- Arrest van 30 oktober 2012

30/10/2012 - 133/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- beslist dat het onderzoek van de zaak nr. 5258 met betrekking tot het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 mei 2011 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 zal worden voortgezet indien een beroep tot vernietiging van artikel 7 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2012 « houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie » zou leiden tot de vernietiging van dat artikel 7, in zoverre dat een achtste lid toevoegt aan artikel 7.1.5, § 4, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid »;

- beslist dat daarentegen de zaak nr. 5258 van de rol van het Hof zal worden geschrapt, indien geen beroep tot vernietiging van het voormelde artikel 7 binnen de wettelijke termijn zou worden ingesteld, of indien een dergelijk beroep, wanneer het wordt ingesteld, door het Hof zou worden verworpen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 november 2011 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 november 2011, heeft de nv « E.ON Generation Belgium », met maatschappelijke zetel te 1800 Vilvoorde, Jan Frans Willemsstraat 200, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2 en 4 (partim) van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 mei 2011 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2011).

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 2 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 mei 2011 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, alsook van artikel 4 van dat decreet van 6 mei 2011, in zoverre het een vierde, vijfde en zesde lid toevoegt aan artikel 7.1.5, § 4, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid (hierna : Energiedecreet).

De bestreden bepalingen luiden als volgt :

« Art. 2. In artikel 1.1.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 wordt een punt 75°/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :

' 75°/1 kolencentrale : elektriciteitsproductie-eenheid waar producten met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, zoals bedoeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-Verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief, als brandstof worden of werden gebruikt; ' ».

« Art. 4. Aan artikel 7.1.5, § 4, van hetzelfde decreet worden een [...] vierde, vijfde [en] zesde [...] lid toegevoegd, die luiden als volgt :

' [...]

Voor de bijstook tot 60 % van hernieuwbare energiebronnen in een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, wordt het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 50 %. Voor een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW waar enkel hernieuwbare energiebronnen worden verbruikt wordt voor de eerste 60 % groenestroomproductie het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 50 %.

In afwijking van het vierde lid, wordt voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen in kolencentrales met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW die actief zijn op 1 januari 2011 en waar op en na deze datum niet langer producten worden verbruikt met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, zoals bedoeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-Verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief, het aantal voor de certificatenverplichting aanvaardbare groenestroomcertificaten verminderd met 11 %. Dit percentage kan niet verhoogd worden tot en met 30 april 2021. Indien het percentage alsnog zou verhoogd worden, vergoedt de Vlaamse overheid de eigenaars van de desbetreffende installaties voor de geleden schade.

De VREG bepaalt de berekening van het aandeel hernieuwbare energiebronnen in de stroomproductie.

[...] ' ».

B.1.2. Het Energiedecreet bouwt voort op en vervangt onder meer het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, waarin voor het Vlaamse Gewest is geopteerd voor een stelsel van groenestroomcertificaten ter bevordering van de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

Een groenestroomcertificaat is een overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een producent in een bepaald jaar een bepaalde hoeveelheid elektriciteit heeft opgewekt door gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen.

Het stelsel van de groenestroomcertificaten bestaat uit twee delen :

- enerzijds, kunnen producenten van « groene stroom », dit is elektriciteit opgewekt door gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen, van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (hierna : VREG) een groenestroomcertificaat per 1 000 kWh opgewekte groene stroom verkrijgen dat verhandelbaar is op een concurrentiële markt;

- anderzijds, moeten leveranciers van elektriciteit op 31 maart van elk jaar een aantal groenestroomcertificaten bij de VREG inleveren dat overeenstemt met een percentage groene stroom in verhouding tot het totaal van de door hen in het voorgaande kalenderjaar aan de eindafnemers geleverde elektriciteit (dit is de zogenaamde « certificatenverplichting » of « quotumverplichting »).

B.1.3.1. De bestreden bepalingen hebben ook tot gevolg dat groenestroomcertificaten die worden verkregen voor het opwekken van hernieuwbare energie door verbranding van biomassa in kolencentrales slechts tot op een zekere hoogte worden aanvaard.

B.1.3.2. Krachtens artikel 7.1.5, § 4, vierde lid, eerste zin, van het Energiedecreet, zoals aangevuld door het bestreden artikel 4 van het decreet van 6 mei 2011, wordt maar de helft aanvaard van de groenestroomcertificaten die zijn verkregen door de bijstook tot 60 pct. van hernieuwbare energiebronnen in een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW.

De tweede zin van de voormelde bepaling schrijft voor dat in een volledig tot biomassacentrale geconverteerde kolencentrale (waar uitsluitend hernieuwbare energiebronnen worden verbruikt) slechts de helft van de groenestroomcertificaten wordt aanvaard voor de eerste 60 pct. productie van groene stroom. Voor dat type centrales wordt het aantal aanvaardbare groenestroomcertificaten derhalve teruggebracht tot 70 pct.

Die maatregel kwam reeds in vergelijkbare bewoordingen voor in artikel 15, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van het besluit van 5 juni 2009. Die regeling was van toepassing voor de productie van groene stroom vanaf 1 januari 2010 in kolencentrales. Dat besluit is opgeheven bij artikel 12.2.1, § 1, 9°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid, dat op 1 januari 2011 in werking is getreden.

B.1.3.3. Het bestreden artikel 2 van het decreet van 6 mei 2011 voegt in artikel 1.1.3 van het Energiedecreet een definitie van « kolencentrale » toe. Bedoeld zijn elektriciteitscentrales die gebruik maken van steenkool en andere van steenkool vervaardigde vaste producten (GN-code 2701), bruinkool (GN-code 2702), turf (GN-code 2703) en cokes en dergelijke (GN-code 2704).

Het aldus omschreven begrip kolencentrale wijkt af van de omschrijving die reeds voorkwam in het voormelde artikel 15, § 1, van het besluit van 5 maart 2004, in die zin dat bedoeld zijn de centrales waarin de voormelde steenkoolproducten « worden of werden gebruikt », terwijl vroeger bedoeld waren de centrales waarin zulke producten « worden en werden » gebruikt.

De nieuwe omschrijving heeft tot gevolg dat ook volledig tot biomassacentrale geconverteerde kolencentrales - ongeacht of die conversie al is doorgevoerd of nog zou plaatsvinden - in beginsel onder de beperkende regeling vallen.

B.1.3.4. In artikel 7.1.5, § 4, vijfde lid, van het Energiedecreet, zoals aangevuld door het bestreden artikel 4 van het decreet van 6 mei 2011, wordt een afwijkende regeling ingevoerd voor kolencentrales (met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW) die actief zijn op 1 januari 2011 en op die datum volledig zijn geconverteerd in een biomassacentrale. Voor dat type centrales wordt het aantal aanvaardbare groenestroomcertificaten teruggebracht tot 89 pct.

Dat percentage kan niet worden verminderd vóór 1 mei 2021. Indien het percentage niettemin zou worden verminderd, zou het Vlaamse Gewest de eigenaars van de desbetreffende installaties voor de geleden schade dienen te vergoeden.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

B.3. Om haar belang bij het beroep te staven, beroept de nv « E.ON Generation Belgium » zich op haar hoedanigheid van eigenaar en uitbater van een elektriciteitscentrale die werkt op basis van steenkool, maar waarin biomassa wordt bijgestookt. De verzoekende partij stelt dat zij overweegt de centrale om te bouwen tot een centrale waarin enkel biomassa zal worden verbrand.

B.4. In haar memorie van antwoord heeft de verzoekende partij verduidelijkt dat haar grieven enkel verband houden met de verminderde aanvaardbaarheid van groenestroomcertificaten voor de productie van hernieuwbare energie in een volledig tot biomassacentrale geconverteerde steenkoolcentrale.

Haar beroep is derhalve niet gericht tegen artikel 7.1.5, § 4, vierde lid, eerste zin, van het Energiedecreet, zoals aangevuld door het bestreden artikel 4 van het decreet van 6 mei 2011, dat betrekking heeft op de gedeeltelijke bijstook van biomassa in een steenkoolcentrale, noch tegen het zesde lid van diezelfde bepaling, dat eveneens betrekking heeft op de gedeeltelijke bijstook.

B.5. Ter terechtzitting heeft de raadsman van de verzoekende partij meegedeeld dat de procedure voor een milieueffectrapportering met het oog op de conversie van haar steenkoolcentrale tot een 100 pct. biomassacentrale is opgestart, maar dat die conversie nog niet is doorgevoerd.

B.6. Tijdens de rechtspleging voor het Hof is het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2012 « houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie » aangenomen, waarvan artikel 7 bepaalt :

« In artikel 7.1.5 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreten van 6 mei 2011 en 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

[...]

6° aan paragraaf 4 wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt :

' In afwijking van het vierde tot en met het zevende lid, zijn wat betreft productieinstallaties met startdatum vanaf 1 januari 2013 alleen de groenestroomcertificaten en warmte-krachtcertificaten, vermeld in artikel 7.1.1, § 2 en § 3, en artikel 7.1.2, § 2 en § 3, aanvaardbaar voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 en artikel 7.1.11. Wat productie-installaties voor zonne-energie betreft, voldoen die tevens aan de voorwaarden, vermeld in het tweede en derde lid. ' ».

Het voormelde decreet van 13 juli 2012 is in werking getreden de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 20 juli 2012.

B.7. De Vlaamse Regering betoogt dat het belang van de verzoekende partij hypothetisch is.

De nv « Max Green », tussenkomende partij, voert ter terechtzitting aan dat de bestreden bepalingen, rekening houdend met de bij het decreet van 13 juli 2012 gewijzigde regelgeving, niet zullen worden toegepast en intussen niet op de verzoekende partij zijn toegepast.

De raadsman van de verzoekende partij heeft ter terechtzitting verklaard dat het in de lijn van de verwachting ligt dat een conversie van de steenkoolcentrale van de verzoekende partij tot een 100 pct. biomassacentrale niet vóór 1 januari 2013 zal geschieden.

B.8. Zelfs indien wordt aangenomen dat de verzoekende partij een belang heeft vanwege haar voornemen om een volledig tot biomassacentrale geconverteerde kolencentrale uit te baten, dan nog blijkt dat dit voornemen in ieder geval niet vóór 1 januari 2013 zou worden verwezenlijkt.

Hieruit volgt dat de thans bestreden bepalingen op haar geen toepassing hebben gehad en ook geen toepassing zullen hebben, nu voor de productie-installaties met startdatum vanaf 1 januari 2013, krachtens het bij het voormelde decreet van 13 juli 2012 toegevoegde achtste lid van artikel 7.1.5, § 4, van het Energiedecreet, een van de bestreden bepalingen afwijkende regeling zal gelden.

De verzoekende partij doet momenteel derhalve niet blijken van het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen.

B.9. Aangezien tegen artikel 7 van het voormelde decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2012 een beroep tot vernietiging zou kunnen worden ingesteld tot zes maanden na de datum van bekendmaking van dat decreet in het Belgisch Staatsblad van 20 juli 2012, is het niet uitgesloten dat de verzoekende partij nog een belang zou kunnen hebben bij haar huidige beroep, in de hypothese dat het achtste lid van artikel 7.1.5, § 4, van het Energiedecreet zou worden vernietigd naar aanleiding van een nieuw beroep.

B.10. Het onderzoek van het huidige beroep dient enkel te worden voortgezet indien de verzoekende partij, in geval van vernietiging van het achtste lid van artikel 7.1.5, § 4, van het Energiedecreet, alsnog zou doen blijken van haar belang.

De zaak zal daarentegen van de rol dienen te worden geschrapt indien tegen die bepaling geen beroep tot vernietiging binnen de wettelijke termijn zou worden ingesteld, of indien een dergelijk beroep, wanneer het wordt ingesteld, door het Hof zou worden verworpen.

Om die redenen,

het Hof

- beslist dat het onderzoek van de zaak nr. 5258 met betrekking tot het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 mei 2011 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009 zal worden voortgezet indien een beroep tot vernietiging van artikel 7 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 13 juli 2012 « houdende wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de milieuvriendelijke energieproductie » zou leiden tot de vernietiging van dat artikel 7, in zoverre dat een achtste lid toevoegt aan artikel 7.1.5, § 4, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 « houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid »;

- beslist dat daarentegen de zaak nr. 5258 van de rol van het Hof zal worden geschrapt, indien geen beroep tot vernietiging van het voormelde artikel 7 binnen de wettelijke termijn zou worden ingesteld, of indien een dergelijk beroep, wanneer het wordt ingesteld, door het Hof zou worden verworpen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van de artikelen 2 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 mei 2011 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, ingesteld door de nv « E.ON Generation Belgium ». Energie

  • Vlaams Gewest

  • Milieuvriendelijke elektriciteit

  • Groenestroomcertificaten

  • Beperking van het aantal aanvaardbare groenestroomcertificaten

  • Opwekking van hernieuwbare energie door verbranding van biomassa in kolencentrales.