- Arrest van 1 maart 2012

01/03/2012 - 33/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof, beperkte kamer,

samengesteld uit voorzitter R. Henneuse en de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 december 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 januari 2012, hebben Raf Verbeke, wonende te 9040 Gent, Antwerpse Steenweg 80, en Marie Rose Cavalier, wonende te 5334 Florée, chaussée de Dinant 35, een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 26 september 2011 « tot wijziging van de wet van 2 november 2010 betreffende de deelneming van de Belgische Staat in de ' European Financial Stability Facility ' en het verlenen van de Staatswaarborg aan de door deze vennootschap uitgegeven financiële instrumenten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 september 2011, tweede editie).

Op 11 januari 2012 hebben de rechters-verslaggevers P. Nihoul en E. De Groot, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdend in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij vastgesteld wordt dat het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing klaarblijkelijk onontvankelijk zijn.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. Artikel 142, derde lid, van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. De actio popularis is niet toelaatbaar.

B.2. De verzoekende partijen vorderen de schorsing en de vernietiging van de wet van 26 september 2011 « tot wijziging van de wet van 2 november 2010 betreffende de deelneming van de Belgische Staat in de ' European Financial Stability Facility ' en het verlenen van de Staatswaarborg aan de door deze vennootschap uitgegeven financiële instrumenten ».

B.3. Ter ondersteuning van hun beroep vermelden beide verzoekende partijen, natuurlijke personen, hun hoedanigheid van burger en van kiezer. Zij doen gelden, enerzijds, dat de bepalingen die zij bestrijden, substantiële bezuinigingsmaatregelen met zich mee kunnen brengen die elk van de verzoekende partijen rechtstreeks raken en, anderzijds, dat de schuldenlast die wordt veroorzaakt door de waarborgen die zij betwisten, ernstige gevolgen zou kunnen hebben voor de betrekkingen tussen de gemeenschappen en gewesten, zolang een wet die het systeem van coördinatie van de nationale parlementen regelt, niet is aangenomen teneinde effectiviteit te verlenen aan de inachtneming van het in het Verdrag van Lissabon bedoelde subsidiariteitsbeginsel.

B.4. Noch het verzoekschrift, noch de memorie met verantwoording tonen aan in welk opzicht de verzoekende partijen rechtstreeks en ongunstig zouden kunnen worden geraakt door de wet van 26 september 2011 « tot wijziging van de wet van 2 november 2010 betreffende de deelneming van de Belgische Staat in de ' European Financial Stability Facility ' en het verlenen van de Staatswaarborg aan de door deze vennootschap uitgegeven financiële instrumenten », die betrekking heeft op de zeer specifieke aangelegenheid van de deelneming van de Belgische Staat in een naamloze vennootschap en van de waarborgen die de Staat aan die laatste verleent. Het enkel vermelden van de budgettaire impact die de toepassing van die wet en van de bezuinigingsmaatregelen die het gevolg ervan zouden kunnen zijn, zou kunnen hebben voor de gehele bevolking die in België verblijft, volstaat niet om een voldoende geïndividualiseerd verband tussen de persoonlijke situatie van de verzoekende partijen en de bepalingen die zij bestrijden, aan te tonen.

Bovendien onderscheiden het belang dat een burger of een kiezer heeft om door de krachtens de Grondwet bevoegde overheid te worden bestuurd, alsook het belang dat een burger of een kiezer erbij heeft dat de in de Verdragen van de Europese Unie bedoelde beginselen en procedures effectief in werking worden gesteld, zich niet van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wet in alle aangelegenheden in acht wordt genomen.

B.5. Daaruit volgt dat geen van de verzoekende partijen doet blijken van het vereiste belang om de vernietiging en de schorsing van de bestreden wet te vorderen.

B.6. Het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing zijn klaarblijkelijk niet ontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof, beperkte kamer,

met eenparigheid van stemmen uitspraak doende,

verwerpt de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 1 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van de wet van 26 september 2011 « tot wijziging van de wet van 2 november 2010 betreffende de deelneming van de Belgische Staat in de ‘ European Financial Stability Facility ' en het verlenen van de Staatswaarborg aan de door deze vennootschap uitgegeven financiële instrumenten », ingesteld door Raf Verbeke en Marie Rose Cavalier. Voorafgaande rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging en vordering tot schorsing

  • Klaarblijkelijke niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan belang.