- Arrest van 12 juni 2012

12/06/2012 - 72/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 23, § 3, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap schendt artikel 24, § 5, van de Grondwet niet.

- De artikelen 23 en 25 van hetzelfde decreet schenden de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest nr. 213.845 van 15 juni 2011 in zake Reinhart Appels tegen de Vlaamse Gemeenschap, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 juni 2011, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt artikel 23, § 3, van het decreet van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap het artikel 24, § 5, van de Grondwet, doordat het de regering machtigt om de ' leefeenheden ', ten minste die van ' zelfstandig student ', nader te omschrijven met het oog op de studiefinanciering in het hoger onderwijs ?

Schenden de artikelen 23 en 25 van hetzelfde decreet, gelezen in hun onderlinge samenhang, de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, doordat studenten die voor de duur van hun studies zelfredzaam zijn door eigen spaargelden, niet als zelfstandig student beschouwd worden omdat zij geen beroepsinkomen genieten of niet voor de arbeidsmarkt beschikbaar zijn ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de situering ervan

B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 23 en 25 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (hierna : decreet van 30 april 2004), vóór de opheffing ervan bij het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap.

B.1.2. Artikel 23 van het decreet van 30 april 2004 bepaalt :

« § 1. Er wordt rekening gehouden met de volgende categorieën van leefeenheden :

1° de leefeenheid waar de student zijn hoofdverblijfplaats heeft bij één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;

2° de leefeenheid waar de student ingevolge een gerechtelijke uitspraak, een tussenkomst van een comité voor bijzondere jeugdzorg of van een andere publiekrechtelijke overheid of instelling fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan de ouders van wie zijn afstamming vaststaat, of de leefeenheid waar de student minstens drie jaar hoofdverblijfplaats heeft bij of fiscaal ten laste is van een andere natuurlijke persoon dan één of beide ouders van wie zijn afstamming vaststaat;

3° gehuwde studenten;

4° zelfstandige studenten;

5° alleenstaande studenten.

§ 2. Indien een student bij de berekening van zijn studiefinanciering wordt beschouwd als behorende tot een bepaalde leefeenheid, kan hij bij de berekening van de studiefinanciering van een andere student niet worden beschouwd als behorende tot een andere leefeenheid.

§ 3. De Vlaamse regering kan een nadere begripsomschrijving uitwerken van de verschillende categorieën van leefeenheden, op basis waarvan de studiefinanciering van de student wordt berekend ».

Onder « leefeenheid » wordt verstaan : « één of meerdere meerderjarigen, ongeacht het geslacht, met eventueel één of meerdere minderjarigen die hun hoofdverblijfplaats hebben op hetzelfde adres » (artikel 6, 14°, van het decreet van 30 april 2004).

Bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap worden ter uitvoering van, onder meer, artikel 23, § 3, van het decreet van 30 april 2004, de categorieën van leefeenheden nader omschreven.

Wat de « zelfstandige student » betreft, bepaalt artikel 6, § 1, eerste lid, van dat besluit :

« Wordt beschouwd als zelfstandig student die een eigen leefeenheid vormt, de student die niet behoort tot de categorieën omschreven in artikel 3 en artikel 5 en die gedurende twaalf maanden maandelijks financiële middelen heeft verworven waarvan het totaal overeenkomt met het leefloon dat op 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het betrokken academiejaar overeenkomstig het artikel 14, § 1, 1°, en het artikel 15 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie jaarlijks wordt uitgekeerd aan de persoon die met één of meerdere personen samenwoont ».

B.1.3. Artikel 25 van het decreet van 30 april 2004 bepaalt :

« Het referentie-inkomen bestaat uit :

1° het gezamenlijk belastbare inkomen;

2° het afzonderlijk belastbare inkomen;

3° 80 procent van de aan de persoon of personen van wie het referentie-inkomen voor de berekening van de studiefinanciering wordt genomen en aan de ten laste zijnde kinderen uitbetaalde onderhoudsgelden, voor zover deze nog niet begrepen zijn in het gezamenlijk belastbaar inkomen;

4° tweemaal het geïndexeerd kadastraal inkomen vreemd gebruik en éénmaal het geïndexeerd kadastraal inkomen dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend;

5° de inkomensvervangende tegemoetkoming toegekend in het raam van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten;

6° het leefloon toegekend in het raam van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

7° het bestaansminimum toegekend in het raam van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;

8° de niet belastbare beurs zoals opgesomd in artikel 53 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van artikel 90, 2°, tweede lid, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, voor zover onderworpen aan de sociale zekerheid.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde referentie-inkomen voor minstens 70 procent bestaat uit vervangingsinkomsten, worden deze vervangingsinkomsten verminderd met een bedrag gelijk aan de forfaitaire aftrek voor beroepskosten die op fiscaal vlak wordt toegepast op bezoldigingen en baten ».

B.2. Volgens de parlementaire voorbereiding van het decreet van 30 april 2004 bestaat het doel van de studiefinanciering erin maximale kwalificatiekansen en ontplooiingsmogelijkheden in het onderwijs te creëren. Om dat doel te bereiken dienen voor bepaalde studenten financiële drempels te worden weggewerkt (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2208/1, p. 3). Studiefinanciering dient een instrument te blijven om de financiële drempels naar het hoger onderwijs op selectieve wijze te verlagen, op basis van niet-discretionaire criteria, bedoeld voor personen met weinig bestaansmiddelen of ontplooiingskansen (ibid., p. 6).

Het uitgangpunt voor het toekennen van studiefinanciering is de financiële draagkracht die aan de hand van minimum- en maximuminkomensgrenzen wordt uitgedrukt. Om de financiële draagkracht te bepalen, worden alle inkomsten van de leefeenheid van de student in aanmerking genomen. Daarbij kan worden uitgegaan van de inkomsten, enerzijds, van de ouder(s) of van een andere natuurlijke persoon van wie de student ten laste is en, anderzijds, van de student, al dan niet met partner, al dan niet met kinderen (ibid., pp. 20-21).

Wat het wettigheidsbeginsel in onderwijszaken betreft

B.3. In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid met artikel 24, § 5, van de Grondwet, van artikel 23, § 3, van het decreet van 30 april 2004, in zoverre het de Vlaamse Regering machtigt om de « leefeenheden », ten minste die van « zelfstandig student », nader te omschrijven met het oog op de studiefinanciering in het hoger onderwijs.

B.4. Artikel 24, § 5, van de Grondwet bepaalt :

« De inrichting, erkenning of subsidiëring van het onderwijs door de gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet ».

Die bepaling vertaalt de wil van de Grondwetgever om aan de bevoegde wetgever de zorg voor te behouden om de essentiële elementen van het onderwijs te regelen wat betreft de inrichting, de erkenning en de subsidiëring ervan. Artikel 24, § 5, van de Grondwet vereist dat de gedelegeerde bevoegdheden enkel betrekking hebben op de nadere uitwerking van de principes die de decreetgever zelf heeft aangenomen. Via die bevoegdheden kan de Gemeenschapsregering niet de onnauwkeurigheid van die principes verhelpen of onvoldoende gedetailleerde opties verfijnen.

B.5.1. De studiefinanciering die, zoals in B.2 vermeld, tot doel heeft de financiële drempels naar het hoger onderwijs op selectieve wijze te verlagen, dient als een essentieel element van de inrichting en de subsidiëring van het onderwijs te worden beschouwd. Het bepalen van de beginselen op grond waarvan het bedrag van de studietoelage dient te worden vastgesteld, is bijgevolg een zaak van de decreetgever.

B.5.2. In haar advies bij het voorontwerp van decreet achtte de afdeling wetgeving van de Raad van State de machtiging die aan de Vlaamse Regering werd gegeven om de verschillende categorieën van leefeenheden en de samenstelling van het referentie-inkomen te bepalen - « leefeenheid » en « referentie-inkomen » zijn essentiële begrippen in het nieuwe systeem van de studiefinanciering - te ruim om met artikel 24, § 5, van de Grondwet bestaanbaar te zijn (Parl. St., Vlaams Parlement, 2003-2004, nr. 2208/1, pp. 76-78).

Gevolg gevend aan die opmerkingen heeft de decreetgever zelf, in artikel 23, § 1, van het decreet van 30 april 2004, de vijf categorieën van leefeenheden vastgesteld op basis waarvan de studiefinanciering van de student wordt berekend. Het uitwerken van een nadere begripsomschrijving van die categorieën wordt aan de Vlaamse Regering overgelaten (artikel 23, § 3). De elementen waaruit het referentie-inkomen van de leefeenheid van de student bestaat, wordt zonder verdere delegatie in artikel 25 vastgesteld.

B.5.3. Nu de decreetgever zelf de vijf categorieën van leefeenheden heeft vastgesteld en aldus zelf een essentieel element van de inrichting en de subsidiëring van het onderwijs, namelijk de studiefinanciering, heeft geregeld, kon hij de Vlaamse Regering machtigen een nadere begripsomschrijving van die categorieën uit te werken op basis waarvan de studiefinanciering van de student wordt berekend.

Vermits de delegatie betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de decreetgever zijn vastgesteld, is het in het geding zijnde artikel 23, § 3, niet onbestaanbaar met artikel 24, § 5, van de Grondwet.

B.6. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat het gelijkheidsbeginsel in onderwijszaken betreft

B.7.1. In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid met de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, van de artikelen 23 en 25 van het decreet van 30 april 2004, in hun onderlinge samenhang gelezen, doordat studenten die voor de duur van hun studie zelfredzaam zijn door eigen spaargelden, niet als zelfstandig student worden beschouwd omdat zij geen beroepsinkomen genieten of niet voor de arbeidsmarkt beschikbaar zijn.

B.7.2. Artikel 24, § 4, van de Grondwet herbevestigt voor onderwijszaken het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Volgens die bepaling zijn alle studenten gelijk voor de wet of het decreet.

B.7.3. Uit de voormelde referentienormen volgt dat een student die voor de duur van zijn studie zelfredzaam is door eigen spaargelden anders mag worden behandeld, wat de studiefinanciering betreft, dan een « zelfstandig student », mits dat verschil in behandeling redelijk is verantwoord in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel.

B.8. Het Hof zou niet tot de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie kunnen besluiten om de enkele reden dat uit de parlementaire voorbereiding niet de redelijke verantwoording van dat verschil in behandeling blijkt. De vaststelling dat een dergelijke verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit niet uit dat aan een maatregel een legitieme doelstelling ten grondslag ligt die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden.

B.9.1. Het komt de decreetgever toe de categorieën van studenten vast te stellen die voor een studiefinanciering in aanmerking komen en de financiële voorwaarden te bepalen waaraan die studenten dienen te voldoen. Hij beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid.

Wanneer de decreetgever maatregelen vaststelt, zoals die waarin de in het geding zijnde artikelen 23 en 25 voorzien, moet hij gebruik kunnen maken van categorieën die, noodzakelijkerwijs, de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering opvangen. Het beroep op dat procedé is niet onredelijk op zich; niettemin moet worden onderzocht of hetzelfde geldt voor de wijze waarop het werd aangewend.

De maatschappelijke keuzen die bij het inzetten van middelen moeten worden gemaakt, behoren tot de beoordelingsvrijheid van de decreetgever. Het Hof vermag dergelijke beleidskeuzen, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij kennelijk onredelijk zouden zijn.

B.9.2. Volgens artikel 24 van het decreet van 30 april 2004 wordt, om te bepalen of een student voor studiefinanciering in aanmerking komt, uitgegaan van de « leefeenheid » van de student en van het « referentie-inkomen » van die leefeenheid.

Artikel 23 stelt de vijf categorieën van leefeenheden vast en artikel 25 somt de bestanddelen van het referentie-inkomen op. Zoals de Vlaamse Regering opmerkt, houden de in het decreet vastgestelde financiële voorwaarden uitsluitend rekening met periodieke inkomsten. Spaargelden worden niet in aanmerking genomen om te bepalen of een student minvermogend is of als een « zelfstandig student » kan worden beschouwd. Overigens worden de verschillende categorieën van leefeenheden niet verschillend behandeld, wat de wijze betreft waarop het referentie-inkomen van de leefeenheid wordt vastgesteld, zodat de leefeenheid van de zelfstandige studenten op dezelfde wijze als de overige leefeenheden wordt behandeld.

B.9.3. De decreetgever kan ervan uitgaan dat het doel van de studiefinanciering, zoals in B.2 weergegeven, het best kan worden bereikt aan de hand van een eenvoudig te controleren regeling, waarbij de inkomsten van de betrokken student met een grote mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld. Bovendien is het niet kennelijk onredelijk dat, om als « zelfstandig student » te worden beschouwd, de betrokken student een minimum aan eigen, periodieke inkomsten heeft verworven in een bepaalde referentieperiode, namelijk het jaar voorafgaand aan het betreffende academiejaar.

B.9.4. De decreetgever kan niet worden verweten, mede gelet op de grote verscheidenheid van situaties die zich in de praktijk kunnen voordoen, dat hij - om voor een studiefinanciering in aanmerking te komen - niet in een specifieke categorie van studenten heeft voorzien, namelijk studenten die, zoals de verzoekende partij in het bodemgeschil, na een aantal jaren in loondienst te hebben gewerkt, hun arbeidsovereenkomst om studieredenen schorsen, over voldoende spaargelden beschikken en hun hoofdverblijfplaats bij één van hun ouders hebben.

B.10. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 23, § 3, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap schendt artikel 24, § 5, van de Grondwet niet.

- De artikelen 23 en 25 van hetzelfde decreet schenden de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 12 juni 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over de artikelen 23 en 25 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 30 april 2004 betreffende de studiefinanciering en studentenvoorzieningen in het hoger onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap, gesteld door de Raad van State. Onderwijs

  • Vlaamse Gemeenschap

  • Hoger onderwijs

  • Inrichting en subsidiëring

  • Studiefinanciering

  • Zelfstandig student

  • Voorwaarden

  • 1. Leefeenheden van de student

  • Nadere begripsomschrijving

  • Delegatie aan de Regering

  • Wettigheidsbeginsel

  • 2. Referentie-inkomen van de leefeenheid

  • a. Periodieke inkomsten

  • b. Spaargelden

  • Uitsluiting.