- Arrest van 19 juli 2012

19/07/2012 - 98/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 16 mei 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 mei 2012, heeft Philippe Lambert, wonende te 4602 Wezet, rue aux Communes 70, een vordering tot schorsing ingesteld van de wet van 2 december 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2012, tweede editie).

Bij afzonderlijk verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde wet.

(...)

II. In rechte

(...)

B.1. Deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten » (RPPol), bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, bevat overgangsbepalingen.

De titels VI en VII van dat deel XII bevatten respectievelijk « overgangsbepalingen met betrekking tot deel VI » en « overgangsbepalingen met betrekking tot deel VII » van het RPPol. Deel VI van dat koninklijk besluit heeft betrekking op het « doeltreffend inzetten van het personeel », terwijl deel VII ervan betrekking heeft op de « administratieve loopbaan ».

B.2. Zoals ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 3 juli 2005 « tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten », en vervolgens gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 3 maart 2010, bepaalde artikel XII.VI.9bis van het RPPol :

« De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26 van bijlage 11, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie.

Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij, korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps ».

Artikel 2 van de wet van 2 december 2011 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten » vervangt het tweede lid van de voormelde bepaling door de volgende tekst :

« Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps of van wie de benoemingsprocedure aangevangen was daags vóór de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit maar nog niet voltooid was daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit en van wie de benoeming in het betrokken ambt later is tussengekomen ».

De « actuele personeelsleden » zijn « de leden van het operationeel en van het administratief en logistiek korps van de rijkswacht, de leden van de categorie bijzonder politiepersoneel van de rijkswacht, het burgerlijk hulppersoneel van de rijkswacht, de leden van de gemeentelijke politiekorpsen met inbegrip van de hulpagenten van politie, de leden van het administratief en logistiek kader van de gemeentelijke politiekorpsen, de gerechtelijke officieren en agenten van de gerechtelijke politie bij de parketten, het hulppersoneel van de gerechtelijke politie bij de parketten, het contractueel personeel van de algemene politiesteundienst, de personeelsleden van het ministerie van Justitie en de personeelsleden van het ministerie van Binnenlandse Zaken die overgaan naar het administratief en logistiek kader van de federale politie alsmede de in artikel 243 van de wet bedoelde personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit onder de toepassing van de rechtspositieregeling van het personeel van de politiediensten vallen » (artikel XII.I.1, 1°, RPPol).

De meeste bepalingen van het RPPol zijn op 1 april 2001 in werking getreden (artikel XIII.II.1).

B.3. Zoals ingevoegd bij artikel 33 van de wet van 3 juli 2005, en vervolgens gewijzigd bij artikel 51 van de wet van 20 juni 2006 « tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie » en bij artikel 3 van de wet van 3 maart 2010, bepaalde artikel XII.VII.27bis van het RPPol :

« De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.26 van bijlage 11 kunnen meedingen voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel 66 van de wet van 26 april 2002.

Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij, korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps ».

Artikel 3 van de wet van 2 december 2011 vervangt het tweede lid van die bepaling door de volgende tekst :

« Het eerste lid geldt eveneens voor de personeelsleden die daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit bekleed waren met de graad van commissaris van de gemeentepolitie en die, hetzij korpschef waren van een korps van de gemeentepolitie in een gemeente van klasse 17, hetzij benoemd waren in een gemeente van klasse 20 zonder korpschef te zijn van het desbetreffende korps of van wie de benoemingsprocedure aangevangen was daags vóór de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit maar nog niet voltooid was daags vóór de inwerkingtreding van dit besluit en van wie de benoeming in het betrokken ambt later is tussengekomen ».

B.4. De artikelen 2 en 3 van de wet van 2 december 2011 zijn op 27 februari 2012 in werking getreden.

Ten aanzien van het belang

B.5.1. Artikel 142 van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang.

Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. De actio popularis is niet toelaatbaar.

B.5.2. Dat belang dient te bestaan op het ogenblik van de indiening van het verzoekschrift en dient te blijven bestaan tot de uitspraak van het arrest.

B.6. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name wat het bestaan van het vereiste belang betreft, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden nagegaan.

B.7.1. Op 30 januari 2001 werd een oproep tot kandidaatstelling bekendgemaakt met het oog op de aanwijzing van de korpschef van de lokale politie van de politiezone « Basse-Meuse », samengesteld uit de gemeenten Bitsingen, Blegny, Dalhem, Juprelle, Oupeye en Wezet (Belgisch Staatsblad, 30 januari 2001, p. 2500).

Op 4 februari 2001 heeft de verzoeker, Philippe Lambert, die toen commissaris van politie te Wezet was, zijn kandidatuur ingediend. Tot de andere kandidaten behoorden Jean-Claude Adam, Jean-François Adam en Alain Lambert.

De resultaten van de in artikel 3, § 4, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 « houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie » bedoelde proef gaven aan dat Alain Lambert ongeschikt was voor bevelvoering. Op 26 april 2001, na die resultaten te hebben gevalideerd, heeft de met toepassing van artikel 3, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit opgerichte commissie de drie enige kandidaten gehoord die na afloop van die proef geschikt voor bevelvoering werden geacht. Met toepassing van artikel 3, § 4, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit heeft zij hen vervolgens gerangschikt : Jean-Claude Adam werd als een « geschikte » kandidaat beschouwd, terwijl Jean-François Adam en Philippe Lambert in de categorie van de « zeer geschikte » kandidaten werden gerangschikt.

Vervolgens heeft de politieraad van de politiezone « Basse-Meuse » de aanwijzing van Jean-François Adam zevenmaal voorgedragen aan de Koning. De vier voordrachten van de politieraad waarop een aanwijzing van die laatste door de Koning is gevolgd (Belgisch Staatsblad, 10 januari 2002, p. 731; Belgisch Staatsblad, 7 december 2002, p. 55052; Belgisch Staatsblad, 2 mei 2005, p. 20386; Belgisch Staatsblad, 6 mei 2009, p. 35392), werden ofwel ingetrokken (Belgisch Staatsblad, 26 oktober 2002, p. 49197; Belgisch Staatsblad, 8 maart 2004, p. 12489; Belgisch Staatsblad, 5 mei 2006, p. 23395) ingevolge een schorsingsarrest van de Raad van State (RvSt, 5 juli 2002, nr. 108.931, Lambert; RvSt, 23 september 2003, nr. 123.179, Lambert; RvSt, 11 januari 2006, nr. 153.526, Lambert), ofwel door dat rechtscollege nietig verklaard (RvSt, 23 juni 2011, nr. 214.103, Lambert).

Intussen waren zowel Jean-François Adam als Jean-Claude Adam met pensioen gegaan.

B.7.2. Aangezien de talrijke voordrachten tot aanwijzing door de politieraad van de politiezone « Basse-Meuse » ingevolge de oproep tot kandidaatstelling van 30 januari 2001 nog niet tot de regelmatige aanwijzing van een korpschef van de lokale politie van die zone hebben geleid, staat het in beginsel aan die politieraad om een nieuwe voordracht aan de Koning te doen, rekening houdend met de rangschikking van de kandidaten door de met toepassing van artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 opgerichte commissie (RvSt, 8 mei 2012, nr. 219.271, Lambert).

Rekening houdend met de pensionering van de twee andere door die commissie gerangschikte kandidaten, blijft echter enkel de verzoeker nog meedingen.

Uit geen enkel van de aan het Hof voorgelegde stukken blijkt dat de politieraad, met inachtneming van de wet, de aanwijzing van de verzoeker als korpschef van de lokale politie van de politiezone « Basse-Meuse » niet aan de Koning zou kunnen voordragen.

B.7.3. Noch artikel 2, noch artikel 3 van de wet van 2 december 2011 machtigen die politieraad ertoe geen dergelijke voordracht te doen of machtigen de Koning ertoe de aanwijzing van de verzoeker als korpschef van het korps van de lokale politie van de politiezone « Basse-Meuse » te weigeren.

B.8.1. De overheden van de politiezone « Basse-Meuse » zouden enkel om wettelijk toelaatbare redenen ervan kunnen afzien de aanwijzingsprocedure met betrekking tot de oproep tot kandidaatstelling van 30 januari 2001 voort te zetten (RvSt, 8 mei 2012, nr. 219.271, Lambert).

In afwachting van de aanwijzing van een korpschef na afloop van die procedure of na afloop van een eventuele nieuwe procedure die met toepassing van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 zou worden opgestart, staat het aan het politiecollege om spoedig en voorlopig een waarnemend korpschef aan te wijzen met toepassing van artikel 46 van de wet van 7 december 1998 « tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus », luidens hetwelk « in geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef [...] het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad, de vervangende korpschef [aanstelt] ».

B.8.2. Uit de uiteenzetting van de partijen blijkt dat de verzoeker, zoals Alain Lambert en andere leden van het politiekorps van de politiezone « Basse-Meuse », als commissaris van politie een van de personen van dat korps met de hoogste graad is.

De aanwijzing van Alain Lambert waartoe door het politiecollege van die zone op 19 mei 2011 is besloten, werd geschorst en vervolgens nietig verklaard door de Raad van State (RvSt, 9 november 2011, nr. 216.210, Lambert; RvSt, 22 maart 2012, nr. 218.588, Lambert).

Bijgevolg staat het aan dat politiecollege om spoedig over te gaan tot de vergelijking van de titels en verdiensten van de verzoeker met die van de andere leden van het politiekorps van de politiezone met de hoogste graad die zich kandidaat zullen stellen voor een aanwijzing teneinde het ambt van korpschef van het korps van de lokale politie voorlopig uit te oefenen (RvSt, 9 november 2011, nr. 216.210, Lambert).

B.8.3. Noch artikel 2, noch artikel 3 van de wet van 2 december 2011 stellen het politiecollege ervan vrij op die wijze te handelen.

Bovendien maakt geen enkele van die twee bepalingen het mogelijk om onmiddellijk een personeelslid met de graad van commissaris van politie in de graad van hoofdcommissaris te bevorderen. In tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, heeft de toepassing van artikel XII.VI.9bis van het RPPol, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 2 december 2011, noch tot doel, noch tot gevolg dat de in die bepaling bedoelde personeelsleden in de graad van hoofdcommissaris worden bevorderd. De aanwijzing in een betrekking van hoofdcommissaris van politie met toepassing van die bepaling, gevolgd door een aanstelling in die graad met toepassing van artikel XII.VII.25 van het RPPol, zou enkel tot een bevordering in die graad kunnen leiden na afloop van een periode van minstens drie jaar, en bij een gunstige evaluatie (artikel 135ter, tweede streepje, van de wet van 26 april 2002 « houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten », ingevoegd bij artikel 36 van de wet van 15 mei 2007 « op de Algemene Inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten »).

B.9. Uit het voorafgaande blijkt dat de bestreden bepalingen de huidige situatie van de verzoeker niet rechtstreeks kunnen raken.

B.10. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt dat, in deze stand van de procedure, het beroep tot vernietiging onontvankelijk moet worden geacht.

B.11. De vordering tot schorsing is bijgevolg onontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de vordering tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 juli 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Vordering tot schorsing van de wet van 2 december 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, ingesteld door Philippe Lambert. Rechtspleging

  • Vordering tot schorsing

  • Niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan belang. # Geïntegreerde politiedienst

  • Personeel

  • Statuut

  • Bevorderingsvoorwaarden in de graad van hoofdcommissaris.