- Arrest van 8 maart 2012

08/03/2012 - 40/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 3, eerste lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur schendt noch artikel 92bis, § 2, c), noch artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die krachtens de artikelen 4 en 42 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen van toepassing zijn op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 25 mei 2011 in zake de bvba « Taxis Fabbrimone » en anderen tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, in aanwezigheid van de nv « Blue Cabs », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 22 juni 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

1. « Schendt artikel 3 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, in die zin geïnterpreteerd dat de taxi's van de exploitanten die over een vergunning beschikken die is afgegeven krachtens de Vlaamse of Waalse regelgeving geen ritten mogen uitvoeren waarbij het punt van vertrek en het punt van aankomst gelegen zijn op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wanneer hun voertuig zich reeds daar bevindt, artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat een samenwerkingsakkoord oplegt voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben op taxidiensten die zich uitstrekken over meer dan één gewest ? »;

2. « Schendt artikel 3 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, in die zin geïnterpreteerd dat het de taxi's van de exploitanten die behoorlijk gemachtigd zijn in het Vlaamse Gewest of in het Waalse Gewest, verhindert ritten uit te voeren waarbij het punt van vertrek en het punt van aankomst gelegen zijn op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wanneer hun voertuig zich reeds daar bevindt, artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat de gewesten de verplichting oplegt in economische aangelegenheden hun bevoegdheden uit te oefenen met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 3 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur bepaalt :

« Niemand mag, zonder vergunning van de Regering, een taxidienst exploiteren door middel van één of meer voertuigen vanop de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt.

De vergunning voor het exploiteren omvat de toelating voor het stationeren op eender welke op de openbare weg gelegen standplaats die voor de taxi's voorbehouden is, aan de voorwaarden die door de Regering vastgelegd worden ».

B.1.2. Uit de motivering van het verwijzingsvonnis vloeit voort dat het tweede lid van die bepaling niet in het geding is.

B.2.1. De Waalse Regering betwist de bevoegdheid van het Hof door te doen gelden dat het niet bevoegd is om bepalingen van reglementaire aard te toetsen. Het in de prejudiciële vragen vermelde verbod zou immers niet voortvloeien uit de in het geding zijnde bepaling, maar uit reglementaire bepalingen die door de Waalse Regering en door de Vlaamse Regering zijn aangenomen en die aan de taxichauffeurs die vallen onder een taxi-exploitant die ertoe is gemachtigd op het grondgebied van het Waalse Gewest of op dat van het Vlaamse Gewest een taxidienst te exploiteren, de verplichting opleggen om « leeg » terug te keren naar het grondgebied van dat Gewest na een rit op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te hebben uitgevoerd.

In haar memorie van antwoord betwist zij bovendien de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen door te doen gelden dat daarin aan de in het geding zijnde bepaling een interpretatie wordt gegeven die is gebaseerd op de redactie die zij had in het ontwerp van decreet, en die kennelijk onjuist is, daar het ontwerp later werd gewijzigd.

B.2.2. De door de Waalse Regering opgeworpen bezwaren hebben beide betrekking op de interpretatie, door de verwijzende rechter, van de wetsbepaling die hij aan de toetsing van het Hof voorlegt.

Het staat niet aan de partijen om een dergelijke interpretatie te betwisten en het Hof is in de regel ertoe gehouden ze in aanmerking te nemen.

De excepties zijn niet gegrond.

B.2.3. In haar memorie van antwoord betwist de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de ontvankelijkheid van de memorie van de eisende partijen voor de verwijzende rechter in zoverre zij is ingediend door twee van hen, van wie het optreden door de verwijzende rechter zou zijn verworpen.

B.2.4. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt :

« Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn ».

De omstandigheid dat het optreden van de betrokkenen voor de verwijzende rechter niet zou zijn toegelaten, is niet van dien aard dat het hun verbiedt een memorie bij het Hof in te dienen, aangezien die mogelijkheid enkel afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde met betrekking tot hun belang. Te dezen kan hun belang worden afgeleid uit het feit dat de situatie waarin zij zich bevinden, analoog is aan die van de eisende partijen voor de verwijzende rechter.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.3.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de in het geding zijnde bepaling artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen schendt indien zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij aan de taxi-exploitanten die over een vergunning beschikken die krachtens de regelgeving van het Vlaamse of het Waalse Gewest is afgegeven, niet de mogelijkheid biedt om ritten uit te voeren waarvan het vertrekpunt en het aankomstpunt op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn gelegen wanneer het voertuig zich reeds daar bevindt, terwijl nochtans geen enkel voorafgaand samenwerkingsakkoord tussen de gewesten werd gesloten.

B.3.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat de prejudiciële vraag, rekening houdend met het voorwerp van het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil, moet worden geherformuleerd om aan te geven dat het niet erom gaat ritten uit te voeren op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maar wel om er de facto een taxidienst te exploiteren zonder daartoe te zijn gemachtigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

B.3.3. Het staat niet aan de partijen om de prejudiciële vragen te herformuleren die de rechter aan het Hof stelt. Bovendien blijkt, enerzijds, uit de bewoordingen van de vraag dat de verwijzende rechter, door te verwijzen naar artikel 92bis, § 2, de « taxidiensten » beoogt waarnaar die bepaling verwijst en, anderzijds, uit de motivering van het verwijzingsvonnis dat het geschil betrekking heeft op de ontstentenis van een door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering afgegeven exploitatievergunning.

B.4. De bijzondere wet van 8 augustus 1988 heeft in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 een artikel 92bis ingevoegd, waarvan paragraaf 2 bepaalt dat de gewesten « in ieder geval samenwerkingsakkoorden [sluiten] voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben : [...] c) op de diensten voor gemeenschappelijk stads- en streekvervoer en taxidiensten die zich uitstrekken over meer dan één Gewest ».

B.5. Aangezien de ontstentenis van samenwerking in een aangelegenheid waarvoor de bijzondere wetgever in een verplichte samenwerking voorziet, niet verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel dat eigen is aan elke bevoegdheidsuitoefening, vermag het Hof de naleving na te gaan van de in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 neergelegde verplichting om samenwerkingsakkoorden te sluiten.

B.6.1. De door artikel 92bis, § 2, c), verplichte samenwerking werd in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 verantwoord als volgt :

« Het ontwerp schept het wettelijk kader dat de nationale overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten toelaat samen te werken, met inbegrip van het eventueel samen behouden, het oprichten en het beheren van diensten en instellingen.

Gelet op de aard van de aangelegenheden dringt een samenwerking zich in ieder geval op inzake grensoverschrijdende wegen, waterwegen, bossen, stads- en streekvervoer en gemeenschappelijke normen » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 30).

B.6.2. De afdeling wetgeving van de Raad van State oordeelde in haar advies over het voorontwerp van ordonnantie « tot wijziging en aanvulling van de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten » :

« In zoverre de ontworpen ordonnantie zich ertoe bepaalt het bezoldigd vervoer van personen per taxi te regelen, vertrekkende van een bepaalde standplaats op de openbare weg of van eender welke andere plaats die niet voor het openbaar verkeer is opengesteld, welke plaatsen gelegen zijn op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, regelt de tekst duidelijk niet de ' taxidiensten die zich uitstrekken over meer dan één Gewest ' » (advies L.21.739/9 van 23 december 1992).

De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft immers gepreciseerd dat artikel 92bis, § 2, c), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen enkel een samenwerkingsakkoord eist voor de regeling van de aangelegenheden die betrekking hebben op de taxidiensten, en niet de ritten, die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest. Die bepaling verzet zich ertegen dat een gewestelijke overheid eenzijdig bepalingen vaststelt met als specifiek doel of met als specifiek gevolg dat aangelegenheden worden geregeld die betrekking hebben op de uitoefening op het grondgebied van een gewest van activiteiten van taxidiensten die worden geëxploiteerd vanuit plaatsen die buiten het grondgebied van dat gewest zijn gelegen (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1994-1995, nr. A-368/1, p. 44).

B.7.1. Uit de tekst van artikel 3 van de in het geding zijnde ordonnantie blijkt dat een vergunning is vereist voor de exploitatie van taxidiensten waarvan het vertrekpunt voor de gebruiker op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is gelegen.

Die bepaling staat evenwel niet eraan in de weg dat de voertuigen die behoren tot de taxidiensten die over een exploitatievergunning beschikken die op grond van de Vlaamse regelgeving of op grond van de Waalse regelgeving is afgegeven, hun ritten kunnen voortzetten op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het kunnen betreden wanneer zij daartoe worden genoodzaakt, zonder dat daartoe een vergunning van dat Gewest is vereist (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1994-1995, nr. A-368/1, pp. 5 en 6). Het staat aan de rechter na te gaan of de exploitanten zodoende binnen de aldus opgegeven grenzen blijven dan wel of zij, door daarvan af te wijken om een taxidienst op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te exploiteren, de bepalingen van de in het geding zijnde ordonnantie overtreden.

B.7.2. Overigens dient te worden aangenomen dat het door de auteurs van de ordonnantie gehanteerde criterium, namelijk het vertrekpunt van de taxidienst, een relevant aanknopingspunt is, dat het mogelijk maakt de in die ordonnantie geregelde aangelegenheid binnen de territoriale bevoegdheidssfeer van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest te lokaliseren.

B.7.3. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.8.1. De verwijzende rechter vraagt of de in het geding zijnde bepaling de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen en diensten en kapitalen, de vrijheid van handel en nijverheid en het beginsel van de economische en monetaire unie schendt. Hij verwijst aldus naar artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen van toepassing is op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

B.8.2. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verzoekt om de prejudiciële vraag te herformuleren om de in B.3.2 aangegeven redenen. Om de in B.3.3 aangegeven redenen dient dat verzoek niet te worden ingewilligd.

B.8.3. De Waalse Regering is van mening dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de uit de schending van Europeesrechtelijke regels afgeleide grieven die door de eisende partijen voor de verwijzende rechter worden aangevoerd tegen andere bepalingen van de in het geding zijnde ordonnantie dan die welke in de prejudiciële vraag wordt beoogd.

Het is juist dat noch de partijen, noch het Hof de prejudiciële vraag kunnen uitbreiden tot bepalingen die daarin niet worden beoogd. Zowel de door de partijen aangevoerde grieven als de motivering van het arrest kunnen evenwel ertoe leiden dat teneinde de in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen te onderzoeken rekening wordt gehouden met andere bepalingen.

B.8.4. Om de in B.7.1 en B.7.2 aangegeven redenen, doet de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk aan de in B.8.1 vermelde regels. Dat geldt des te meer daar de taxidiensten, in tegenstelling tot de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, diensten van openbaar nut zijn die moeten worden omkaderd door maatregelen met betrekking tot de regulering en de coördinatie van het vervoer.

B.9.1. In hun memorie wensen de eisende partijen voor de verwijzende rechter dat het Hof, indien het oordeelt de prejudiciële vraag ontkennend te moeten beantwoorden, een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de interpretatie van de artikelen 49 en 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

B.9.2. Artikel 267 van het VWEU bepaalt :

« Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen

a) over de uitlegging van de Verdragen,

b) over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen.

Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof te wenden.

Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak ».

B.9.3. De in de derde alinea van die bepaling opgenomen verplichting is, in de gevallen waarin enkel de uitlegging van een norm van de Europese Unie in het geding is, niet van toepassing, indien die nationale rechterlijke instantie « heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21).

B.10.1. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat beperkingen van het bij artikel 56 van het VWEU gewaarborgde vrij verrichten van diensten, die voortvloeien uit maatregelen die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en EU-onderdanen, kunnen worden aanvaard indien ze worden verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang, indien ze geschikt zijn om het ermee beoogde doel te bereiken en ze niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om het te bereiken. Bovendien is vereist dat de beperkingen die op dergelijke gronden en op het noodzakelijke voorkomen van maatschappelijke problemen zijn gebaseerd, geschikt zijn om die doelstellingen te verwezenlijken (HvJ, 21 oktober 1999, C-67/98, Zenatti; 24 maart 1992, C-275/92, Schindler; 21 september 1999, C-124/97, Läärä; 11 september 2003, C-6/01, Anomar).

B.10.2. De bepalingen van het VWEU kunnen die vereisten evenwel temperen, aangezien artikel 58 de vervoerdiensten onttrekt aan de bepalingen die het vrij verrichten van diensten waarborgen en aangezien de artikelen 92 en 93 van het genoemde Verdrag bepalen :

« Artikel 92.

Totdat de in artikel 91, lid 1, bedoelde bepalingen zijn vastgesteld en behoudens vaststelling door de Raad, met eenparigheid van stemmen van een maatregel die in een afwijking voorziet, mag geen enkele lidstaat de onderscheidende bepalingen, die terzake gelden op 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, op de datum van hun toetreding, zodanig veranderen dat zij daardoor in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking minder gunstig worden voor de vervoerondernemers der overige lidstaten dan voor de nationale vervoerondernemers.

Artikel 93.

Met de Verdragen zijn verenigbaar de steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip ' openbare dienst ' verbonden, verplichte dienstverrichtingen ».

B.10.3. Met betrekking tot de vrijheid van vestiging verzet artikel 49 van het VWEU zich tegen elke discriminerende belemmering, op grond van de nationaliteit of de zetel van de onderneming, van de vrije uitoefening van die vrijheid op het grondgebied van een andere lidstaat, tenzij die laatste aantoont dat die belemmering op relevante en evenredige wijze een aan de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid verbonden doel nastreeft (artikel 52 van het VWEU).

Datzelfde artikel verbiedt eveneens elke wetgeving die zonder onderscheid van toepassing is en die de uitoefening van de vrijheid van vestiging kan hinderen of minder aantrekkelijk maken, behalve wanneer die maatregel op relevante en evenredige wijze een gewettigd doel nastreeft dat met het Verdrag verenigbaar is en verantwoord is door dwingende redenen van algemeen belang (HvJ, 31 maart 1993, C-19/92, Kraus, punt 32; HvJ, 30 november 1995, C-55/94, Gebhard, punt 37; HvJ, 6 november 2003, voormeld, punt 65).

Om verenigbaar te zijn met artikel 49 van het VWEU moeten de op dergelijke redenen gegronde beperkende maatregelen ook geschikt zijn om de ermee beoogde doelen te bereiken en niet verder gaan dan wat daartoe noodzakelijk is (HvJ, 21 oktober 1999, voormeld, punt 31; HvJ, 8 juli 2010, C-447/08 en C-448/08, samengevoegde zaken Otto Sjöberg en Anders Gerdin, punt 36).

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt daarenboven dat die vrijheid niet enkel op grond van de nationaliteit van een rechtzoekende kan worden aangevoerd, wanneer die sedert voldoende tijd in het gastland verblijft (HvJ, 16 december 2004, C-293/03, Gregorio My). Te dezen wijst niets erop dat zulks niet het geval zou zijn.

B.11.1. Rekening houdend met die verschillende vereisten, vermocht de ordonnantiegever te oordelen dat maatregelen die ertoe strekken het hoofd te bieden aan de toenemende stijging van het autoverkeer, een « bijkomende vervoermogelijkheid [te regelen] die een bijzondere plaats innam tussen het openbaar vervoer en de eigen auto, en door het openbaar nut van de verleende dienst werd [...] opgenomen in het kader van het door de Staat georganiseerd of gereglementeerd personenvervoer », te zorgen voor « het comfort en de beschikbaarheid van de voertuigen, het professionalisme van de chauffeurs [en] het waakzame oog over de exploitanten » en een oplossing te bieden voor het probleem van het stationeren (Parl. St., Brusselse Hoofdstedelijke Raad, 1994-1995, nr. A-368/1, pp. 1 en 2), bestaanbaar konden zijn met doelstellingen van regulering en coördinatie van het vervoer zoals vermeld in B.10.1 en B.10.3, en konden worden verantwoord door dwingende redenen van algemeen belang. Door te bepalen dat de Regering het maximumaantal voertuigen zal vaststellen waarvoor exploitatievergunningen kunnen worden afgegeven naar gelang van de behoeften (voorwerp van de kritiek van de eisende partijen voor de verwijzende rechter, zoals blijkt uit de bewoordingen van de in B.9.1 vermelde prejudiciële vraag), heeft de ordonnantiegever geen buitensporige maatregel genomen, rekening houdend met het feit dat het een machtiging betreft en met het feit dat het bijgevolg de overeenstemming van de uitvoeringsmaatregel met de door de eisende partijen voor de verwijzende rechter aangevoerde bepalingen is die door de bevoegde rechter moet worden getoetst.

B.11.2. Uit het voorafgaande vloeit voort dat de in het geding zijnde maatregel redelijk verantwoord is ten aanzien van de in B.10.1 en B.10.2 vermelde vereisten en dat geen afbreuk wordt gedaan aan de rechten die de betrokkenen afleiden uit de artikelen 49 en 56 van het VWEU. Bijgevolg dient aan het Hof van Justitie van de Europese Unie geen prejudiciële vraag te worden gesteld.

B.12. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 3, eerste lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur schendt noch artikel 92bis, § 2, c), noch artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die krachtens de artikelen 4 en 42 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen van toepassing zijn op het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 8 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 3 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Grondwettelijk recht

  • Bevoegdheden van de Gewesten

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • Openbare werken en vervoer

  • Taxivervoer

  • Exploitatievergunning

  • Taxidiensten die zich uitstrekken over het grondgebied van meer dan één gewest

  • 1. Verplichte samenwerkingsakkoorden tussen de Gewesten

  • Evenredigheidsbeginsel

  • 2. Vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen, vrijheid van handel en nijverheid, economische unie en monetaire eenheid # Europees recht

  • Vrij verrichten van diensten

  • Vrijheid van vestiging.