- Arrest van 13 december 2012

13/12/2012 - 151/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, in zoverre het de compensatie toestaat, met een fiscale schuld die vóór het faillissement is ontstaan, van een fiscale schuldvordering die voortvloeit uit een nieuwe activiteit die door de gefailleerde is uitgeoefend tussen het vonnis van faillietverklaring en de sluiting van het faillissement, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 24 november 2011 in zake Philippe Résimont tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 december 2011, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, zoals gewijzigd bij artikel 194 van de programmawet van 22 december 2008, zo geïnterpreteerd dat het, in het geval van een faillissement en niettegenstaande het bestaan van die situatie van samenloop, de compensatie toelaat van fiscale schuldvorderingen met een fiscale schuld die de gefailleerde verschuldigd blijft op het ogenblik van het faillissement, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de gefailleerde wiens schuldvordering is ontstaan uit een verrichting van vóór het faillissement, de gefailleerde wiens schuldvordering is ontstaan uit de handelsverrichtingen die door de curator zijn voortgezet na de faillietverklaring en de gefailleerde wiens schuldvordering is ontstaan uit de uitoefening van een nieuwe handelsactiviteit na de faillietverklaring, op dezelfde wijze behandelt, terwijl zij in verschillende situaties zijn geplaatst ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 bepaalt :

« Elke som die aan een persoon moet worden teruggegeven of betaald, hetzij in het kader van de toepassing van de belastingwetten die onder de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Financiën vallen of waarvan de inning en invordering door die Federale Overheidsdienst worden verzekerd, hetzij krachtens de bepalingen van het burgerlijk recht met betrekking tot de onverschuldigde betaling, kan naar keuze en zonder formaliteit door de bevoegde ambtenaar worden aangewend ter betaling van de door deze persoon verschuldigde bedragen bij toepassing van bedoelde belastingwetten of ter voldoening van de fiscale of niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en invordering, door of krachtens een bepaling met kracht van wet, door de Federale Overheidsdienst Financiën worden verzekerd. Die aanwending wordt beperkt tot het niet-betwiste gedeelte van de schuldvorderingen op deze persoon.

Het voorgaande lid blijft van toepassing in geval van beslag, overdracht, samenloop of een insolvabiliteitsprocedure ».

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de voor de verwijzende rechter in het geding zijnde fiscale schuldvorderingen voortvloeien uit de uitoefening van een nieuwe activiteit van de gefailleerde tussen het vonnis van faillietverklaring en de sluiting van het faillissement.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie.

B.3.1. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de in het geding zijnde bepaling, in die zin geïnterpreteerd dat zij de compensatie toestaat, met een fiscale schuld die de gefailleerde verschuldigd blijft op het ogenblik van het faillissement, van fiscale schuldvorderingen die voortvloeien uit de uitoefening van een nieuwe activiteit van de gefailleerde tussen het vonnis van faillietverklaring en de sluiting van het faillissement, in zoverre zij die gefailleerde, de gefailleerde wiens fiscale schuldvordering uit een verrichting van vóór het faillissement is ontstaan en de gefailleerde wiens schuldvordering uit de door de curator voortgezette handelsverrichtingen is ontstaan, op dezelfde wijze behandelt.

B.3.2. Bij zijn arrest nr. 55/2009 heeft het Hof geoordeeld :

« [Het] is [...] niet redelijkerwijze verantwoord de compensatie toe te staan tussen een fiscale schuld en een fiscale schuldvordering waarvan de curator houder wordt wegens een verrichting die hij moet uitvoeren krachtens de artikelen 38 en 40 van de faillissementswet van 8 augustus 1997. De kosten van bekendmaking, die boedelschulden vormen, veroorzaken immers een btw-tegoed dat een vordering uit de boedel vormt die van een andere aard is dan de schuldvorderingen die zijn ontstaan uit verrichtingen van vóór het faillissement.

De omstandigheid dat de belastingopbrengst wordt gebruikt voor overheidsuitgaven die beogen tegemoet te komen aan het algemeen belang, volstaat niet om te verantwoorden dat afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de curator die, in het raam van de uitoefening van de opdracht die hem wettelijk wordt toevertrouwd, is gehouden tot het doen van bekendmakingen waarvan redelijkerwijze niet zou kunnen worden aangenomen dat hij de fiscale last daarvan draagt ».

B.3.3. Hetzelfde geldt voor de fiscale schuldvorderingen die uit de door de curator voortgezette handelsverrichtingen zijn ontstaan, aangezien zij eveneens schuldvorderingen van de boedel zijn.

B.3.4. In die zin geïnterpreteerd dat zij een dergelijke compensatie toestaat, is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.1. Alhoewel de compensatie bedoeld in de in het geding zijnde bepaling in de regel enkel geldt voor de schuldvorderingen die vóór de faillietverklaring zijn ontstaan (Cass., 24 juni 2010, C.09.0365.N), is zij ook van toepassing tussen de fiscale schulden van de gefailleerde die vóór het faillissement zijn ontstaan en de schuldvorderingen die voortvloeien uit de uitoefening van een nieuwe activiteit van de gefailleerde vóór de sluiting van het faillissement.

De schuldvorderingen die voortvloeien uit de nieuwe activiteit van de gefailleerde vóór de sluiting van het faillissement, maken immers deel uit van de boedel, op dezelfde wijze als die welke vóór het faillissement zijn ontstaan (Cass., 26 oktober 1987, Arr. Cass., 1987, nr. 115).

B.4.2. Doordat de in het geding zijnde bepaling het mogelijk maakt zowel de fiscale schuldvorderingen die voortvloeien uit activiteiten die door de gefailleerde vóór het faillissement zijn uitgeoefend als die welke voortvloeien uit de uitoefening van een nieuwe activiteit van de gefailleerde tussen het vonnis van faillietverklaring en de sluiting van het faillissement, te compenseren met fiscale schulden die vóór het faillissement zijn ontstaan, is zij niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, in zoverre het de compensatie toestaat, met een fiscale schuld die vóór het faillissement is ontstaan, van een fiscale schuldvordering die voortvloeit uit een nieuwe activiteit die door de gefailleerde is uitgeoefend tussen het vonnis van faillietverklaring en de sluiting van het faillissement, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, zoals gewijzigd bij artikel 194 van de programmawet van 22 december 2008, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Handelsrecht

  • Faillissement

  • Compensatie met fiscale schulden die vóór het faillissement zijn ontstaan

  • 1. Fiscale schuldvorderingen die uit de door de curator voortgezette handelsverrichtingen zijn ontstaan

  • 2. Fiscale schuldvorderingen die voortvloeien uit activiteiten die door de gefailleerde vóór het faillissement zijn uitgeoefend

  • 3. Fiscale schuldvorderingen die voortvloeien uit de uitoefening van een nieuwe activiteit van de gefailleerde tussen het vonnis van faillietverklaring en de sluiting van het faillissement.