- Arrest van 16 februari 2012

16/02/2012 - 21/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 47, § 2quater, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, in de versie ervan zoals vervangen bij het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre niet erin is voorzien dat de voor de heffingen gevestigd in 2003 toepasselijke coëfficiënt 0,7 geldt voor de heffingen die de heffingsplichtigen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, dienen te betalen voor het storten van bedrijfsafvalstoffen op stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 11 maart 2011 in zake de nv « André Celis Containers » tegen de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) en het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 maart 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 47, § 2quater, iuncto artikel 47, § 2, 7°, 8° en 9°, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet doordat enkel de coëfficiënt van 0,7 wordt toegepast op de milieuheffingen voor het storten op stortplaatsen vergund voor bedrijfsafvalstoffen en niet voor het storten van afvalstoffen met een identieke samenstelling op stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, terwijl bedrijfsafvalstoffen intrinsiek meer vervuilend zijn dan huishoudelijke afvalstoffen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 47, §§ 2 en 2quater, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : Afvalstoffendecreet), in de versie ervan zoals van toepassing op de feiten van de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter, bepaalt :

« § 2. Het bedrag van de milieuheffingen bedoeld in § 1 wordt vastgesteld op :

[...]

7° 49,58 EUR per ton, voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen;

8° a) 3,72 EUR per ton, voor het storten op voormelde stortplaats van :

- afvalstoffen afkomstig van de bewerking van natuursteen;

- geperst marmer- en slijpslib;

b) 12,39 EUR per ton, voor het storten op voormelde stortplaats van :

- reststoffen van bedrijven vergund voor het immobiliseren van bedrijfsafvalstoffen

9° 2,48 EUR per ton, voor het storten op voormelde stortplaats, van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties goedgekeurd door de OVAM en waarbij overeenkomstig het advies van OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, van de verwijdering van asbestbevattende bekleding en asbestbevattende structuurelementen van gebouwen en van residu's afkomstig van vergunde grondreinigingscentra en van vergunde verwerkingsinrichtingen voor rioolkolkenslib;

10° a) 49,58 EUR x K per ton, voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, waarbij :

- K = 0,75 voor het heffingsjaar 1996 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 1997 voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen;

- K = 1 voor het storten van afvalstoffen andere dan huishoudelijke afvalstoffen;

b) 47,10 EUR x K per ton, voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor huishoudelijke afvalstoffen met actieve stortgasonttrekking en met recuperatie van de energieinhoud van het stortgas, waarbij :

- K = 0,75 voor het heffingsjaar 1996 en K = 1 met ingang van het heffingsjaar 1997 voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen;

- K = 1 voor het storten van afvalstoffen andere dan huishoudelijke afvalstoffen;

c) in afwijking van a) en b) wordt met ingang van 1 januari 1998 het bedrag van de milieuheffing vastgesteld op 13,26 EUR per ton, wanneer het gaat om het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verbrand in een oven vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, om reden dat deze oven op vrijwillige basis door de exploitant tijdelijk om milieuredenen buiten dienst werd gesteld. Deze afwijking geldt evenwel voor elke oven slechts gedurende een periode van 18 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand tijdens dewelke de oven op vrijwillige basis werd gesloten;

11° 2,48 EUR per ton, voor het storten op voormelde stortplaats van :

- afvalstoffen afkomstig van bodemsaneringsoperaties goedgekeurd door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en waarbij overeenkomstig het advies van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest andere saneringswijzen dan uitgraven en storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn en van residu's afkomstig van vergunde grondreinigingscentra en van vergunde verwerkingsinrichtingen voor rioolkolkenslib;

[...]

13° 49,58 EUR per ton voor het storten op voormelde stortplaats van bedrijfsafvalstoffen;

[...]

38° 6,2 euro/ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 euro/ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu's van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals hieronder vermeld, gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten.

De te storten of te verbranden restfractie moet na voorbehandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages welke moeten beschouwd worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de vergunde inrichting :

- 5 gewichtspercent voor papier en kartonafval;

- 15 gewichtspercent voor glasafval;

- 13 gewichtspercent voor lompenafval;

- 25 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten;

- 5 gewichtspercent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval voorsorteren;

- 10 gewichtspercent voor elektronisch en elektrisch schrootafval;

- 10 gewichtspercent voor schrootafval;

- 20 gewichtspercent voor houtafval;

- 5 gewichtspercent voor groenafval;

- 5 gewichtspercent voor piepschuimafval;

- 10 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval (GFT);

- 11 gewichtspercent voor groente-, fruit- en tuinafval vermengd met gebruikte luiers;

- 5 gewichtspercent voor bouw- en sloopafval;

- 10 gewichtspercent voor rubberafval, andere dan bandenafval;

- 5 gewichtspercent voor bandenafval;

- 20 gewichtspercent voor plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons (PMD);

- 25 gewichtspercent voor shredderafval/flotatieafval afkomstig van schrootverwerking;

- 5 gewichtspercent voor voedselafval;

- 25 gewichtspercent voor gebruikte oplosmiddelen.

De vermelde gewichtspercenten gelden voor verbranden en storten samen.

Voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, of verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van afvalstoffen afkomstig van het gebruik van selectief ingezameld papier- of kartonafval of van het voorbehandelen tot grondstof binnen de inrichting vergund voor de aanmaak van nieuw papier of karton geldt een tarief van 1,24 euro/ton.

Voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, of verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu's van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas geldt een tarief van 0 euro/ton.

Als jaarbasis moeten worden beschouwd de laatste vier gekende kwartalen voorafgaand aan het kwartaal waarin de afvalstoffen worden gestort of verbrand.

[...]

§ 2quater. Het bedrag van de milieuheffing zoals bepaald in artikel 47, § 2, 7°, 8°, a) en b), en 9°, wordt voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, vermenigvuldigd met de volgende coëfficiënten :

0,7 voor de heffingen gevestigd in 2003;

0,775 voor de heffingen gevestigd in 2004;

0,85 voor de heffingen gevestigd in 2005;

0,925 voor de heffingen gevestigd in 2006 ».

B.2. Het Hof wordt gevraagd of artikel 47, § 2quater, van het Afvalstoffendecreet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de erin voor de heffingen gevestigd in 2003 vastgestelde coëfficiënt 0,7 enkel van toepassing is op de milieuheffingen voor het storten van afvalstoffen op stortplaatsen vergund voor bedrijfsafvalstoffen, en niet op de milieuheffingen voor het storten van afvalstoffen met een identieke samenstelling op stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, terwijl bedrijfsafvalstoffen intrinsiek meer vervuilend zijn dan huishoudelijke afvalstoffen.

B.3. De in het geding zijnde bepaling voorziet in een tijdelijke vermindering van het bedrag van de milieuheffing bepaald in artikel 47, § 2, 7°, 8° en 9°, van het Afvalstoffendecreet.

Het gaat meer bepaald om het bedrag van de milieuheffing voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen. De vermindering van het bedrag van de heffing geldt bijgevolg niet voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 47, § 2, 10°, 11° en 13°, van het Afvalstoffendecreet.

De vermindering geldt bovendien enkel voor « de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting ».

B.4. In tegenstelling tot wat de OVAM en de Vlaamse Regering beweren, zijn de stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling, voldoende vergelijkbaar met de stortplaatsen vergund voor bedrijfsafvalstoffen.

Vóór de invoering van de in het geding zijnde bepaling, riep het Afvalstoffendecreet immers - behoudens voor wat een aantal bijzondere gevallen betreft (zie artikel 47, § 2, 8°, 9°, 10°, b), en 11°) - geen verschil in behandeling in het leven, wat het bedrag van de milieuheffing betreft, naargelang het storten gebeurt op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen, dan wel op een stortplaats vergund voor huishoudelijke afvalstoffen (zie artikel 47, § 2, 7°, 10°, a), en 13°).

De omstandigheid dat de stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen in de meeste gevallen worden uitgebaat door intercommunales, die niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, terwijl de stortplaatsen vergund voor bedrijfsafvalstoffen meestal worden uitgebaat door private ondernemingen, die wel aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, leidt, wat de vergelijkbaarheid betreft, niet tot een andere conclusie. De OVAM en de Vlaamse Regering erkennen overigens zelf dat, in 2003 - jaar waarin de stortingen hebben plaatsgevonden die aanleiding hebben gegeven tot de betwisting voor de verwijzende rechter -, niet alle stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen werden uitgebaat door intercommunales. Uit de feiten van de zaak die hangende is voor de verwijzende rechter blijkt dat - minstens een deel van - de afvalstoffen die in 2003 werden gestort door de nv « André Celis Containers » zijn terechtgekomen op een stortplaats vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, uitgebaat door een private onderneming.

B.5. Uit de artikelen 5.2.4.1.3, § 4, en 5.2.4.1.4, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, in de versie ervan zoals van toepassing in 2003, blijkt dat bepaalde bedrijfsafvalstoffen enkel kunnen worden gestort op stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen. Dit is met name het geval voor bedrijfsafvalstoffen die vanwege hun aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen. Artikel 47, § 2, 13°, van het Afvalstoffendecreet, in de versie ervan zoals van toepassing in 2003, voorziet overigens in een afzonderlijke categorie, wat het bedrag van de milieuheffing betreft, voor het storten van bedrijfsafvalstoffen op een stortplaats vergund voor huishoudelijke afvalstoffen.

B.6.1. De in het geding zijnde bepaling werd in het Afvalstoffendecreet ingevoegd bij artikel 45 van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003.

In de parlementaire voorbereiding wordt die bepaling toegelicht als volgt :

« De indiener verantwoordt zijn amendement doordat door de inwerkingtreding dit jaar van de wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting de fiscale aftrekbaarheid van de milieuheffingen vanaf het aanslagjaar 2004 niet meer is toegelaten.

Door de niet-aftrekbaarheid van de milieuheffingen (eigenlijke gewestbelastingen) worden vooral de privé-stortplaatsen, vergund voor bedrijfsafvalstoffen, financieel zwaar getroffen. De niet-aftrekbaarheid van de afvalstoffenheffing treft daarenboven vooral de stortplaatsen, omdat voor hen de heffing meer dan de helft van het totaal bedrag aan stortrechten vertegenwoordigt.

Deze federale maatregel zorgt er voor dat privéstortplaatsen met een bijkomend concurrentieel nadeel opgezadeld worden ten overstaan van de intercommunale afvalverwerkers. Deze intercommunales zijn immers onderworpen aan de rechtspersonenbelasting en de niet-aftrekbaarheid van de eigenlijke gewestbelasting in de vennootschapsbelasting heeft voor hen dan ook geen enkel fiscaal of financieel gevolg.

De federale maatregel zorgt in de praktijk bijgevolg voor een verstoring van het huidige evenwicht in de reglementering van de milieuheffingen, die een regionale bevoegdheid is. Men kan aldus ook stellen dat deze federale maatregel van niet-aftrekbaarheid een discriminatie in het leven roept tussen enerzijds intercommunale, publieke, afvalverwerkers en anderzijds privé-afvalverwerkers. De opmerkingen van EU-commissaris Bolkestein over de organisatie van de overheidsinitiatieven in de milieusector in Vlaanderen indachtig is dergelijke bijkomende concurrentieverstoring moeilijk te verdedigen. Bovendien behoorde dit niet tot de doelstellingen van de decreetgever toen de nu vigerende regeling werd vastgesteld.

Deze maatregel zal bovendien zorgen voor een verschuiving van afvalverwerking van het Vlaamse Gewest naar onze buurlanden. Hoewel de ophalers van afval volgens de huidige regelgeving een sorteerderheffing dienen te betalen wanneer ze afval buiten het Vlaamse Gewest exporteren, worden deze - gelet op de beperkte controlemogelijkheden - de facto weinig of niet geïnd. Daar de sorteerderheffing als oogmerk had de exporteurs van afval qua hoegrootheid van afvalheffingen op dezelfde voet te plaatsen als de verwerkers in Vlaanderen, zal de niet-aftrekbaarheid van de afvalstoffenheffing, gekoppeld aan een quasi niet-inning van de sorteerderheffing, ongetwijfeld leiden tot een ernstige concurrentievervalsing met een gevoelige stijging van de export van Vlaams afval als eindresultaat.

De voorgestelde tijdelijke maatregel is verzoenbaar met het afvalstoffenplan omdat door de voorgestelde wijzigingen de heffingen op storten nog steeds groter zijn dan de heffingen op andere eindverwerkingsmethodes, wat volledig kadert in de ladder van Lansink.

Om bovenvermelde afgeleide effecten van de federale maatregel op Vlaams niveau enigszins te beperken en de concurrentievoorwaarden van de onderscheiden marktspelers weer naar elkaar toe te laten groeien, wordt voorliggend ontwerp van wijziging aan het Vlaams Parlement voorgelegd.

Het voorliggend voorstel tot wijziging van Hoofdstuk IX van het decreet van 2 juli 1981 strekt er dus toe voor deze sector een maatregel voor te stellen die op korte termijn en voor een beperkte periode de financieel nadelige gevolgen enigszins tempert. Teneinde de inkomsten voor de Vlaamse overheid zo weinig mogelijk te bezwaren en het concurrentienadeel ten aanzien van de intercommunales enigszins weg te werken, wordt de vermindering van deze heffingen slechts doorgevoerd voor klasse 1-stortplaatsen. Het is de bedoeling aan de bedrijven uit deze sectoren een transitieperiode aan te bieden die hen moet toelaten zich aan de nieuwe situatie aan te passen.

De gekozen coëfficiënt waarmee de bedragen van de verschuldigde heffingen worden verminderd [strekt] ertoe de niet-aftrekbaarheid van de milieuheffingen in de federale vennootschapsbelastingen gedeeltelijk te compenseren voor de heffingen die worden gevestigd in 2003.

De minister vult aan dat deze problematiek recent werd besproken in een vergadering van de Verenigde Commissies voor Algemeen Beleid, Financiën en Begroting en voor Leefmilieu, Natuurbehoud en Ruimtelijke Ordening [...]. Het amendement voorziet in twee belangrijke beperkingen : de compensatie geldt enkel voor het fiscaal jaar 2003 en enkel voor diegenen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. Het is niet de bedoeling de afvalstoffenheffing te verminderen voor de intercommunales. Door de compensatieregeling worden de intercommunales en de private ondernemingen op ongeveer gelijkaardige manier behandeld, dit in afwachting tot de heffingen op een ander niveau worden gesteld, of tot de federale overheid beslist de desbetreffende omzendbrieven terug te trekken of aan te passen. Het probleem was dat de betaling van de stortkosten werd opgenomen in de omzetberekening, terwijl de betaling van de heffingen op de balansrekening kwam. Door de omzendbrieven zijn de ondernemingen nu verplicht de heffingen in de resultatenrekening op te nemen, zodat zij onderhevig zijn aan de vennootschapsbelasting. Daardoor bestaat vandaag een onnatuurlijke situatie tussen privé-ondernemingen en intercommunales. Er wordt nu voorgesteld de problemen op te lossen voor 2003. Om de problemen definitief te ondervangen heeft de Vlaamse overheid een permanent contact met de betrokken federale administratie. Als dat niet lukt zullen de heffingen op een andere manier moeten worden opgevat » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1690/7, pp. 14-16).

B.6.2. Bij artikel 2 van het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2003 werd de in het geding zijnde bepaling vervangen en gewijzigd in die zin dat de desbetreffende maatregel niet enkel geldt voor de heffingen gevestigd in 2003, maar ook, zij het degressief, voor de heffingen gevestigd in 2004, 2005 en 2006. Volgens artikel 4 van dat decreet, treden de bepalingen ervan in werking op 1 januari 2003.

De parlementaire voorbereiding vermeldt :

« Het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003 heeft inzake afvalstoffenheffing in een tijdelijke compensatie voorzien voor privé-stortplaatsen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting. Door de niet-aftrekbaarheid van de milieuheffingen in de vennootschapsbelasting worden vooral die stortplaatsen financieel getroffen. De compensatie moet de betrokken bedrijven toelaten zich tijdens een transitieperiode aan hun nieuwe situatie in de vennootschapsbelasting aan te passen.

Deze compensatie gold voor heffingen gevestigd in 2003.

In hetzelfde decreet werd een analoge compensatiemaatregel ingevoerd voor de textielsector en de wasserijen inzake de afvalwaterheffing. Deze compensatiemaatregel werd echter gespreid over vier jaar.

Om de analogie tussen beide compensatiemaatregelen te behouden is het dan ook aangewezen om de compensatie inzake afvalstoffenheffing op dezelfde wijze te moduleren als die waarvan de textiel- en wasserijsector kan genieten.

Doordat het decreet van 27 juni 2003 in werking is getreden op 1 juli 2003 en de compensatie pas begint te spelen voor heffingen gevestigd in het jaar 2003, kan een interpretatieprobleem ontstaan. Om alle onduidelijkheid hierover weg te nemen wordt nu gestipuleerd dat de transitieperiode ingaat vanaf 1 januari 2003 » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 1947/3, p. 4).

B.7.1. Uit de aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde bepaling werd ingevoerd als compensatie voor de in artikel 8 van de wet van 24 december 2002 « tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken » vervatte maatregel.

Bij het voormelde artikel 8 werd artikel 198 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gewijzigd in die zin dat - vanaf het aanslagjaar 2004 - « de gewestelijke belastingen, heffingen en retributies andere dan deze bedoeld in artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsmede de verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsinteresten met betrekking tot deze niet-aftrekbare belastingen, heffingen en retributies » niet langer als beroepskosten kunnen worden afgetrokken in de vennootschapsbelasting.

De in het geding zijnde milieuheffingen zijn gewestelijke belastingen in de zin van die bepaling.

B.7.2. Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt ook dat de decreetgever van oordeel is geweest dat de bij de wet van 24 december 2002 ingevoerde maatregel van niet-aftrekbaarheid van de milieuheffingen tijdelijk diende te worden gecompenseerd, omdat die federale maatregel de « privéstortplaatsen met een bijkomend concurrentieel nadeel [opzadelt] ten overstaan van de intercommunale afvalverwerkers » en « een discriminatie in het leven roept tussen enerzijds intercommunale, publieke, afvalverwerkers en anderzijds privé-afvalverwerkers » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1690/7, p. 15).

B.8. Ten aanzien van de voormelde doelstelling is het pertinent dat de in het geding zijnde maatregel enkel geldt voor « de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting ». Enkel die heffingsplichtigen worden immers geraakt door de bij de wet van 24 december 2002 ingevoerde maatregel. Vermits de intercommunales, overeenkomstig artikel 180 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, is het, ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling, redelijk verantwoord dat de in het geding zijnde maatregel niet voor hen geldt.

B.9.1. Zoals in herinnering is gebracht in B.4, werden in 2003 niet alle stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen uitgebaat door intercommunales.

De private uitbaters van stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen bevinden zich, ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel en de doelstelling die ermee wordt nagestreefd, niet in een rechtstoestand die verschilt van die van de private uitbaters van stortplaatsen vergund voor bedrijfsafvalstoffen. De private uitbaters van stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen worden immers evenzeer geraakt door de federale maatregel van niet-aftrekbaarheid van de milieuheffingen in de vennootschapsbelasting.

B.9.2. Gelet op de in B.7.2 vermelde doelstelling om het ten gevolge van de wet van 24 december 2002 voor de private afvalverwerkers ontstane concurrentiële nadeel ten aanzien van de intercommunale afvalverwerkers te milderen, is het niet pertinent om de in het geding zijnde maatregel enkel toe te passen op het storten van afvalstoffen op stortplaatsen vergund voor bedrijfsafvalstoffen, en niet op het storten van afvalstoffen op private stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen.

De doelstelling om « de inkomsten voor de Vlaamse overheid zo weinig mogelijk te bezwaren » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1690/7, p. 15), kan het voormelde verschil in behandeling niet verantwoorden. Dit geldt des te meer nu de stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen slechts uitzonderlijk worden uitgebaat door private ondernemingen.

B.10. Niet alleen de private uitbaters van stortplaatsen, maar ook de private recyclagebedrijven die de afvalstoffen die zij niet kunnen verwerken, storten op een vergunde stortplaats, worden geraakt door de federale maatregel van niet-aftrekbaarheid van de milieuheffingen in de vennootschapsbelasting. Niettemin kunnen zij slechts, in geval van overschrijding van het in artikel 47, § 2, 38°, van het Afvalstoffendecreet bedoelde gewichtspercent, de maatregel vervat in de in het geding zijnde bepaling genieten, wanneer zij de afvalstoffen die zij niet kunnen verwerken, storten op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen, wat, zoals in herinnering is gebracht in B.5, niet in alle gevallen mogelijk is, en met name niet wanneer het gaat om bedrijfsafvalstoffen die vanwege hun aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen. Ten aanzien van de door de decreetgever nagestreefde doelstelling is het niet redelijk verantwoord dat de recyclagebedrijven de in het geding zijnde maatregel niet kunnen genieten wanneer zij de afvalstoffen die zij niet kunnen verwerken, verplicht dienen te storten, overeenkomstig de geldende milieureglementering, op stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen.

Overigens is het niet consequent dat voor stortingen van recyclageresidu's die onder het in artikel 47, § 2, 38°, van het Afvalstoffendecreet bedoelde gewichtspercent blijven, een eenvormig tarief wordt gehanteerd, dat onafhankelijk is van de vraag of de desbetreffende stortplaats vergund is voor bedrijfsafvalstoffen dan wel voor huishoudelijke afvalstoffen, terwijl voor stortingen van recyclageresidu's die het voormelde gewichtspercent overschrijden, de tarieven verschillen naar gelang van de aard van de vergunning van de desbetreffende stortplaats.

B.11.1. In zoverre de in het geding zijnde bepaling niet erin voorziet dat de voor de heffingen gevestigd in 2003 toepasselijke coëfficiënt 0,7 geldt voor de heffingen die de heffingsplichtigen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting dienen te betalen voor het storten van bedrijfsafvalstoffen op stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen, is ze niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.11.2. Nu die leemte zich bevindt in de aan het Hof voorgelegde tekst, komt het de verwijzende rechter toe een einde te maken aan de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid, vermits die vaststelling is uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen om toe te laten dat de in het geding zijnde bepaling wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 47, § 2quater, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, in de versie ervan zoals vervangen bij het decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2003, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre niet erin is voorzien dat de voor de heffingen gevestigd in 2003 toepasselijke coëfficiënt 0,7 geldt voor de heffingen die de heffingsplichtigen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, dienen te betalen voor het storten van bedrijfsafvalstoffen op stortplaatsen vergund voor huishoudelijke afvalstoffen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 februari 2012.

De griffier,

F. Meersschaut.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 47, § 2quater, juncto artikel 47, § 2, 7°, 8° en 9°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Milieurecht

  • Vlaams Gewest

  • Voorkoming en beheer van afvalstoffen

  • Milieuheffing

  • Tijdelijke vermindering

  • 1. Heffingsplichtigen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting

  • 2. Storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen

  • 3. Storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor huishoudelijke afvalstoffen

  • Uitsluiting.