het geding zijnde bepaling worden bedoeld, worden bestraft op grond van andere bepalingen, zoals artikel 442bis van het Strafwetboek, en, in tegenstelling tot wat de beklaagde voor de verwijzende rechter aanvoert, zijn de verschillen tussen die bepaling en de in het geding zijnde bepaling niet dermate essentieel dat de toepassing van beide, onder de voorwaarden waarin zij voorzien, discriminerend zou zijn.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 22 december 2011.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, ingevoegd bij artikel 189 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), gesteld door de Correctionele Rechtbank te Charleroi. Strafrecht

  • Misdrijven

  • 1. Gebruik van een telecommunicatiemiddel

  • 2. Ontvankelijkheid van de vervolging

  • a. Stalking

  • Vereiste van klacht

  • b. Overlast bezorgen aan een correspondent

  • Geen vereiste van klacht.