- Arrest van 18 oktober 2012

18/10/2012 - 120/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 65 van de arbeidswet van 16 maart 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 19 december 2011 in zake Roméo Collodel tegen de cvba « IGRETEC », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 26 december 2011, heeft het Arbeidshof te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Naar luid van artikel 3, § 1, 1°, van de arbeidswet van 16 maart 1971 zijn de bepalingen van hoofdstuk III, (afdelingen 1 en 2 en 4 tot 7), niet van toepassing op de personen tewerkgesteld door het Rijk, de provinciën, de gemeenten, de openbare instellingen die eronder ressorteren en de instellingen van openbaar nut, behoudens indien zij tewerkgesteld zijn door instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen of door instellingen die geneeskundige, profylactische of hygiënische verzorging verlenen.

Daaruit volgt dat, met betrekking tot de bepalingen betreffende de arbeids- en rusttijden, de wetgever de situatie van de personen die tewerkgesteld zijn door instellingen van de openbare sector die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen en hun werkgevers heeft gelijkgesteld met die van de werknemers uit de privésector en hun werkgevers.

Artikel 3, § 3, 1°, van de arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt niettemin dat de bepalingen van hoofdstuk III, (afdelingen 2 en 4 tot 7), niet van toepassing zijn op de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden.

Bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 ' tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur ', wordt de lijst van die werknemers vastgesteld.

Dat koninklijk besluit werd aangenomen onder de gelding van de wet van 15 juli 1964 ' betreffende de arbeidsduur in de openbare en de particuliere sector van 's Lands bedrijfsleven '.

Die wet werd opgeheven bij artikel 64 van de arbeidswet van 16 maart 1971, die een coördinatie is van verschillende wetgevingen (waaronder de wet van 15 juli 1964).

Artikel 65 van de wet van 16 maart 1971 bepaalt dat de besluiten genomen ter uitvoering van de door artikel 64 opgeheven wetten en besluiten van kracht blijven totdat zij uitdrukkelijk worden opgeheven of totdat hun geldigheidsduur verstrijkt.

Artikel 65 van de wet van 16 maart 1971 heeft dus de handhaving van het koninklijk besluit van 10 februari 1965 bekrachtigd.

Schendt artikel 65 van de wet van 16 maart 1971, in de interpretatie dat het koninklijk besluit van 10 februari 1965 niet van toepassing is op de personen die tewerkgesteld zijn door instellingen van de openbare sector die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen, noch op hun werkgevers, de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in onderlinge samenhang gelezen, in zoverre het de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie zou verbreken tussen twee vergelijkbare groepen van werknemers en werkgevers doordat het zonder beperking in de tijd een verschil in behandeling dat niet objectief is verantwoord, in stand houdt tussen hen, namelijk, enerzijds, de werknemers (zoals de heer C.) die werken in een instelling van de openbare sector die een commerciële activiteit uitoefent (zoals de cvba ' IGRETEC ') en die, ten laste van hun werkgever, aanspraak kunnen maken op het voordeel van de wet van 16 maart 1971 betreffende de arbeidsduur (minstens het voordeel van hoofdstuk III, afdeling 2), zelfs indien zij een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden, in zoverre het koninklijk besluit van 10 februari 1965 niet van toepassing is op de werknemers die in een openbare instelling werken (en dus evenmin op de werkgevers van de openbare sector van het bedrijfsleven, zoals de cvba ' IGRETEC ') en, anderzijds, de werknemers die werken voor een werkgever van de privésector van het bedrijfsleven, die daarentegen zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 16 maart 1971 (althans van hoofdstuk III, afdeling 2, betreffende de arbeidsduur) indien zij een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden onder de voorwaarden en binnen de grenzen die zijn voorgeschreven bij het koninklijk besluit van 10 februari 1965 ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 65 van de arbeidswet van 16 maart 1971, dat bepaalt :

« De besluiten genomen ter uitvoering van de door artikel 64 opgeheven wetten en besluiten blijven van kracht totdat zij uitdrukkelijk worden opgeheven of totdat hun geldigheidsduur verstrijkt.

De besluiten genomen ter uitvoering van de door artikel 64, 1°, opgeheven wetten op de kinderarbeid, gecoördineerd op 28 februari 1919, houden echter in elk geval op uitwerking te hebben een jaar na de laatste dag van de maand waarin deze wet is bekendgemaakt ».

B.2. Het Arbeidshof is van mening dat die bepaling tot gevolg heeft dat het koninklijk besluit van 10 februari 1965 « tot aanwijzing van de personen die met een leidende functie of met een vertrouwenspost zijn bekleed in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven, voor de toepassing van de wet betreffende de arbeidsduur » wordt gehandhaafd zonder beperking in de tijd.

Dat koninklijk besluit was aangenomen op grond van de wet van 15 juli 1964 « betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sectors van 's Lands bedrijfsleven », die werd opgeheven bij artikel 64, 4°, van de arbeidswet van 16 maart 1971.

B.3. Uit de motivering van het arrest waarbij het Hof wordt ondervraagd, blijkt dat het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil betrekking heeft op meer bepaald de betaling van achterstallen van wedde en weddetoeslag voor overuren die werden gepresteerd door een bediende van de cvba « IGRETEC ». Het verwijzende rechtscollege oordeelde dat die vennootschap een openbare instelling is die een commerciële activiteit uitoefent en dat zij in die hoedanigheid is onderworpen aan de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen 1 en 2 en 4 tot 7, van de arbeidswet van 16 maart 1971. Die bepalingen hebben betrekking op de arbeidstijd en de rusttijden.

Met toepassing van artikel 3, § 1, van de wet van 16 maart 1971, zijn die bepalingen immers onder meer van toepassing op de personen tewerkgesteld door openbare instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen.

B.4. Artikel 3, § 3, 1°, van de arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt niettemin dat de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen 2 en 4 tot 7, van die wet niet van toepassing zijn op « de door de Koning aangewezen werknemers die een leidende functie uitoefenen of een vertrouwenspost bekleden ». Het gaat om de bepalingen betreffende de arbeidsduur, nachtarbeid, het naleven van de uurroosters, de rusttijden en de pauzes.

Uit die bepaling volgt dat het de Koning toekomt te bepalen welke werknemers moeten worden beschouwd als werknemers met een leidende functie of een vertrouwenspost, en die bijgevolg niet die bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 genieten.

B.5. Het voormelde koninklijk besluit van 10 februari 1965 gaat over tot die aanwijzing voor wat betreft de werknemers tewerkgesteld « in de particuliere sectors van 's lands bedrijfsleven ». De instellingen van de openbare sector die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen, zijn van het toepassingsgebied ervan uitgesloten. Met uitzondering van vier koninklijke besluiten betreffende bepaalde specifieke openbare ondernemingen, heeft de Koning geen vergelijkbaar initiatief genomen voor de ondernemingen van de openbare sector, waarvoor de voormelde bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 gelden.

Daaruit volgt dat, doordat zij niet als zodanig bij een koninklijk besluit zijn aangewezen, de werknemers met een leidende functie of een vertrouwenspost in de openbare instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen, de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 genieten die betrekking hebben op de arbeidstijd en de rusttijden.

B.6. Het Hof wordt verzocht het verschil in behandeling te onderzoeken tussen de werknemers met een leidende functie of een vertrouwenspost in een openbare instelling die een industriële of commerciële activiteit uitoefent, en de werknemers met een soortgelijke functie in een onderneming uit de privésector van het bedrijfsleven, doordat de eerstgenoemden het voordeel kunnen eisen van de bepalingen van de wet van 16 maart 1971 die betrekking hebben op de arbeidstijd en de rusttijden, terwijl de laatstgenoemden dat niet kunnen.

B.7. Dat verschil in behandeling vindt zijn oorsprong niet in artikel 65 van de wet van 16 maart 1971. Doordat die bepaling het koninklijk besluit van 10 februari 1965 dat van toepassing is op de privésector van het bedrijfsleven niet opheft, heeft zij immers niet als draagwijdte, noch tot gevolg dat de Koning wordt verhinderd soortgelijke bepalingen aan te nemen voor de werknemers tewerkgesteld door de openbare instellingen die een industriële of commerciële activiteit uitoefenen, waarop de bepalingen van de wet van 16 maart 1971 die betrekking hebben op de arbeidstijd en de rusttijden van toepassing zijn. Artikel 3, § 3, 1°, van dezelfde wet machtigt Hem overigens uitdrukkelijk daartoe, omdat de erin vervatte delegatie aan de Koning geen enkel onderscheid maakt tussen de werknemers van de privésector en die van de openbare ondernemingen waarop de wet van toepassing is. Uit het feit dat de Koning voor die laatsten geen gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid, kan niet worden afgeleid dat artikel 65 van de wet van 16 maart 1971 strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 65 van de arbeidswet van 16 maart 1971 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 65 van de arbeidswet van 16 maart 1971, gesteld door het Arbeidshof te Bergen. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Werknemers met een leidende functie of een vertrouwenspost

  • Voordeel van de bepalingen van de wet van 16 maart 1971 betreffende de arbeidstijd en de rusttijden

  • 1. Openbare instelling die een industriële of commerciële activiteit uitoefent

  • 2. Onderneming uit de privésector.