- Arrest van 8 maart 2012

08/03/2012 - 41/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 621 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 9 juni 2011 in zake C.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 juni 2011, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 621 van het Wetboek van strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat alleen de persoon die is veroordeeld tot een straf die niet kan worden uitgewist overeenkomstig artikel 619 van hetzelfde Wetboek, in eer en rechten kan worden hersteld, in tegenstelling tot de persoon die een gewone opschorting of probatieopschorting van de uitspraak van de veroordeling heeft genoten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 621 van het Wetboek van strafvordering bepaalt :

« Iedere veroordeelde tot straffen die niet kunnen worden uitgewist overeenkomstig artikel 619, kan in eer en rechten hersteld worden, indien hij sedert ten minste tien jaar geen zodanig herstel heeft genoten.

Indien het herstel in eer en rechten sedert minder dan tien jaar is verleend en alleen betrekking heeft op de veroordelingen bedoeld in artikel 627, kan het Hof evenwel beslissen dat zulks geen beletsel vormt voor een nieuw herstel in eer en rechten voor het verstrijken van deze termijn ».

B.2. Terwijl het, onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten vastgesteld bij de artikelen 622 tot 634 van het Wetboek van strafvordering, de veroordeelden tot een criminele of correctionele straf de mogelijkheid biedt om in eer en rechten te worden hersteld, biedt artikel 621 van hetzelfde Wetboek de personen die een opschorting van de uitspraak van de veroordeling genieten, niet de mogelijkheid om dat herstel in eer en rechten te verkrijgen, omdat zij niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een veroordeling. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat aldus tussen die twee categorieën van rechtsonderhorigen wordt gecreëerd.

B.3.1. Iedere veroordeelde tot een criminele of correctionele straf kan in eer en rechten worden hersteld, terwijl de politiestraffen het voorwerp uitmaken van de uitwissing waarin artikel 619 van het Wetboek voorziet. De veroordeelde moet in beginsel de vrijheidsstraffen hebben ondergaan en de geldstraffen volledig hebben gekweten (artikel 622). Tevens moet hij aan de in het vonnis vastgestelde verplichting tot teruggave, schadevergoeding en betaling van kosten hebben voldaan (artikel 623). Ten slotte moet de betrokkene een proeftijd ondergaan, gedurende welke hij een vaste verblijfplaats in België of in het buitenland moet hebben gehad, blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag moet zijn geweest (artikel 624).

Een herstel in eer en rechten heeft tot gevolg dat voor de toekomst een einde wordt gemaakt aan de strafrechtelijke gevolgen van de veroordeling (artikel 634).

B.3.2. Met het herstel in eer en rechten streeft de wetgever voornamelijk de maatschappelijke re-integratie na. Reeds bij de wet van 25 april 1896 werd de figuur van het eerherstel gezien als een moreel herstel dat door de openbare macht wordt toegekend aan een veroordeelde wiens gedrag onberispelijk is geweest (Pasin., 1896, 111). Ook bij de wet van 7 april 1964 werd gesteld dat « de nieuwe wetgeving [tegemoet] komt aan het verlangen van vergeving voor de veroordeelde » en « dit is trouwens in het belang van de maatschappelijke rust » (Parl. St., Senaat, 1962-1963, nr. 186, p. 2). Herstel in eer en rechten bestaat bijgevolg zowel in het belang van de veroordeelde als in het belang van de maatschappij.

B.4.1. De opschorting van de uitspraak van de veroordeling, waarin de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie voorziet, is een wijze van opdeproefstelling van een delinquent, met diens instemming, waarbij de rechter de ten laste gelegde feiten bewezen verklaart, zonder dat een veroordeling wordt uitgesproken en waarbij de vervolging wordt beëindigd indien de beslissing niet wordt herroepen. Aan de opschorting kunnen eventueel probatievoorwaarden worden gekoppeld.

B.4.2. Door de verdachten toe te staan de opschorting van de uitspraak van de veroordelingen te vragen, heeft de wetgever diegenen zonder een zwaar strafrechtelijk verleden, die kans maken op verbetering, aan de gevolgen van een veroordeling en een vermelding van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling in de uittreksels uit het strafregister en, in voorkomend geval, aan het opzien dat de behandeling op een openbare terechtzitting kan baren, willen onttrekken.

B.5. Aangezien de rechtsonderhorigen die een opschorting van de uitspraak van de veroordeling hebben genoten, niet zijn veroordeeld, hebben zij niet de gevolgen van een veroordeling ondergaan die een herstel in eer en rechten doet ophouden krachtens artikel 634 van het Wetboek van strafvordering, namelijk, onder meer, de onbekwaamheden die uit de veroordeling voortvloeien en de mogelijkheid dat de beslissing tot veroordeling als grondslag dient voor de herhaling, dat zij een beletsel vormt voor de voorwaardelijke veroordeling of dat zij in de uittreksels uit het strafregister wordt vermeld.

De wetgever vermocht derhalve zich ervan te onthouden in de mogelijkheid van een herstel in eer en rechten te voorzien voor de rechtsonderhorigen die, zoals diegenen die een opschorting van de uitspraak van de veroordeling hebben genoten, per definitie niet de gevolgen van een veroordeling hebben ondergaan.

B.6.1. Zoals de verwijzende rechter doet opmerken, worden de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling evenwel in het strafregister opgenomen : die gegevens zijn weliswaar niet toegankelijk voor de administratieve overheden (artikel 594, eerste lid, 3°, van het Wetboek van strafvordering), noch voor particulieren (artikel 595, eerste lid, 1°), maar zijn dat wel voor de overheden belast met de uitvoering van opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken, zonder dat de betrokkenen dat kunnen vermijden, terwijl een herstel in eer en rechten verhindert (krachtens artikel 634 van het Wetboek van strafvordering) dat de beslissing tot veroordeling in de uittreksels uit het strafregister wordt vermeld.

B.6.2. Dat verschil in behandeling berust op het criterium van de aard van de rechterlijke beslissing die ten aanzien van de betrokkene werd genomen. De beslissing tot opschorting van de uitspraak of tot probatieopschorting onderscheidt zich van het herstel in eer en rechten in zoverre zij wordt genomen met inachtneming van de gepleegde feiten, het gerechtelijk verleden van de beklaagde en zijn persoonlijkheid, en in zoverre zij enkel kan worden toegekend indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Het doel van die clementiemaatregel is het bevorderen van de reclassering van de betrokkene. Met een herstel in eer en rechten wordt eveneens de maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde nagestreefd, maar het is afhankelijk van het onberispelijk gedrag van diegene die is veroordeeld, en van de vergeving die men hem wil toekennen.

Het feit dat beide rechtsfiguren nauw met elkaar verwant zijn, verplicht de wetgever daarom niet, bij het nemen van een beslissing over de opname van de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatieopschorting in het strafregister, te voorzien in een mechanisme waardoor zij onder bepaalde voorwaarden kunnen worden geschrapt. Hij kon daarentegen oordelen dat het doel dat erin bestaat de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken volledig te informeren over de strafbare feiten die in het verleden door de in het centraal strafregister vermelde personen zijn gepleegd, verantwoordt dat de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling en tot probatieopschorting, die op ernstige feiten betrekking kunnen hebben, niet zonder meer na het verstrijken van een bepaalde termijn worden uitgewist.

B.6.3. Overigens heeft het herstel in eer en rechten, dat trouwens niet automatisch plaatsvindt, tot gevolg dat de veroordelingen waarop het betrekking heeft, ontoegankelijk worden gemaakt voor de administratieve overheden en verhindert het dat zij nog op de voor particulieren bestemde uittreksels uit het strafregister worden vermeld. De informatie over die veroordelingen blijft niettemin toegankelijk voor de overheden belast met de uitvoering van de opdrachten van de rechterlijke macht in strafzaken, aangezien de arresten van herstel in eer en rechten eveneens in het strafregister worden vermeld met toepassing van artikel 590, eerste lid, 11°, van het Wetboek van strafvordering; de situatie van de beklaagden die een opschorting van de uitspraak van de veroordeling hebben genoten, verschilt bijgevolg niet fundamenteel van die van de beklaagden die tot een straf zijn veroordeeld en in eer en rechten zijn hersteld, omdat de inlichtingen betreffende de gepleegde feiten in beide gevallen voor de gerechtelijke overheden toegankelijk blijven.

B.6.4. Het argument dat door de verzoeker voor de verwijzende rechter wordt afgeleid uit het arrest nr. 1/2011 van 13 januari 2011 is niet gegrond omdat, in die zaak, het Hof bepalingen heeft afgekeurd die aan een bepaalde categorie van personen een gunstigere behandeling voorbehielden dan aan een andere categorie.

De in het geding zijnde bepalingen zijn niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.6.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 621 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 8 maart 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

R. Henneuse.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 621 van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel. Strafrecht

  • Strafrechtspleging

  • Herstel in eer en rechten

  • 1. Veroordeelden tot een criminele of correctionele straf

  • 2. Personen die een opschorting van de uitspraak van hun veroordeling genieten.