- Arrest van 20 september 2012

20/09/2012 - 110/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De artikelen 2, 2°, en 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009 houdende fiscale billijkheid en milieuefficiëntie voor het wagenpark en de passiefhuizen schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters A. Alen, J.-P. Snappe, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 26 oktober 2011 in zake Sabri Aydin en Suat Tekin tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 november 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt artikel 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009 houdende fiscale billijkheid en milieuefficiëntie voor het wagenpark en de passiefhuizen de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre het bepaalt dat artikel 2, 2°, van dat Waalse decreet van 10 december 2009, dat artikel 257, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wijzigt door een vierde lid in te voegen, luidend als volgt : ' Vanaf het tijdstip waarop het goed sinds meer dan twaalf maanden niet meer in gebruik is, kan, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, de evenredige vermindering of verlaging bedoeld in a) hierboven niet meer toegekend worden voor zover de leegstandperiode twaalf maanden overschrijdt (...) ', toepasselijk is vanaf het aanslagjaar 2009 ?

Schendt het vierde lid van artikel 257, eerste lid, 4°, van het WIB 1992, zoals gewijzigd bij artikel 2, 2°, van het Waalse decreet van 10 december 2009, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre voor de toepassing van het vierde lid van artikel 257, eerste lid, 4°, van het WIB 1992, zoals gewijzigd bij artikel 2, 2°, van het Waalse decreet van 10 december 2009, rekening wordt gehouden met de duur van de leegstand die reeds vóór de inwerkingtreding van die bepaling, zoals vastgelegd bij artikel 4 van hetzelfde decreet, is vastgesteld ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 257, eerste lid, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), zoals gewijzigd bij artikel 2, 2°, van het decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009 houdende fiscale billijkheid en milieuefficiëntie voor het wagenpark en de passiefhuizen, bepaalt :

« Op aanvraag van de belanghebbende wordt verleend :

[...]

4° kwijtschelding of verlaging van de onroerende voorheffing in verhouding tot de duur en de omvang van de leegstand, inactiviteit of improductiviteit van het onroerend goed :

a) indien een niet ingericht bebouwd onroerend goed minstens 180 dagen in de loop van het jaar onbezet en improductief is gebleven;

b) indien het geheel van het materieel en de outillage, of een deel hiervan dat minstens 25 % van het kadastraal [inkomen] ervan vertegenwoordigt, gedurende 90 dagen in de loop van het jaar inactief is gebleven;

c) indien het geheel van hetzij een bebouwd onroerend goed, hetzij van het materieel en de outillage, of een deel hiervan dat minstens 25 % van het respectieve kadastraal inkomen ervan vertegenwoordigt, vernietigd is.

De verminderingsvoorwaarden worden per kadastraal perceel of per gedeelte van kadastraal perceel vastgelegd wanneer een dergelijk gedeelte hetzij een aparte woning, hetzij een productie- of activiteitsdepartement of -afdeling vormt die apart kunnen werken of apart in aanmerking genomen kunnen worden, hetzij een entiteit die gescheiden kan worden van de overige goederen of gedeelten waaruit het perceel bestaat en die apart gekadastreerd kan worden.

De improductiviteit moet van onvrij [wi]llige aard zijn. Alleen het feit dat het goed tegelijkertijd te huur en te koop aangeboden wordt door de belastingplichtige stelt de improductiviteit niet voldoende vast.

Vanaf het tijdstip waarop het goed sinds meer dan twaalf maanden niet meer in gebruik is, kan, rekening houdend met het vorige aanslagjaar, de evenredige vermindering of verlaging bedoeld in a) hierboven niet meer toegekend worden voor zover de leegstandperiode twaalf maanden overschrijdt, behalve in het geval van een onroerend goed waarop de belastingplichtige de zakelijke rechten niet kan uitoefenen wegens ramp, overmacht, een procedure of een administratief of gerechtelijk onderzoek waardoor het vrije genot van het onroerend goed belet wordt, tot de dag waarop die omstandigheden die het vrije genot van het onroerend [goed] belemmeren verdwijnen. Als dusdanig wordt beschouwd een onroerend goed dat onverbeterbaar is in de zin van artikel 1, 14°, van de Waalse huisvestingscode, als dusdanig erkend door een afgevaardigde van de Minister van Huisvesting of bij een besluit van de burgemeester ».

Artikel 4 van het voormelde decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009 bepaalt :

« Dit hoofdstuk van dit decreet treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. De artikelen 1, 2, 1°, en 3 zijn toepasselijk vanaf het aanslagjaar 2010; artikel 2, 2°, is toepasselijk vanaf het aanslagjaar 2009 ».

B.2. Het door de decreetgever nagestreefde doel werd als volgt verduidelijkt :

« Vervolgens dient, met betrekking tot artikel 257, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, dat voorziet in een vermindering van de onroerende voorheffing in geval van leegstand, inactiviteit of improductiviteit van het onroerend goed gedurende het aanslagjaar (zie artikel 15 van het WIB 1992), dat voordeel in verband te worden gebracht met de werkelijke doelstellingen die erin bestaan de bezitter van een onroerend goed die om redenen die onafhankelijk zijn van zijn wil, zojuist tijdelijk in de onmogelijkheid heeft verkeerd om inkomsten van zijn onroerend goed te innen, niet te belasten; bovendien dient, bij wijze van aanvulling op het doel inzake fiscale billijkheid dat erin bestaat geen voor het Gewest duur fiscaal voordeel toe te kennen dat indruist tegen andere gewestelijke beleidslijnen, zoals de krotbestrijding, te worden opgemerkt dat het toegekende huidige voordeel ook tot een averechts effect kan leiden waarbij de eigenaar die het in het geding zijnde onroerend goed herstelt en verbetert, met de bewoning van het onroerend goed en bijgevolg het verschuldigd zijn van de onroerende voorheffing tot gevolg (en met misschien zelfs een verhoging van het kadastraal inkomen van het onroerend goed ingevolge zijn werkzaamheden), financieel wordt benadeeld ten opzichte van de eigenaar die op de waarde van de grond speculeert door het onroerend goed te laten vervallen en die de onroerende voorheffing gedurende die periode van speculatie niet moet betalen. In de huidige situatie lijkt het enigszins paradoxaal dat met betrekking tot de onroerende voorheffing een fiscaal voordeel wordt toegekend aan de eigenaar van een leegstaand onroerend goed, terwijl de gemeentelijke verankering en de berekeningswijze van de gewestelijke financiering van de gemeenten de gemeenten ertoe aansporen een belasting op verlaten woningen in te voeren, indien een onroerend goed het voorwerp heeft uitgemaakt van twee vaststellingen van leegstand waartussen meer dan zes maanden liggen; op dezelfde wijze lijkt de beperking in de tijd van dat fiscaal voordeel coherent te zijn met het doel van de gewestelijke belasting op de afgedankte bedrijfsruimten, die ertoe strekt de percelen grond bestemd voor economische activiteiten nieuw leven in te blazen en ze opnieuw in het economische circuit te brengen.

Er wordt dus voorgesteld om :

[...]

- ten slotte, het voordeel van de vermindering van de onroerende voorheffing in de tijd te beperken, door ze af te schaffen vanaf het ogenblik waarop de duur van de leegstand meer dan één jaar bedraagt, te rekenen vanaf het begin van de leegstand (aldus zal de vermindering, in het geval van een leegstand die meer dan één jaar bedraagt en die zich over twee jaren uitstrekt, kunnen worden toegepast in het eerste jaar waarin de leegstand bijvoorbeeld 182 dagen bedraagt, en de vermindering zal ook het volgende jaar kunnen worden toegepast, maar dan enkel ten belope van het saldo van 183 in aanmerking komende dagen van de totale leegstand die meer dan één jaar bedraagt) : rekening houdend met de huidige rechtspraak van het Grondwettelijk Hof ter zake, wordt evenwel ook voorgesteld dat die beperking in de tijd van het voordeel van de vermindering niet zou gelden in het geval waarin de eigenaar hoe dan ook niet over het vrije genot van zijn onroerend goed kan beschikken, en zulks onvrijwillig, zoals trouwens in de wetgeving van het Vlaamse Gewest daarin wordt voorzien » (Parl. St., Waals Parlement, 2009-2010, nr. 118/1, pp. 3 en 4).

B.3. De verwijzende rechter stelt het Hof vragen over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde rechtszekerheidsbeginsel, van, enerzijds, artikel 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009, in zoverre het voorziet in de toepasbaarheid vanaf het aanslagjaar 2009 van artikel 2, 2°, van dat decreet, dat het niet langer mogelijk maakt de kwijtschelding of vermindering van de onroerende voorheffing toe te kennen wanneer de leegstandperiode meer dan twaalf maanden bedraagt (eerste prejudiciële vraag), en, anderzijds, artikel 257, eerste lid, 4°, vierde lid, van het WIB 1992, zoals gewijzigd bij dat artikel 2, 2°, van het decreet, in zoverre daarin rekening wordt gehouden met een duur van de leegstand die reeds vóór de inwerkingtreding van het decreet is vastgesteld (tweede prejudiciële vraag).

B.4. Uit de feiten van de aan de verwijzende rechter voorgelegde zaak en uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eisende partijen voor die rechter een vermindering van de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2009 hebben aangevraagd wegens de leegstand van het goed sedert juli 2007.

Wat de eerste prejudiciële vraag betreft

B.5. Een fiscaalrechtelijke regel kan slechts als retroactief worden gekwalificeerd wanneer hij van toepassing is op toestanden waarvan de voorwaarden voor belastingheffing definitief waren vastgelegd op het ogenblik dat hij in werking is getreden.

B.6.1. Inzake inkomstenbelastingen ontstaat de belastingschuld definitief op de datum van afsluiting van de periode waarin de inkomsten verworven zijn die de belastingbasis uitmaken. Overeenkomstig de bepalingen van het WIB 1992 is de onroerende voorheffing een percentage van het kadastraal inkomen, zoals het op 1 januari van het aanslagjaar is vastgesteld. Het is evenwel pas bij het afsluiten van het aanslagjaar dat het bedrag van een eventuele vermindering van die voorheffing kan worden vastgesteld, rekening houdend met de feitelijke en juridische elementen die zich gedurende het verstreken jaar hebben voorgedaan.

De belastingplichtige kent slechts definitief de voorwaarden van de belastingheffing op het einde van het belastbare tijdperk.

B.6.2. Het in het geding zijnde decreet is afgekondigd op 10 december 2009 en het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 december 2009, dus vóór het einde van het belastbare tijdperk 2009.

Daaruit volgt dat artikel 4 van dat decreet, door artikel 2, 2°, vanaf het aanslagjaar 2009 van toepassing te maken, fiscale situaties regelt waarvan de voorwaarden voor belastingheffing niet konden worden beschouwd als zijnde definitief vastgelegd. De decreetgever heeft bijgevolg geen afbreuk gedaan aan het rechtszekerheidsbeginsel.

Door voor de berekening van de voor het aanslagjaar 2009 verschuldigde belasting bovendien rekening te houden met een leegstandperiode van het goed die dateert van vóór dat aanslagjaar, heeft de in het geding zijnde bepaling niet tot gevolg dat de regels met betrekking tot de belasting die verschuldigd is voor het aanslagjaar dat aan 2009 voorafgaat, worden gewijzigd.

B.7. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat de tweede prejudiciële vraag betreft

B.8. Het komt de bevoegde wetgever toe te oordelen of een stelsel van fiscale vrijstellingen moet worden gehandhaafd of aangepast. Indien daaruit een verschil in behandeling tussen belastingplichtigen voortvloeit, dient het Hof na te gaan of dat verschil in behandeling objectief is en redelijk kan worden verantwoord ten aanzien van het nagestreefde doel.

B.9. Met de in het geding zijnde bepaling heeft het Waalse Gewest het voordeel van de vermindering van de onroerende voorheffing willen beperken in de tijd waardoor belastingplichtigen verschillend worden behandeld naargelang de leegstand van hun onroerend goed al dan niet meer dan één jaar bedraagt.

Het criterium van de duur van de leegstand van het onroerend goed is relevant ten aanzien van het doel van de maatregel, die zowel fiscale billijkheid als krotbestrijding beoogt teneinde de toegang tot een behoorlijke huisvesting aan te moedigen, zoals blijkt uit de in B.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding van het decreet.

Het feit dat rekening wordt gehouden met de leegstandperiode die tijdens een vorig aanslagjaar is vastgesteld, is daarenboven verantwoord, gelet op het nagestreefde doel.

B.10. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De artikelen 2, 2°, en 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009 houdende fiscale billijkheid en milieuefficiëntie voor het wagenpark en de passiefhuizen schenden de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 september 2012.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 4 van het decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009 houdende fiscale billijkheid en milieuefficiëntie voor het wagenpark en de passiefhuizen en artikel 257, eerste lid, 4°, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals gewijzigd bij artikel 2, 2°, van het vermelde decreet van het Waalse Gewest van 10 december 2009, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaliteit

  • Inkomstenbelastingen

  • Onroerende voorheffing

  • Kwijtschelding of proportionele vermindering

  • Leegstaand onroerend goed

  • 1. Afschaffing van de kwijtschelding of vermindering vanaf het ogenblik waarop de duur van de leegstand meer dan twaalf maanden bedraagt

  • Toepasbaarheid vanaf het aanslagjaar 2009

  • 2. Het in aanmerking nemen van de duur van de leegstand die reeds vóór de inwerkingtreding van het decreet is vastgesteld. # Rechten en vrijheden

  • 1. Eigendomsrecht

  • Rechtszekerheid

  • 2. Gelijkheid in fiscale zaken.