- Arrest van 9 augustus 2012

09/08/2012 - 105/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

1) - Artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter en artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, in die zin geïnterpreteerd dat zij elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende machtiging of toestemming om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende machtiging of toestemming om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

2) - Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, volledig aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, schenden artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, niet aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, behoudens wanneer daardoor een ander grondrecht of beginsel op onevenredige wijze zou worden uitgehold, schenden niet artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

3) - Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de door de politierechter verleende machtiging of toestemming niet dient te worden gemotiveerd, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de politierechter niet vrijstellen van de verplichting om de machtiging of toestemming tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 12 oktober 2011 in zake het openbaar ministerie tegen Ashot Gevorkian en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 november 2011, heeft de Correctionele Rechtbank te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« 1. Schenden artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter en artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten in die zin geïnterpreteerd dat zij elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende machtiging respectievelijk toestemming om bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ?

2. Schenden artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter en artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging respectievelijk toestemming van de politierechter om bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd volledig aan het beginsel van tegenspraak onttrekken, artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen [lees : met artikel] 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ?

3. Schenden artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter en artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten in die zin geïnterpreteerd dat de door de politierechter verleende machtiging respectievelijk toestemming niet dient te worden gemotiveerd, de artikelen 10 en 11 en 17 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen [lees : met artikel] 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen

B.1.1. Artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter (hierna : de wet van 6 juli 1976) bepaalt :

« De in artikel 3 bedoelde leden van het overheidspersoneel mogen voor het vervullen van hun ambt :

1° op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen waar werkzaamheden als bedoeld bij deze wet verricht of vermoedelijk verricht worden; tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel alleen toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en met machtiging van de politierechter ».

B.1.2. Artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten (hierna : de wet van 15 mei 2007), in de redactie zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalt :

« Met het oog op het opsporen en vaststellen van de in de artikelen 8, 9 en 10 bepaalde inbreuken, mogen de in artikel 18, eerste lid, bedoelde ambtenaren, in de uitoefening van hun ambt, in voorkomend geval vergezeld door de gerechtelijke experten of door de experten die door de Minister bevoegd voor Economie erkend werden in toepassing van § 3 :

1° op elk uur van de dag en de nacht, zonder voorafgaande verwittiging toegang hebben tot de werkplaatsen, gebouwen, schepen, entrepots, silo's, vervoermiddelen, bijgebouwen en niet bebouwde zones alsook elke andere plaats waarvan de toegang nodig is tot het vervullen van hun opdracht, wanneer het redelijkerwijze is toegelaten te veronderstellen dat goederen die inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht zich op deze plaatsen bevinden.

Op het eerste verzoek moeten de vervoerders hun voertuig tot stilstand brengen en de nodige bijstand verlenen voor de vaststelling van de aard en de kwantiteit van de vervoerde goederen. In geval het onmogelijk is om ter plaatse tot de voornoemde verificatie over te gaan, moet de vracht, indien de eisende ambtenaar er het bevel toe geeft, naar een plaats worden gebracht waar de verificatie plaats kan vinden, dit alles ten laste van de vervoerder indien een inbreuk wordt waargenomen.

De bezoeken in de bewoonde lokalen dienen evenwel te gebeuren tussen acht en achttien uur en door ten minste twee ambtenaren samen, die echter pas vrij mogen binnenkomen indien zij daartoe voorafgaandelijk door de rechter van de politierechtbank de toestemming kregen.

Bij behoorlijk gemotiveerde hoogdringendheid kan de in het vorig lid bedoelde toestemming per telefax gevraagd en verkregen worden. Zij dient binnen een termijn van acht dagen schriftelijk te worden bevestigd ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

B.2.1. Volgens de Ministerraad zou in de prejudiciële vragen niet zijn aangegeven op welke wijze het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou zijn geschonden. De in het geding zijnde bepalingen zouden volgens de Ministerraad moeten worden vergeleken met de gemeenrechtelijke bepalingen inzake huiszoeking, opgenomen in het Wetboek van strafvordering, meer bepaald in de artikelen 87, 88 en 89bis van dat Wetboek.

B.2.2. Met de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht te onderzoeken of de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met verschillende bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Wanneer een prejudiciële vraag een schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met een verdragsbepaling die een fundamenteel recht waarborgt, bestaat de aangevoerde schending erin dat een verschil in behandeling wordt doorgevoerd doordat een categorie van personen dat fundamentele recht wordt ontnomen, terwijl dat recht wordt gewaarborgd voor iedere andere persoon.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, dient de in het geding zijnde maatregel niet noodzakelijkerwijze met de gemeenrechtelijke regeling inzake huiszoeking te worden vergeleken om het Hof in staat te stellen de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen te onderzoeken.

De exceptie wordt verworpen.

B.3.1. Volgens de Ministerraad zou niet in te zien zijn op welke wijze de in het geding zijnde bepalingen artikel 17 van de Grondwet zouden kunnen schenden doordat de beslissing van de politierechter waarbij een machtiging tot visitatie wordt verleend, niet zou moeten worden gemotiveerd.

B.3.2. Volgens artikel 17 van de Grondwet kan de straf van verbeurdverklaring der goederen niet worden ingevoerd.

Vermits die grondwetsbepaling vreemd is aan de in het geding zijnde aangelegenheid, onderzoekt het Hof de derde prejudiciële vraag enkel in zoverre zij betrekking heeft op een mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De exceptie is gegrond.

Ten gronde

B.4.1. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of de in het geding zijnde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden wanneer zij aldus worden begrepen dat zij elk rechterlijk toezicht uitsluiten op de wettigheid van de door de politierechter verleende machtiging of toestemming om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden.

Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of dezelfde bepalingen artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden wanneer zij aldus worden begrepen dat zij de bescheiden en de toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, volledig aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken.

Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of dezelfde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden wanneer zij aldus worden begrepen dat de door de politierechter verleende machtiging of toestemming om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden niet dient te worden gemotiveerd.

B.4.2. De voormelde prejudiciële vragen hebben derhalve betrekking op de controle op, de voorwaarden tot en de motivering van de machtiging of de toestemming om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden.

B.5.1. De in het geding zijnde bepalingen maken deel uit van de regelgevingen over de bestraffing van, enerzijds, het sluikwerk en, anderzijds, de namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten. Die regelgevingen strekken ertoe de omvang en de frequentie van de fraude te bestrijden in die bijzonder technische en, inzonderheid wat de namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten betreft, grensoverschrijdende materie, die mede door een uitgebreide Europese regelgeving wordt beheerst.

Een dergelijke doelstelling ontslaat de wetgever niet van de verplichting de grondrechten van de betrokken personen te eerbiedigen.

B.5.2. Meer in het bijzonder maken de in het geding zijnde bepalingen deel uit van de regelgeving betreffende de opsporing en de vaststelling van de inbreuken. De visitatie betreft de bevoegdheid van de door de in het geding zijnde wetten aangewezen ambtenaren om bepaalde plaatsen te bezoeken en te onderzoeken. Die plaatsen zijn, enerzijds, « alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen waar werkzaamheden als bedoeld bij deze wet verricht of vermoedelijk verricht worden » (wet van 6 juli 1976) en, anderzijds, « de werkplaatsen, gebouwen, schepen, entrepots, silo's, vervoermiddelen, bijgebouwen en niet bebouwde zones alsook elke andere plaats waarvan de toegang nodig is tot het vervullen van hun opdracht, wanneer het redelijkerwijze is toegelaten te veronderstellen dat goederen die inbreuk maken op een intellectueel eigendomsrecht zich op deze plaatsen bevinden » (wet van 15 mei 2007).

De visitatie van de voormelde plaatsen is niet aan een rechterlijke machtiging onderworpen. Artikel 4, 1°, eerste zin, van de wet van 6 juli 1976 en artikel 19, § 1, 1°, eerste lid, van de wet van 15 mei 2007 wijken af van de gemeenrechtelijke regel die de huiszoeking aan een rechterlijke machtiging onderwerpt.

B.5.3. In de arresten nrs. 16/2001 en 60/2002 heeft het Hof uitspraak gedaan over de voormelde afwijking. Het heeft met name vastgesteld dat de vrijstelling van de rechterlijke machtiging beperkt is tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het in B.5.1 omschreven doel te bereiken, terwijl ook de uitoefening van de visitatiebevoegdheid met voldoende waarborgen ter voorkoming van misbruik is omringd. Daardoor heeft de wetgever een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen, enerzijds, de rechten van de betrokken personen en, anderzijds, de noodzaak om op een doeltreffende manier inbreuken op de in het geding zijnde wetgeving te kunnen vaststellen (arrest nr. 16/2001, B.13.7, en arrest nr. 60/2002, B.3.8).

B.5.4. De voorliggende prejudiciële vragen hebben evenwel betrekking op de situatie waarin de visitatie wel aan een rechterlijke machtiging of toestemming is onderworpen, meer bepaald wanneer zij particuliere woningen of bewoonde lokalen betreft.

B.6.1. Artikel 15 van de Grondwet bepaalt :

« De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaatshebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ».

Die bepaling wordt voor het Hof aangevoerd in samenhang met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

B.6.2. Het recht op de eerbiediging van de woning heeft een burgerrechtelijk karakter in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aangezien de uitoefening van het recht van toegang tot bewoonde lokalen een inmenging in dat recht vormt, moeten de daarmee verband houdende betwistingen worden behandeld met naleving van de in die bepaling vervatte waarborgen.

B.6.3. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 171/2008 van 3 december 2008 en in zijn arrest nr. 10/2011 van 27 januari 2011, met betrekking tot een soortgelijke bepaling van respectievelijk de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie en de algemene wet inzake douane en accijnzen, heeft geoordeeld, houden de waarborgen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens met name in dat de betrokkenen een jurisdictionele controle, zowel in feite als in rechte, kunnen verkrijgen op de regelmatigheid van de beslissing waarmee de toegang tot bewoonde lokalen wordt toegestaan, alsook, in voorkomend geval, van de maatregelen die op grond daarvan zijn genomen. Het beschikbare beroep moet of de beschikbare beroepen moeten, wanneer een onregelmatigheid wordt vastgesteld, het mogelijk maken ofwel de toegang te voorkomen, ofwel, indien een onregelmatig geachte toegang reeds heeft plaatsgehad, de betrokkene een gepast herstel te bieden.

B.6.4. In de interpretatie van de verwijzende rechter volgens welke de in het geding zijnde bepalingen elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende machtiging of toestemming uitsluiten, voldoen die bepalingen niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en zijn zij derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In die interpretatie dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.6.5. Een toetsing van de in het geding zijnde bepalingen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van mens, kan niet tot een ruimere vaststelling van schending leiden.

B.6.6. De in het geding zijnde bepalingen kunnen evenwel anders worden geïnterpreteerd, in die zin dat die bepalingen zich niet ertegen verzetten dat de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden, voor de strafrechter wordt betwist.

In die interpretatie dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.7.1. Tot de waarborgen van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens behoort ook de eerbiediging van het beginsel van de tegenspraak. Dat beginsel impliceert in de regel het recht voor de gedingvoerende partijen om kennis te nemen van elk stuk dat of elke opmerking die bij de rechter wordt neergelegd en ze te bespreken.

De rechten van de verdediging moeten echter worden afgewogen tegen de belangen die onder de toepassing van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens vallen. Aldus is het in uitzonderlijke situaties denkbaar dat bepaalde stukken van het dossier aan de tegenspraak ontsnappen.

Ten aanzien van artikel 6.1 van dat Verdrag zijn evenwel enkel die maatregelen die de rechten van de verdediging beperken legitiem die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Bovendien moeten de moeilijkheden die een van de partijen bij de uitoefening van haar verdediging zou ondervinden vanwege een beperking van haar rechten, worden gecompenseerd door de waarborg van de voor het rechtscollege gevolgde procedure.

In het omgekeerde geval moeten de inbreuken op het privéleven die voortvloeien uit een gerechtelijke procedure, zoveel mogelijk worden beperkt tot diegene die door specifieke kenmerken van de procedure, enerzijds, en door de gegevens van het geschil, anderzijds, strikt noodzakelijk worden gemaakt.

B.7.2. In de interpretatie van de verwijzende rechter kan de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden, steunen op bescheiden en toelichtingen die niet aan het strafdossier worden toegevoegd.

Het gaat om bescheiden en toelichtingen op grond waarvan het vermoeden kan worden gestaafd dat een inbreuk op de in het geding zijnde wetgevingen heeft plaatsgevonden en op grond waarvan de machtiging of de toestemming om de particuliere woning of het bewoonde lokaal te betreden, is verleend. De materiële vaststellingen die de bevoegde ambtenaren doen naar aanleiding van de uitoefening van hun recht van toegang tot de particuliere woning of het bewoonde lokaal worden opgenomen in processen-verbaal die uiteraard wel aan het strafdossier worden toegevoegd.

B.7.3. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de rechten van de verdediging op onevenredige wijze zouden worden beperkt indien de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, volledig worden onttrokken aan het beginsel van de tegenspraak.

B.7.4. In de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen volgens welke de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, volledig aan het beginsel van de tegenspraak worden onttrokken, voldoen die bepalingen niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en leiden zij tot een willekeurige inmenging in het recht op de onschendbaarheid van de woning, gewaarborgd bij artikel 15 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

In die interpretatie dient de tweede prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.7.5. De in het geding zijnde bepalingen kunnen evenwel in die zin worden geïnterpreteerd dat de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd niet aan het beginsel van de tegenspraak worden onttrokken, behoudens wanneer daardoor een ander grondrecht of beginsel op onevenredige wijze zou worden uitgehold (bijvoorbeeld het recht op bescherming van de identiteit van de indiener van de klacht of aangifte, zie de arresten nrs. 171/2008, B.6.4, en 10/2011, B.5.5).

In die interpretatie dient de tweede prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

B.8.1. Krachtens artikel 89bis van het Wetboek van strafvordering kan de onderzoeksrechter een opdracht tot huiszoeking geven. Hij geeft die opdracht bij een met redenen omklede beslissing en enkel wanneer het noodzakelijk is.

De in het geding zijnde normen bepalen niet uitdrukkelijk dat de machtiging of de toestemming tot visitatie van de rechter in de politierechtbank dient te worden gemotiveerd.

B.8.2. Het voorafgaande optreden van een onafhankelijke en onpartijdige magistraat vormt een belangrijke waarborg tegen het gevaar voor misbruik of willekeur. De politierechter beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid om te bepalen of de hem voorgelegde omstandigheden een aantasting van het grondwettelijk beginsel van de onschendbaarheid van de woning verantwoorden. De toestemming die hij verleent, is specifiek. Zij betreft een welbepaald onderzoek, beoogt een welbepaalde woning en geldt alleen voor de personen op wier naam de toestemming is verleend.

B.8.3. De jurisdictionele controle van de machtiging of de toestemming tot visitatie, bedoeld in B.6.3, en de concrete uitoefening van de rechten van de verdediging, zoals nader gepreciseerd in B.7.1, zouden op onevenredige wijze worden belemmerd wanneer de afweging van de politierechter en de door hem bepaalde modaliteiten, vermeld in B.8.2, niet in de redengeving van de machtiging zouden worden opgenomen.

B.8.4. In de interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen volgens welke de door de politierechter verleende machtiging of toestemming niet dient te worden gemotiveerd, voldoen die bepalingen niet aan de vereisten van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en zijn zij derhalve in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In die interpretatie dient de derde prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.8.5. De in het geding zijnde bepalingen kunnen evenwel anders worden geïnterpreteerd, in die zin dat zij de politierechter niet vrijstellen van de verplichting om de machtiging of de toestemming tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren.

In die interpretatie dient de derde prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

1) - Artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter en artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, in die zin geïnterpreteerd dat zij elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende machtiging of toestemming om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet elk rechterlijk toezicht op de wettigheid van de door de politierechter verleende machtiging of toestemming om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden uitsluiten, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

2) - Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, volledig aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, schenden artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de bescheiden en toelichtingen waarop de machtiging of de toestemming van de politierechter om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden is gebaseerd, niet aan het beginsel van de tegenspraak onttrekken, behoudens wanneer daardoor een ander grondrecht of beginsel op onevenredige wijze zou worden uitgehold, schenden niet artikel 15 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

3) - Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de door de politierechter verleende machtiging of toestemming niet dient te worden gemotiveerd, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

- Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat zij de politierechter niet vrijstellen van de verplichting om de machtiging of toestemming tot visitatie uitdrukkelijk te motiveren, schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 4, 1°, van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter en artikel 19, § 1, 1°, van de wet van 15 mei 2007 betreffende de bestraffing van namaak en piraterij van intellectuele eigendomsrechten, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen. Sociaal recht

  • Bestraffing van het sluikwerk

  • Machtiging om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden

  • Toestemming van de politierechter

  • 1. Controle

  • 2. Voorwaarden

  • 3. Motivering. # Economisch recht

  • Intellectuele rechten

  • Bescherming van intellectuele eigendom

  • Daden van namaking

  • Machtiging om particuliere woningen of bewoonde lokalen te betreden

  • Toestemming van de politierechter

  • 1. Controle

  • 2. Voorwaarden

  • 3. Motivering. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • a. Onschendbaarheid van de woning

  • b. Beperkingen

  • 2. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Onafhankelijke en onpartijdige rechter

  • b. Recht op toegang tot de rechter

  • Betwisting omtrent de wettigheid

  • c. Rechten van de verdediging

  • (i) Beperkingen

  • Belangenafweging

  • (ii) Beginsel van de tegenspraak

  • d. Recht op een eerlijk proces.