- Arrest van 3 mei 2012

03/05/2012 - 62/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 20 januari 2012 in zake het openbaar ministerie tegen Simon Solomé, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 januari 2012, heeft de Politierechtbank te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt art. 38, § 5, van de Wegverkeerswet (de gecoördineerde wetten over het wegverkeer, gecoördineerd bij K.B. van 16 maart 1968), ingevoegd door de wet van 21 april 2007, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat aan een bestuurder die een overtreding waarop die bepaling betrekking heeft, begaat met een motorrijtuig van de categorie waarvoor hij over een geldig rijbewijs beschikt, meer bepaald een motorfiets waarvoor hij over een geldig rijbewijs voor de categorie A beschikt, verplicht een vervallenverklaring van het recht tot sturen moet worden opgelegd en het herstel in het recht tot sturen afhankelijk moet worden gemaakt van het slagen voor een theoretisch of praktisch examen indien die bestuurder op het tijdstip van de overtreding tegelijk, doch sedert minder dan twee jaar, over een rijbewijs voor de categorie B beschikt, terwijl dit niet het geval is voor eenzelfde bestuurder die niet tegelijk sinds minder dan twee jaar over een rijbewijs voor de categorie B beschikt ? ».

Op 16 februari 2012 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en J.-P. Snappe, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van onmiddellijk antwoord te wijzen.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, bepaalt :

« De rechter moet het verval van het recht tot sturen uitspreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk maken van het slagen voor het theoretisch of praktisch examen indien hij veroordeelt wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de schuldige sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B.

Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 38, § 1, 2°, in geval van een verkeersongeval met enkel lichtgewonden.

Het eerste lid is niet van toepassing op de overtredingen van de tweede graad, zoals bedoeld in artikel 29, § 1 ».

Wat betreft het verzoek tot herformulering van de vraag

B.2.1. Volgens de eisende partij voor de verwijzende rechter moet de door de rechter gestelde prejudiciële vraag worden geherformuleerd.

B.2.2. De partijen vermogen niet de draagwijdte van de prejudiciële vraag door het verwijzende rechtscollege gesteld te wijzigen of te laten wijzigen.

Aangezien het verzoek tot herformulering van de prejudiciële vraag leidt tot een wijziging van de draagwijdte ervan kan het Hof er geen gevolg aan geven. Dit is te dezen het geval vermits de eisende partij voor de verwijzende rechter specifiek het geval beoogt waarbij de verkeersovertreding die werd begaan met een motorvoertuig tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en de overtreder sinds meer dan twee jaar houder is van het rijbewijs dat noodzakelijk is om het bewuste motorvoertuig te besturen, doch sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs categorie B.

Bovendien verantwoorden de duidelijke bewoordingen van de door de verwijzende rechter gestelde vraag geenszins een herformulering en het antwoord op een vraag die is geformuleerd op basis van de elementen die de eisende partij voor de verwijzende rechter aanvoert, zou niet ertoe bijdragen het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil op te lossen.

Ten gronde

B.3. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de vraag of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden zijn door artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, zoals ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, doordat de rechter, met toepassing van voormeld artikel, bij een veroordeling wegens een overtreding begaan met een motorvoertuig waarvoor een rijbewijs van een andere categorie dan de categorie B is vereist en die tot een verval van het recht tot sturen kan leiden en wanneer de overtreder sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B, verplicht is het verval van het recht tot sturen uit te spreken en het herstel van het recht tot sturen minstens afhankelijk moet maken van het slagen voor het theoretische of praktische examen, terwijl de rechter daartoe niet is verplicht indien de schuldige voor dezelfde overtreding geen houder is van een rijbewijs B.

B.4. De keuze van de wetgever wordt in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling als volgt uiteengezet :

« Kennis en vaardigheid zijn betrouwbaar te testen op het rijexamen, maar attitude en gedrag zijn dat niet. Daarom wordt het eerste jaar dat men zijn rijbewijs heeft behaald beschouwd als een jaar waarbinnen de praktijk moet uitwijzen of de nieuwe, meestal ook jonge, bestuurder een veilige rijstijl heeft ontwikkeld.

Is dat niet het geval, dan moet hij zijn theoretisch en/of praktisch rijexamen opnieuw afleggen.

Onder meer de volgende overtredingen komen volgens de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer in aanmerking voor een verval van het recht tot sturen :

- alcohol en dronkenschap in het verkeer;

- overtredingen van de tweede, derde of vierde graad;

- drugs in het verkeer;

- een radarverklikker aan boord hebben;

- verkeersongevallen met doden of ernstige gewonden veroorzaken;

- recidive (reeds drie keer veroordeeld in het jaar voorafgaand aan de overtreding);

- rijden zonder houder te zijn van een rijbewijs of rijden terwijl men medisch ongeschikt is;

- vluchtmisdrijf;

- de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur overschrijden;

- de toegelaten maximumsnelheid met meer dan 20 kilometer per uur overschrijden in een bebouwde kom, zone 30 of woonerf » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/001, p. 4).

Een amendement werd aangenomen dat de vermelde termijn van een op twee jaar brengt (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2836/002).

B.5. Zoals het Hof in zijn arresten nrs. 163/2009, 203/2009, 81/2010, 5/2011 en 24/2012 heeft geoordeeld, wordt de maatregel van het verval van het recht tot besturen van een motorvoertuig verantwoord door de bekommernis verkeersongevallen te verminderen en op die manier de verkeersveiligheid te bevorderen.

De in het geding zijnde maatregel strekt ertoe bestuurders met een geringe ervaring in het wegverkeer, zoals te dezen als houder van het rijbewijs B, aan een strenger toezicht te onderwerpen dan andere bestuurders. Door de eerstgenoemde bestuurders te verplichten, wanneer zij wegens bepaalde overtredingen zijn veroordeeld, hun theoretische kennis of praktische vaardigheden opnieuw te bewijzen, draagt de maatregel bij tot een verbetering van de veiligheid van de andere weggebruikers en van de verkeersveiligheid in het algemeen. De maatregel is bovendien beperkt tot bestuurders die bepaalde ernstige verkeersovertredingen hebben begaan.

Aan de andere bestuurders die wegens dezelfde overtredingen zijn veroordeeld, kan precies dezelfde verplichting worden opgelegd, alleen behoort het dan tot de beoordelingsvrijheid van de rechter om die verplichting al dan niet op te leggen.

De wetgever is ervan kunnen uitgaan dat de grootste risico's diegene zijn die te maken hebben met het bezitten van een rijbewijs van categorie B door bestuurders met een geringe ervaring als houder van een dergelijk rijbewijs, met name rekening houdend met het aandeel van de voertuigen in het verkeer waarvoor dat rijbewijs is vereist. Gelet op de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel leidt de keuze van de wetgever om de beoordelingsvrijheid van de rechter ten aanzien van een bepaalde categorie van veroordeelden uit te sluiten, niet tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling of tot een kennelijk onevenredige straf.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 mei 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 38, § 5, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968, gesteld door de Politierechtbank te Gent. Strafrecht

  • Politie over het wegverkeer

  • Verkeersmisdrijven

  • Zware overtredingen

  • Overtreding begaan met een motorvoertuig waarvoor een rijbewijs van een andere categorie dan de categorie B is vereist

  • Verval van het recht tot sturen en herstel van het recht tot sturen na het slagen voor het theoretisch of praktisch examen

  • 1. Schuldige die sinds minder dan twee jaar houder is van het rijbewijs B

  • Geen beoordelingsvrijheid van de rechter

  • 2. Schuldige die geen houder is van een rijbewijs B

  • Beoordelingsvrijheid van de rechter.