- Arrest van 20 september 2012

20/09/2012 - 109/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 12 oktober 2011 in zake Cvita Slavica Gudelj tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 oktober 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het enkel aan de overlevende echtgenoot, met uitsluiting van de overlevende wettelijk samenwonende, het voordeel voorbehoudt van de in die bepaling bedoelde uitzondering op het beginsel dat renten en kapitaal die door toedoen van de werkgever van de overledene werden gevestigd tot uitvoering van een groepsverzekeringscontract worden gelijkgesteld met legaten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 tot wijziging van het Wetboek der successierechten, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der zegelrechten. De eerste vijf leden van dat artikel 8 bepalen dat verschillende sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen op grond van een door de overledene gesloten contract, worden geacht als legaat te zijn verkregen en dat zij bijgevolg aan successierechten zijn onderworpen.

Het zesde lid, 3°, van dat artikel bepaalt dat het niet van toepassing is :

« [...]

3° op de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de overledene werden gevestigd ten behoeve van de overlevende echtgenoot van de overledene of, bij gebreke, ten behoeve van zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering hetzij van een groepsverzekeringscontract onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming en beantwoordende aan de voorwaarden gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke contracten, hetzij van het bindend reglement van een voorzorgsfonds opgericht ten behoeve van het personeel van de onderneming;

[...] ».

B.2. Aan het Hof wordt gevraagd of de voormelde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre zij niet toepasbaar is op de overlevende wettelijk samenwonende.

De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden.

B.3. Artikel 8 van het Wetboek der successierechten roept een fictie in het leven volgens welke de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen, bij het overlijden van de overledene, ingevolge een contract dat een door de overledene of door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen, en derhalve deel uitmaken van het actief van de nalatenschap. Op die sommen zijn bijgevolg successierechten verschuldigd.

Luidens het zesde lid van die bepaling is zij niet van toepassing op sommige sommen, renten en kapitalen, waaronder de kapitalen en renten gevestigd door toedoen van de werkgever van de overledene ten behoeve van diens echtgenoot of kinderen.

B.4. De in het geding zijnde bepaling doet derhalve een verschil in behandeling ontstaan tussen de overlevende echtgenoot en de overlevende wettelijk samenwonende. Voor de laatstgenoemde blijven de renten en kapitalen afkomstig van een door de werkgever van de overledene afgesloten groepsverzekering tot de heffingsgrondslag van de successierechten behoren. Voor de overlevende echtgenoten maken die renten en kapitalen geen deel uit van de heffingsgrondslag.

B.5.1. In het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 « tot wijziging van het Wetboek der successierechten, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der zegelrechten » wordt aangegeven dat de fictie ingesteld bij artikel 8 van het Wetboek der successierechten in het leven is geroepen « omwille van de verdelende rechtvaardigheid », aangezien het, hoewel de premies worden betaald door de werkgever, « in werkelijkheid de persoon, op wiens leven de verzekering afgesloten wordt, [is] die economisch de premies afdraagt » en die premies bijgevolg kunnen worden beschouwd als deel uitmakend van het vermogen dat hij bij zijn overlijden heeft overgedragen (Belgisch Staatsblad, 20 april 1967, p. 4220).

In verband met de in het geding zijnde vrijstelling wordt in het verslag aan de Koning vermeld :

« Sociale overwegingen gebieden eveneens, wat betreft de weduwe en de minderjarige kinderen van de overledene, de vrijstelling te behouden waarvan thans de renten en kapitalen genieten die worden gevestigd tot aanvulling van de wettelijke verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, tot uitvoering hetzij van een groepsverzekeringscontract onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming en beantwoordende aan de voorwaarde gesteld door de reglementering betreffende de controle van zulke contracten, hetzij van het bindend reglement van een voorzorgsfonds opgericht ten behoeve van het personeel van de onderneming. Uiteraard betreft deze vrijstelling enkel de renten en kapitalen die werden gevestigd door de bijdragen die bij algemene maatregel aan het personeel van de onderneming zijn opgelegd; zij geldt niet voor de renten en kapitalen welke voortkomen van aanvullende bijdragen die vrij werden gedaan boven deze welke door het bindend reglement zijn voorgeschreven » (ibid.).

B.5.2. In de memorie van toelichting bij de programmawet van 30 december 1988, waarvan artikel 195 de toepassing van de in het geding zijnde bepaling uitbreidt tot de renten en kapitalen gevestigd ten behoeve van de weduwnaar van de overledene, wordt aangegeven dat die wijziging noodzakelijk is ingevolge de gelijkheid tussen man en vrouw inzake pensioenen die is verwezenlijkt bij de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. Bij die gelegenheid is gepreciseerd dat de sommen verkregen door de overlevende echtgenoot « in feite een aanvullend overlevingspensioen » vormen (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 609/1, p. 98).

B.6. De juridische toestand waarin de echtgenoten, enerzijds, en de wettelijk samenwonenden, anderzijds, zich bevinden verschilt, zowel wat hun persoonlijke verplichtingen jegens elkaar, als wat hun vermogensrechtelijke toestand betreft. Die verschillende toestanden kunnen bepaalde verschillen in behandeling in fiscale aangelegenheden verantwoorden wanneer zij verband houden met de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel.

B.7.1. Echtgenoten zijn elkaar hulp en bijstand verschuldigd (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek), zij genieten de bescherming van de gezinswoonst en de huisraad (artikel 215 van het Burgerlijk Wetboek); de echtgenoten moeten hun inkomsten bij voorrang besteden aan hun bijdrage in de lasten van het huwelijk (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waarin zij moeten bijdragen naar vermogen (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek). Schulden die door een der echtgenoten worden aangegaan ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen verbinden de andere echtgenoot hoofdelijk, behoudens wanneer zij, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, buitensporig zijn (artikel 222 van het Burgerlijk Wetboek).

B.7.2. Op de wettelijke samenwoning zijn de volgende bepalingen toepasselijk : de wettelijke bescherming van de gezinswoning (artikelen 215, 220, § 1, en 224, § 1, 1, van het Burgerlijk Wetboek) wordt van overeenkomstige toepassing verklaard op de wettelijke samenwoning; de wettelijk samenwonenden dragen bij in de lasten van het samenleven naar evenredigheid van hun mogelijkheden en iedere niet-buitensporige schuld die door een der wettelijk samenwonenden wordt aangegaan ten behoeve van het samenleven en van de kinderen die door hen worden opgevoed, verbindt de andere partner hoofdelijk (artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek).

Voor het overige is voorzien in een regeling van de goederen van de samenwonenden en in de mogelijkheid om de wettelijke samenwoning door middel van een overeenkomst te regelen, voor zover die geen beding bevat dat strijdig is met artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, met de openbare orde of de goede zeden, noch met de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij, noch met de regels die de wettelijke orde van de erfopvolging bepalen. Die overeenkomst wordt in authentieke vorm verleden voor de notaris en wordt in het bevolkingsregister vermeld (artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek).

B.8. De overlevende echtgenoot geniet, indien hij voldoet aan de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, een overlevingspensioen. De overlevende wettelijk samenwonende geniet een dergelijk overlevingspensioen niet. Zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 60/2009 van 25 maart 2009, betekent de beperkte vermogensrechtelijke bescherming die de wettelijk samenwonenden genieten, niet dat de wetgever ertoe is gehouden hen te behandelen zoals de echtgenoten wat de overlevingspensioenen betreft.

B.9. Aangezien de uitzondering op de gelijkstelling van de in het geding zijnde kapitalen en renten met een legaat is gemotiveerd door het feit dat, wanneer zij zijn gevestigd ten behoeve van de overlevende echtgenoot van de erflater, zij als een aanvullend overlevingspensioen worden beschouwd, is het, zolang de wetgever het niet opportuun heeft geacht het voordeel van een overlevingspensioen te verlenen aan de wettelijk samenwonenden, niet onverantwoord het voordeel van de voormelde uitzondering voor te behouden aan de overlevende echtgenoot en het niet uit te breiden tot de overlevende wettelijk samenwonende.

De in het geding zijnde bepaling berust niet op een criterium dat niet pertinent zou zijn.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 september 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht

  • Successierechten

  • Heffingsgrondslag

  • Groepsverzekering waarop de werkgever van de overledene heeft ingetekend

  • 1. Wettelijk samenwonenden

  • 2. Echtgenoten.