- Arrest van 11 januari 2012

11/01/2012 - 2/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de beroepen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 januari 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 januari 2011 is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juli 2010 houdende de invordering van parkeerheffingen door parkeerbedrijven (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juli 2010) door de bvba « Algemeen Autobedrijf Genva », met maatschappelijke zetel te 2550 Kontich, Mechelsesteenweg 311, de bvba « VIO », met maatschappelijke zetel te 2070 Zwijndrecht, Krijgsbaan 241, de bvba « VRC », met maatschappelijke zetel te 2610 Antwerpen, Prins Boudewijnlaan 170, en de nv « Mols Huurwagens », met maatschappelijke zetel te 2235 Hulshout, Industriepark 24.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2011 is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde decreetsbepaling door Georges Casteur, wonende te 8400 Oostende, Stuiverstraat 315.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5086 en 5088 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5086 en de verzoekende partij in de zaak nr. 5088 vorderen de vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juli 2010 houdende de invordering van parkeerheffingen door parkeerbedrijven.

B.1.2. Dat artikel bepaalt :

« In het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens wordt een hoofdstuk V/1 ingevoegd dat luidt als volgt :

' Hoofdstuk V/1. De aanvullende reglementen inzake parkeren

Art. 10/1. Wanneer de Vlaamse Regering of de gemeente een aanvullend reglement vaststellen dat betrekking heeft op het parkeren voor een beperkte tijd, het betalend parkeren en het parkeren op plaatsen voorbehouden aan houders van een gemeentelijke parkeerkaart, kunnen zij parkeerretributies of -belastingen bepalen die van toepassing zijn op motorvoertuigen, hun aanhangwagens of onderdelen.

Deze bepaling geldt niet voor het halfmaandelijks beurtelings parkeren en de beperking van het langdurig parkeren.

Art. 10/2. Met het oog op het innen van de parkeerretributies of -belastingen kunnen concessies of beheersovereenkomsten worden afgesloten.

De Vlaamse Regering, de steden en de gemeenten en hun concessiehouders en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen zijn gemachtigd om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Art. 10/3. De in artikel 10/1 bedoelde retributies of belastingen worden ten laste gelegd van de houder van de nummerplaat. ' ».

Ten aanzien van de omvang van de beroepen tot vernietiging

B.2.1. Het Hof kan slechts uitdrukkelijk bestreden wetskrachtige bepalingen vernietigen waartegen middelen worden aangevoerd en, in voorkomend geval, bepalingen die niet worden bestreden maar die onlosmakelijk zijn verbonden met de bepalingen die moeten worden vernietigd.

B.2.2. Het eerste, het tweede en het derde middel in de zaak nr. 5086 zijn gericht tegen het feit dat, luidens artikel 10/3 van het decreet van 16 mei 2008, ingevoegd bij het bestreden artikel 2 van het decreet van 9 juli 2010, de in artikel 10/1 van het decreet van 16 mei 2008 bedoelde parkeerretributies of belastingen ten laste worden gelegd van de houder van de nummerplaat. De verzoekende partijen zetten, daarentegen, niet uiteen waarom de artikelen 10/1 en 10/2 van het decreet van 16 mei 2008 de in de middelen aangehaalde bepalingen zouden schenden. Bijgevolg wordt het onderzoek van het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 5086 beperkt tot artikel 10/3 van het decreet van 16 mei 2008.

B.2.3. Het enige middel in de zaak nr. 5088 is gericht tegen het feit dat, luidens artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008, ingevoegd bij het bestreden artikel 2 van het decreet van 9 juli 2010, met het oog op het innen van de parkeerretributies of -belastingen concessies of beheersovereenkomsten kunnen worden afgesloten en dat concessiehouders gemachtigd zijn om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen. De verzoekende partij zet, daarentegen, niet uiteen waarom de artikelen 10/1 en 10/3 van het decreet van 16 mei 2008 de in het middel aangehaalde bepalingen zouden schenden. Bijgevolg wordt het onderzoek van het beroep tot vernietiging in de zaak nr. 5088 beperkt tot artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008.

Ten gronde

Wat het door de Ministerraad aangevoerde nieuwe middel betreft

B.3. De Ministerraad voert in een nieuw middel aan dat het nieuwe artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008 de artikelen 1, 3, 33, 35 en 39 van de Grondwet, de artikelen 1, § 1, en 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de federale autonomie schendt in de interpretatie dat de federale overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen, verplicht zou zijn om de identiteit van de houder van de nummerplaat te verstrekken aan de Vlaamse Regering, de steden en de gemeenten en hun concessiehouders en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen, wanneer die met toepassing van de bestreden bepaling die identiteit vragen.

B.4.1. Volgens de Vlaamse Regering zou het middel niet ontvankelijk zijn omdat het betrekking zou hebben op bepalingen van het decreet van 16 mei 2008 die niet door de beroepen tot vernietiging op ontvankelijke wijze worden bestreden.

B.4.2. Artikel 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof staat onder meer de Ministerraad toe een memorie in te dienen in een zaak betreffende een beroep tot vernietiging en daarin nieuwe middelen te formuleren. Een dergelijke tussenkomst vermag evenwel niet het beroep te wijzigen of uit te breiden. Dat zou het geval zijn wanneer een nieuw middel wordt aangevoerd tegen een bepaling die door de verzoekende partijen niet op ontvankelijke wijze voor het Hof wordt bestreden.

B.4.3. Uit wat voorafgaat blijkt dat het enige middel in de zaak nr. 5088 is gericht tegen het nieuwe artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008. Bijgevolg is het nieuwe middel dat door de Ministerraad wordt aangevoerd ontvankelijk.

B.5.1. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 9 juli 2010 blijkt dat artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008, ingevoegd bij het bestreden artikel 2 van het decreet van 9 juli 2010, tot stand is gekomen ingevolge het arrest nr. 59/2010 van het Hof van 27 mei 2010, waarin het Hof de artikelen 14 tot 16 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) heeft vernietigd (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 573/1, p. 2).

B.5.2. In het voormelde arrest nr. 59/2010 heeft het Hof onder meer het volgende geoordeeld :

« B.7.3. De bestreden bepalingen voorzien in de mogelijkheid voor gemeenten om concessiehouders en autonome gemeentebedrijven in te schakelen bij het voeren van een lokaal parkeerbeleid. Het bestreden artikel 14 machtigt meer bepaald de gemeenten om parkeergelden te bepalen in het kader van concessies of beheersovereenkomsten inzake het parkeren op de openbare weg. Het bestreden artikel 15 machtigt de steden en gemeenten en hun concessiehouders en de autonome gemeentebedrijven om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen bij de overheid die is belast met de inschrijving van de voertuigen in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het bestreden artikel 16 bepaalt dat de retributies, belastingen of parkeergelden ten laste van de houder van de nummerplaat worden gelegd.

Zoals blijkt uit de inleidende zin van artikel 1 van de wet van 22 februari 1965, kan de door de bestreden bepalingen ingevoerde regeling inzake parkeergelden en inzake de inning en tenlastelegging daarvan, slechts toepassing vinden wanneer de gemeenteraden, overeenkomstig de wetgeving en de reglementen op de politie van het wegverkeer, reglementen inzake het parkeren vaststellen, die betrekking hebben op parkeren voor een beperkte tijd, het betaald parkeren en het parkeren op plaatsen voorbehouden aan houders van een gemeentelijke parkeerkaart.

B.7.4. Daaruit volgt dat de bestreden bepalingen, aangezien zij het domein van de aanvullende verkeersreglementen betreffen, tot de bevoegdheid van de gewesten behoren en de in het middel aangevoerde bepalingen schenden.

B.8. Het eerste middel is gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten ».

B.6. In zoverre het bestreden artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008 bepaalt dat de Vlaamse Regering, de steden en de gemeenten en hun concessiehouders en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen gemachtigd zijn om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen, neemt die bepaling in essentie het bij het voormelde arrest nr. 59/2010 vernietigde artikel 15 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) over, dat bepaalde :

« Met het oog op de inning van de in artikel 1 bedoelde retributies, belastingen of parkeergelden, zijn de steden en gemeenten en haar concessiehouders en de autonome gemeentebedrijven gemachtigd om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ».

B.7. Zoals bepaald in artikel 3 van het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens, stelt de Vlaamse Regering de aanvullende reglementen op de gewest- en provinciewegen vast. Onverminderd de voorgaande bepaling, kan de gemeente eveneens, met toepassing van artikel 4 van hetzelfde decreet, zulke reglementen vaststellen op de gewest- en provinciewegen die zich op haar grondgebied bevinden. Ten slotte bepaalt artikel 5 van hetzelfde decreet dat de gemeente de aanvullende reglementen op de gemeentewegen die zich op haar grondgebied bevinden, vaststelt.

Zoals artikel 10/1 van het decreet van 16 mei 2008 bepaalt, kan de door de bestreden bepaling ingevoerde regeling inzake parkeerretributies en -belastingen slechts toepassing vinden wanneer de Vlaamse Regering, voor de gewest- en provinciewegen, of de gemeente, wat haar grondgebied betreft, een aanvullend reglement vaststellen dat betrekking heeft op het parkeren voor een beperkte tijd, het parkeren tegen betaling en het parkeren op plaatsen voorbehouden aan houders van een gemeentelijke parkeerkaart.

B.8. Zoals het Hof in het voormelde arrest nr. 59/2010 heeft geoordeeld, behoren de aanvullende verkeersreglementen tot de bevoegdheid van de gewesten.

Zij moeten echter worden aangenomen met inachtneming van de bevoegdheden van de federale overheid.

B.9.1. Dat geldt voor de wetgeving en de reglementen op de politie van het wegverkeer.

Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voorziet immers uitdrukkelijk erin dat « de organisatie van en het beleid inzake de politie, met inbegrip van artikel 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet » tot de bevoegdheid van de federale wetgever blijven behoren.

Aldus is de federale overheid niet alleen bevoegd voor de organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst op federaal en lokaal niveau zoals bedoeld in artikel 184 van de Grondwet, maar ook voor de algemene administratieve politie en de handhaving van de openbare orde op gemeentelijk vlak.

B.9.2. Inzake politie dient eveneens rekening te worden gehouden met het voormelde artikel 6, § 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Uit die bepaling vloeit voort dat het aannemen van « de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer » een federale bevoegdheid is gebleven, ook al moeten de Gewestregeringen bij het ontwerpen ervan worden betrokken.

Tot de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer behoren de algemene reglementen die de Koning op grond van artikel 1 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 (hierna : Wegverkeerswet), vermag vast te stellen. Dat artikel maakt deel uit van hoofdstuk I (« Algemene reglementen »), van de voormelde wet.

B.10.1. In het kader van de bevoegdheden die Hem aldus worden verleend bij artikel 1 van de Wegverkeerswet, heeft de Koning, op 20 juli 2001, een besluit genomen betreffende de inschrijving van voertuigen, dat in artikel 2, § 1 bepaalt dat een voertuig slechts in het verkeer mag worden gebracht als het ingeschreven is en de nummerplaat draagt die bij de inschrijving werd toegekend.

Artikel 3 van hetzelfde besluit bepaalt dat de personen die in België verblijven, de voertuigen die zij in het verkeer wensen te brengen inschrijven in het repertorium van de voertuigen bedoeld in artikel 6 van het besluit, dat een gecomputeriseerd gegevensbestand is dat wordt bijgehouden door het directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Luidens artikel 6, § 2, 2°, van het koninklijk besluit, mogen de persoonsgegevens van het repertorium van de voertuigen worden verwerkt voor het volgende doel :

« de identificatie van de natuurlijke of rechtspersoon die belastingen of retributies verschuldigd is inzake de verwerving, de inschrijving, de inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig ».

Het is op grond van die bepaling dat de voormelde Federale Overheidsdienst wordt gemachtigd om aan de betrokken diensten de identiteit van de houder van een nummerplaat door te geven, teneinde hen in staat te stellen om parkeerretributies of -belastingen te innen.

B.10.2. Op 19 mei 2010 werd een wet afgekondigd houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen. Zij werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 juni van hetzelfde jaar. Artikel 40 van de wet belast de Koning ermee de datum van inwerkingtreding ervan te bepalen.

Artikel 4 van de wet strekt ertoe, binnen de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, een databank van de voertuigen op te richten die « Kruispuntbank van de voertuigen » wordt genoemd en die bij artikel 8 van de wet ermee wordt belast het repertorium van de voertuigen zoals bepaald in de artikelen 6, 7, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, bij te houden.

Zoals blijkt uit de memorie van toelichting, zijn de doelstellingen van de wet veel ruimer dan die welke momenteel door het koninklijk besluit van 20 juli 2001 worden nagestreefd, waarbij de wetgever, om de coherentie te waarborgen, het repertorium van de voertuigen bepaald bij het genoemde koninklijk besluit, wenst te integreren in de Kruispuntbank (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2493/001, pp. 8 en 10).

Artikel 5 van de wet bepaalt dat de Kruispuntbank onder meer tot doel heeft om op elk ogenblik de eigenaar, de aanvrager en de houder van de inschrijving van de voertuigen te identificeren, alsook de gegevens betreffende de goedkeuring ervan te achterhalen, teneinde :

« [...]

8° de heffing van belastingen, retributies of vergoedingen inzake de aankoop, de inschrijving, de inverkeerstelling, het gebruik, de buitengebruikstelling of de overbrenging van een voertuig mogelijk te maken;

[...] ».

Het is het directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer dat, volgens artikel 6 van de wet, verantwoordelijk is voor de verwerking van de persoonsgegevens die zich in de Kruispuntbank bevinden.

B.11. De autonomie die de federale overheid en de gemeenschappen of de gewesten binnen hun eigen bevoegdheidssfeer hebben, verhindert in beginsel dat de ene overheid een dienst die tot een andere overheid behoort zonder instemming van deze laatste verplicht om haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van het beleid van die eerste overheid.

B.12.1. Door de Vlaamse Regering, de steden en de gemeenten en hun concessiehouders en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen te machtigen om de identiteit van de houder van een nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, regelt het nieuwe artikel 10/2, tweede lid, van het decreet van 16 mei 2008 op geen enkele wijze de inschrijving van voertuigen.

B.12.2. Het voormelde artikel 10/2, tweede lid, beperkt zich ertoe de Vlaamse Regering, de steden en de gemeenten en hun concessiehouders en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen te machtigen om de identiteit van de houder van een nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen.

B.12.3.1. De toegang tot het repertorium van de voertuigen kan slechts geschieden mits naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, waarvan het artikel 6 de doeleinden bepaalt waarvoor de gegevens van het repertorium van voertuigen kunnen worden verwerkt.

B.12.3.2. Luidens het thans van toepassing zijnde artikel 6, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen mogen de persoonsgegevens van het repertorium van de voertuigen, dat wordt bijgehouden door het directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, worden verwerkt voor de volgende doeleinden :

« de identificatie van de natuurlijke of rechtspersoon die belastingen of retributies verschuldigd is inzake de verwerving, de inschrijving, de inverkeerstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig ».

B.12.3.3. Wanneer er sprake is van een belasting of een retributie die verschuldigd is inzake het gebruik van een voertuig, maakt die bepaling het mogelijk de identiteit van de houder van de nummerplaat te verkrijgen bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

B.12.3.4. Uit artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008 vloeit voort dat de concessies of beheersovereenkomsten die kunnen worden afgesloten « het innen van de parkeerretributies of -belastingen » als voorwerp hebben.

B.12.3.5. Vermits de vraag van de Vlaamse Regering, de steden en de gemeenten en hun concessiehouders en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen naar de identiteit van de houder van de nummerplaat de identificatie betreft van een natuurlijke of rechtspersoon die belastingen of retributies verschuldigd is inzake het gebruik van een voertuig, is bijgevolg aan de voorwaarde van het voormelde artikel 6, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 voldaan.

B.13. Het middel is niet gegrond.

Wat het eerste middel in de zaak nr. 5086 betreft

B.14. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5086 voeren de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het nieuwe artikel 10/3 van het decreet van 16 mei 2008 bepaalt dat parkeerretributies of -belastingen ten laste worden gelegd van de houder van de nummerplaat, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, de situatie waarin een eigenaar zijn eigen wagen bestuurt of occasioneel laat besturen door een derde en, anderzijds, de situatie waarin een eigenaar beroepsmatig en op grond van een verhuurcontract een wagen ter beschikking stelt van een van zijn klanten.

B.15.1. Luidens het bestreden artikel 10/3 van het decreet van 16 mei 2008 worden de in artikel 10/1 van hetzelfde decreet bedoelde retributies of belastingen ten laste gelegd van de houder van de nummerplaat. Die bepaling werd als volgt verantwoord :

« Gelet op het feit dat bij een geparkeerd voertuig in principe geen bestuurder wordt aangetroffen, wordt voorzien dat de belastingen of retributies ten laste zijn van de houder van de nummerplaat » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 573/1, p. 3).

B.15.2. De bestreden bepaling neemt artikel 16 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I) over, dat bepaalde :

« De in artikel 1 bedoelde retributies, belastingen of parkeergelden worden ten laste gelegd van de houder van de nummerplaat ».

B.15.3. Die bepaling, die het Hof heeft vernietigd bij het voormelde arrest nr. 59/2010, werd op soortgelijke wijze verantwoord :

« Tenslotte dient er ook een zekerheid te worden gecreëerd met betrekking tot de fysieke of rechtspersoon die het niet-betaalde parkeergeld is verschuldigd. Aangezien het parkeren betrekking heeft op het voertuig zonder dat de bestuurder aanwezig is, dient de verantwoordelijkheid voor het niet-betalen van het parkeergeld te worden gelegd bij de houder van de nummerplaat. Dit is immers de fysieke of rechtspersoon die instaat voor het gebruik dat van het voertuig wordt gemaakt. Hij kan terzake de nodige voorzorgen nemen ten aanzien van de bestuurders die van zijn voertuig gebruik maken en zal ook de nodige maatregelen moeten treffen om het niet-betaalde parkeergeld achteraf te kunnen recupereren van de bestuurder, die het parkeergeld niet heeft betaald. Ten einde de betaling ervan te kunnen waarborgen wordt in het voorgestelde artikel 3 van de wet van 22 februari 1965 de niet-betaalde parkeergelden ten laste gelegd van de houder van de nummerplaat » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/001, p. 17).

In antwoord op de vraag of de houder van de nummerplaat de gelegenheid zou krijgen aan te voeren dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik dat het voertuig werd geparkeerd (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/010, p. 3), heeft de Staatssecretaris voor Mobiliteit geantwoord « dat er een verschil is tussen de gevolgde procedures bij snelheidsovertredingen en bij parkeerboetes » (ibid., p. 4). Hij voegde daar nog het volgende aan toe :

« Een geparkeerde wagen staat altijd alleen, er is geen bestuurder. Daarom wordt er van uitgegaan dat de eigenaar de verantwoordelijkheid neemt voor zijn wagen » (ibid.).

B.15.4. In de Kamer werd eveneens een amendement ingediend luidens hetwelk de gemeentelijke verordeningen zouden kunnen voorzien in een hoofdelijke gehoudenheid van de bestuurder en de eigenaar van het voertuig. Dat amendement werd verworpen op grond van de volgende overwegingen :

« De staatssecretaris stelt dat als twee personen, de gebruiker en de eigenaar, beiden verantwoordelijk kunnen zijn voor belasting of retributie, dat ze de verantwoordelijkheid naar mekaar kunnen toeschuiven. Ook bestaat het risico dat iemand een auto laat inschrijven op de naam van iemand anders.

De heer [...] verwijst naar het systeem dat bestaat voor het leasen van auto's en waar de nummerplaat op naam van het bedrijf staat. Misschien kan een gelijkaardig systeem worden veralgemeend. Er kan tussen de partijen een conventie worden opgesteld die aangeeft wie verantwoordelijk is voor de kosten (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1608/010, p. 7) ».

B.16. Vermits de bestreden bepaling beoogt de invordering van de parkeerbelastingen en -retributies mogelijk te maken, en ze de Vlaamse Regering, de steden en de gemeenten en hun concessiehouders en de gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen die de parkeerheffing innen in staat stelt te weten wie de heffing verschuldigd is, streeft de bestreden bepaling een wettig doel na en is de in die bepaling voorgeschreven maatregel pertinent ten opzichte van dat doel.

B.17.1. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding werd opgemerkt, kan de houder van de nummerplaat die eigenaar is van een wagen die hij beroepsmatig en op grond van een verhuurovereenkomst ter beschikking stelt van een van zijn klanten, in die overeenkomst bepalen dat de huurder parkeerheffingen verschuldigd door het gebruik dat hij maakt van het voertuig, te zijnen laste zal nemen. De naleving van een dergelijke bepaling kan zonder excessieve last voor de verhuurder worden verzekerd, bijvoorbeeld door het voorafgaandelijk betalen van een waarborg of door het gebruik van een kredietkaart.

B.17.2. Wanneer de huurder, in weerwil van hetgeen in de verhuurovereenkomst zou zijn bepaald, nalaat de parkeerheffing terug te betalen, beschikt de verhuurder over alle middelen van gemeen recht om de naleving van de verhuurovereenkomst te verzekeren.

B.18. Gelet op het voorgaande is het feit dat de bestreden bepaling geen onderscheid maakt tussen, enerzijds, de situatie waarin een eigenaar zijn eigen wagen bestuurt of occasioneel laat besturen door een derde en, anderzijds, de situatie waarin een eigenaar beroepsmatig en op grond van een verhuurcontract een wagen ter beschikking stelt van een van zijn klanten, niet zonder redelijke verantwoording.

B.19. Het eerste middel in de zaak nr. 5086 is niet gegrond.

Wat het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5086 betreft

B.20. In het eerste onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 5086 aan dat het nieuwe artikel 10/3 van het decreet van 16 mei 2008 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 van de Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt doordat de bestreden bepaling een onevenredige inmenging in het recht op eigendom zou inhouden.

B.21.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

B.21.2. Aangezien die internationaalrechtelijke bepaling een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met diegene die zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepaling, rekening houdt met de eerstgenoemde.

B.22. De bestreden bepaling vormt een reglementering van het gebruik van de eigendom in de zin van de tweede alinea van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Er dient te worden onderzocht of die bepaling in een redelijk verband van evenredigheid staat tot een doelstelling van algemeen belang.

De bestreden bepaling zou niet voldoen aan die voorwaarde indien ze het billijke evenwicht verbreekt tussen de vereisten van het algemeen belang en de imperatieven van de vrijwaring van de grondrechten van het individu door op de betrokken personen een bijzondere en buitensporige last te doen wegen.

B.23. Uit het onderzoek van het eerste middel blijkt dat de bestreden bepaling een doelstelling van algemeen belang nastreeft en dat zij geen bijzondere en buitensporige last oplegt, mede gelet op de mogelijkheid om, middels een contractueel beding, de kosten van de parkeerheffing te verhalen op de gebruiker van de wagen.

B.24. Het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5086 is niet gegrond.

Wat het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5086 betreft

B.25. In het tweede onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 5086 aan dat het nieuwe artikel 10/3 van het decreet van 16 mei 2008 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt, doordat de bestreden bepaling de wapengelijkheid zou schenden en de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot een rechter op onevenredige wijze zou beperken.

B.26. Zonder zich te moeten uitspreken over de vraag of artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens van toepassing is op geschillen betreffende parkeerheffingen, dient te worden vastgesteld dat de bestreden bepaling op geen enkele wijze het recht op toegang tot een rechter beperkt. Het staat de houder van de nummerplaat die wordt uitgenodigd de parkeerheffing te betalen, vrij die met alle rechtsmiddelen te bestrijden.

B.27.1. In zoverre een schending van de wapengelijkheid, het recht van verdediging en het recht op tegenspraak wordt aangevoerd, moet worden vastgesteld dat, wanneer de instantie die instaat voor de invordering van de parkeerheffing een rechter verzoekt de houder van een nummerplaat tot de betaling van de parkeerheffing te veroordelen, de bestreden bepaling de houder van de nummerplaat niet belet te betwisten dat de parkeerheffing verschuldigd is. De houder van de nummerplaat beschikt over alle procedurele waarborgen waarin het Gerechtelijk Wetboek voorziet.

B.27.2. Het feit dat de houder van de nummerplaat die eigenaar is van een voertuig dat hij verhuurt niet zelf aanwezig is op het ogenblik van de feiten die aanleiding geven tot de parkeerheffing, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De bestreden bepaling verhindert hem immers niet om aan de huurder informatie te vragen aan de hand waarvan hij kan betwisten dat de parkeerheffing verschuldigd is. In voorkomend geval kan hij die huurder tot tussenkomst dagvaarden.

B.28. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 5086 is niet gegrond.

Wat het derde middel in de zaak nr. 5086 betreft

B.29. In het derde middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 5086 aan dat het nieuwe artikel 10/3 van het decreet van 16 mei 2008 de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 173, van de Grondwet, schendt in zoverre de bestreden bepaling parkeerretributies ten laste legt van de houder van de nummerplaat, terwijl die houder, wanneer hij niet zelf de bestuurder van de geparkeerde wagen was, op geen enkele wijze de begunstigde zou zijn van enige dienst die hem werd verleend.

B.30.1. De Vlaamse Regering en de tussenkomende partij voeren aan dat het middel niet ontvankelijk is vermits het Hof niet bevoegd is om rechtstreeks aan artikel 173 van de Grondwet te toetsen.

B.30.2. Te dien aanzien dient te worden vastgesteld dat het middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11, in samenhang gelezen met artikel 173, van de Grondwet. De exceptie wordt verworpen.

B.31. De verzoekende partijen beklagen zich in wezen over een verschil in behandeling tussen twee categorieën van personen : enerzijds, de houder van de nummerplaat die zelf gebruik heeft gemaakt van het voertuig waarvan het parkeren aanleiding geeft tot het betalen van een parkeerretributie en, anderzijds, de houder van de nummerplaat die het voertuig waarvan het parkeren aanleiding geeft tot het betalen van een parkeerretributie, verhuurt. Terwijl de eerste categorie van personen de dienst zou hebben genoten waarvoor de retributie dient te worden betaald, zou de tweede categorie van personen die dienst niet genieten.

B.32. Een retributie is de vergoeding van een dienst die de overheid presteert ten voordele van de heffingsplichtige individueel beschouwd. Zij heeft een louter vergoedend karakter, zodat er een redelijke verhouding moet bestaan tussen de kostprijs of de waarde van de verstrekte dienst en het bedrag dat de heffingsplichtige verschuldigd is.

B.33. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen lijken aan te nemen, is er voor de houder van de nummerplaat die eigenaar is van een voertuig dat hij verhuurt, wel degelijk sprake van een dienst die hem tot voordeel strekt. Het betalen van de parkeerretributie maakt het de huurder van een voertuig immers mogelijk om het te parkeren. Zonder die mogelijkheid zou het verhuren van voertuigen minder aantrekkelijk zijn.

B.34. Vermits er voor beide in B.31 vermelde categorieën van personen sprake is van een dienst die de betrokkenen tot voordeel strekt, is het aangeklaagde verschil in behandeling onbestaande.

B.35. Het derde middel in de zaak nr. 5086 is niet gegrond.

Wat het enige middel in de zaak nr. 5088 betreft

B.36. De verzoekende partij in de zaak nr. 5088 voert aan dat het nieuwe artikel 10/2 van het decreet van 16 mei 2008 artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens schendt doordat met het oog op het innen van de parkeerretributies of -belastingen concessies of beheersovereenkomsten kunnen worden afgesloten en concessiehouders gemachtigd zijn om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen.

B.37.1. Volgens de Vlaamse Regering is het middel niet ontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, vermits het Hof niet rechtstreeks aan die bepaling vermag te toetsen.

B.37.2. Het middel komt erop neer dat het Hof wordt gevraagd naar de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde internationale verdragsbepaling.

B.37.3. Zoals artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, waarborgt artikel 22 van de Grondwet het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven.

Uit de parlementaire voorbereiding van die grondwetsbepaling blijkt bovendien dat de Grondwetgever een zo groot mogelijke concordantie heeft willen nastreven « met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

Daaruit volgt dat het Hof bevoegd is om te oordelen of de bestreden bepaling in strijd is met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, rekening houdend met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.38. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ».

De voormelde bepalingen vereisen dat in elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling.

Het Hof moet nagaan of de bestreden bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privéleven.

B.39.1. Het nieuwe artikel 10/2, tweede lid, van het decreet van 16 mei 2008 bepaalt zowel de instanties die gemachtigd zijn om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen, als de informatie die zij mogen opvragen en de voorwaarden waaraan zij dienen te voldoen bij de behandeling van die informatie. Bijgevolg is de bestreden bepaling voldoende precies.

B.39.2. Zoals in de parlementaire voorbereiding van het decreet van 9 juli 2010 werd opgemerkt, wordt « bij een geparkeerd voertuig in principe geen bestuurder [...] aangetroffen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2009-2010, nr. 573/1, p. 3). De identificatie van de houder van de nummerplaat is in die gevallen bijgevolg de enige manier om te bepalen wie de parkeerbelasting of -retributie verschuldigd is.

B.39.3. Het bestreden artikel 10/2, tweede lid, van het decreet van 16 mei 2008 bepaalt dat het opvragen van de identiteit van de houder van de nummerplaat bij de overheid die belast is met de inschrijving van de voertuigen dient te geschieden « in overeenstemming met de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ». Dit houdt in dat de instanties die worden gemachtigd om de identiteit van de houder van de nummerplaat op te vragen, de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens dienen na te leven.

B.39.4. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer machtigt iedere privéonderneming die het beheer van een openbare parking in concessie kreeg of ieder gemeentelijk verzelfstandigd agentschap dat werd belast met het beheer van een openbare parking, om de identificatiegegevens te ontvangen van de houders van de nummerplaat die een parkeerbelasting of -retributie verschuldigd is, op voorwaarde dat die onderneming of dat agentschap aan het Sectoraal comité voor de Federale Overheid van de Commissie een geschreven en ondertekende verbintenisverklaring bezorgen, waarin zij instemmen met de voorwaarden die dat comité oplegt (Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Sectoraal comité voor de Federale Overheid, beraadslaging FO nr. 17/2010, 21 oktober 2010). Die voorwaarden houden onder meer in dat de betrokkenen zich ertoe moeten verbinden de verkregen gegevens slechts te gebruiken voor de inning van een parkeerbelasting of -retributie en de gegevens niet te gebruiken voor het beheer van een privéparking, dat zij enkel de naam, de voornaam en het adres van de nummerplaathouder mogen verkrijgen, dat zij de gegevens wissen zodra ze niet meer nodig zijn en in ieder geval niet langer te bewaren zodra de verschuldigde som werd ontvangen, dat zij de gebruikers informeren, dat zij de vertrouwelijkheid van de gegevens bewaren en dat zij die niet aan derden meedelen.

B.40. Gelet op het voorgaande beantwoordt de inmenging in het privéleven aan een dwingende maatschappelijke behoefte en is ze evenredig met de nagestreefde wettige doelstelling.

B.41. Het enige middel in de zaak nr. 5088 is niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 11 januari 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Beroepen tot vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 9 juli 2010 houdende de invordering van parkeerheffingen door parkeerbedrijven, ingesteld door de bvba « Algemeen Autobedrijf Genva » en anderen en door Georges Casteur. Grondwettelijk recht

  • 1. Bevoegdheden van de gewesten

  • Vlaams Gewest

  • Ondergeschikte besturen

  • Gemeenten

  • Organisatie, bevoegdheid en werking van de gemeentelijke instellingen

  • Vestiging en invordering van gemeentebelastingen

  • a. Aanvullende verkeersreglementen

  • b. Parkeerretributies of -belastingen in het kader van concessies of beheersovereenkomsten

  • Inning

  • Opvraging van de identiteit van de houder van een nummerplaat

  • Toegang tot het repertorium van de voertuigen

  • 2. Federale bevoegdheden

  • Organisatie van en beleid inzake de politie

  • Regels van de algemene politie en reglementering op het verkeer en vervoer

  • Politie van het wegverkeer

  • Algemene reglementen

  • Inschrijving van voertuigen

  • Repertorium van de voertuigen. # Bestuursrecht

  • Parkeerbeleid

  • Parkeerretributies of -belastingen

  • 1. Houder van de nummerplaat

  • 2. Inning

  • Opvraging van de identiteit van de houder van een nummerplaat

  • Toegang tot het repertorium van de voertuigen

  • Parkeerbedrijven. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • Beperkingen

  • 2. Recht op een eerlijk proces

  • a. Recht op tegenspraak

  • b. Wapengelijkheid

  • 3. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Recht op toegang tot de rechter

  • b. Recht van verdediging

  • 4. Eigendomsrecht.