- Arrest van 20 december 2012

20/12/2012 - 163/2012

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij artikel 45 van het Vlaamse decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 en zoals gewijzigd bij artikel 57 van het Vlaamse decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 3 februari 2012 in zake Fabienne Coppens en Karin Coppens tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 februari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt het artikel 50 W.Succ. (zoals van toepassing voor het Vlaams Gewest en zoals vervangen bij art. 44 Decr.Vl.Parl. 21 december 2001, B.S. 29 december 2001 (derde uitg.) en gewijzigd bij art. 57 Decr.Vl.Parl. 20 december 2002, B.S. 31 december 2002 (vierde uitg.)), samen gelezen met art. 48 W.Succ., de artikelen 10, 11 en 172 gec.G.W. in zoverre deze bepaling het tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten uitbreidt tot de kinderen van de persoon die met de erflater samenwoont in de zin van art. 48, § 2, W.Succ. terwijl deze bepaling dit tarief niet uitbreidt tot de kinderen van de eerst overleden partner die erven van de langstlevende partner waarbij tot aan het overlijden van de eerst stervende voldaan was aan de voorwaarden van samenwoning in de zin van art. 48, § 2, W.Succ. ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 48, § 2, van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij artikel 3 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 juli 2006 houdende vrijstelling van successierechten ten voordele van de langstlevende partner voor de nettowaarde van de gezinswoning, en vóór het werd gewijzigd bij artikel 78 van het Vlaamse decreet van 23 december 2011 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2012, bepaalde :

« Tabel I bevat het tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden.

Dit tarief wordt per rechtverkrijgende toegepast op het netto-aandeel in de onroerende goederen enerzijds, en op het netto-aandeel in de roerende goederen anderzijds volgens de overeenstemmende gedeelten zoals voorkomend in kolom A.

In afwijking van het vorige lid wordt het tarief van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden tussen echtgenoten en tussen samenwonenden wat de onroerende goederen betreft, enkel toegepast op het netto-aandeel van de rechtverkrijgende echtgenoot of samenwonende in de andere goederen dan de woning die de erflater en zijn echtgenoot of samenwonende tot gezinswoning diende op het ogenblik van het overlijden. Die afwijking geldt evenwel niet als de samenwonende die een aandeel verkrijgt in die gezinswoning hetzij een bloedverwant in de rechte lijn van de erflater is, hetzij een rechtverkrijgende is die voor de toepassing van het tarief met een rechtverkrijgende in de rechte lijn wordt gelijkgesteld.

Onder gezinswoning wordt voor de toepassing van deze bepaling verstaan de gezamenlijke hoofdverblijfplaats van de erflater en zijn overlevende echtgenoot of samenwonende. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van de samenwoning.

Als gezinswoning wordt eveneens in aanmerking genomen de laatste gezinswoning van de echtgenoten of samenwonenden als aan hun samenwonen een einde is gekomen, hetzij door de feitelijke scheiding van de echtgenoten of van de personen die overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek samenwonen, hetzij door een geval van overmacht dat tot op het ogenblik van het overlijden heeft voortgeduurd, hetzij door de verplaatsing van de hoofdverblijfplaats van één van de of van beide betrokkenen naar een rust- of verzorgingsinstelling, of een serviceflatgebouw of een woningcomplex met dienstverlening.

De schulden en de begrafeniskosten worden bij voorrang aangerekend op de roerende goederen en op de goederen vermeld in artikel 60bis, tenzij de aangevers bewijzen dat het schulden betreft die specifiek werden aangegaan om onroerende goederen te verwerven of te behouden.

Als de langstlevende echtgenoot of samenwonende een deel verkrijgt in de gezinswoning, wordt zijn aandeel in de schulden van de nalatenschap die specifiek werden aangegaan om die woning te verwerven of te behouden evenwel steeds bij voorrang aangerekend op de waarde van zijn deel in de gezinswoning.

Als er voor de langstlevende echtgenoot of samenwonende die een deel in de gezinswoning verkrijgt, na de toepassing van de vorige twee leden schulden overblijven, worden die eerst aangerekend op de overblijvende waarde van de aan het tarief onderworpen onroerende goederen, vervolgens op de overblijvende waarde van het roerend actief en de goederen vermeld in artikel 60bis, en ten slotte op de overblijvende waarde van dat deel in de gezinswoning.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder samenwonenden verstaan :

1° de persoon, die op de dag van het openvallen van de nalatenschap overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, met de erflater wettelijk samenwoont;

2° de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. De afwijking vermeld in het derde lid is echter alleen van toepassing voor de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste drie jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater, aansluitend op de bedoelde periode van één of drie jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding ».

B.1.2. Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij artikel 45 van het Vlaamse decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 en zoals gewijzigd bij artikel 57 van het Vlaamse decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, bepaalt :

« Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor de verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien hij bewijst, door alle middelen met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.

Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkrijging tussen echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek, of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.

Een verkrijging tussen personen waartussen een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn. Voor de toepassing van deze bepaling wordt zulk een relatie geacht te bestaan of te hebben bestaan wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder ».

B.2.1. De memorie van toelichting bij het voormelde decreet van 21 december 2001 vermeldt :

« Zoals artikel 50, tweede lid, nu geredigeerd is, wordt het tarief rechte lijn enkel toegepast op verkrijgingen door de kinderen ' van de langstlevende echtgenoot van de overleden echtgenoot '. Gelet op die formulering is de volgorde van overlijden van de stiefouder en de ouder bepalend voor het tarief dat toepasselijk is in de relatie stiefouder-stiefkind. Sterft de stiefouder vóór de ouder van het stiefkind, dan is het legaat van die stiefouder aan zijn stiefkind onderworpen aan het tarief rechte lijn. In het tegenovergestelde geval is dit legaat, in principe, onderworpen aan het tarief ' tussen alle andere personen '. Vermits een duidelijke tekst geen interpretatie behoeft, kon de administratie niet anders dan dat lid in de voormelde zin toe te passen.

Bovendien wordt in die bepaling geen rekening gehouden met de mogelijkheid van vooroverlijden van het stiefkind. Als het een legaat gemaakt heeft aan zijn stiefouder, wordt dat legaat aan het tarief ' tussen anderen ' belast.

De nieuwe tekst lost die onvolkomenheden in de oude tekst op door de verkrijgingen tussen een stiefouder en een stiefkind gelijk te stellen met een verkrijging in de rechte lijn.

Rekening houdend met de verbreiding van samenlevingsvormen buiten het huwelijk wordt in de nieuwe tekst van artikel 50 ook een gelijkstelling met een verkrijging ' in de rechte lijn ' voorzien, wanneer het gaat om een verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater. Hier moet ' samenwoont ' begrepen worden in de betekenis die er in artikel 48 wordt aan gegeven. Dezelfde gelijkstelling wordt voorzien wanneer het gaat om een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. Hier kan men uiteraard niet terugvallen op de definitie van samenwonen in artikel 48 (het betreft geen samenwonen met de erflater). Daarom wordt geëxpliciteerd wat in de context van deze gelijkstelling onder samenwonen dient te worden verstaan » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 865/1, p. 26).

B.2.2. Voor de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement verklaarde de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening :

« Met artikel 43 heft de Vlaamse regering een bestaande discriminatie in het Wetboek van Successierechten op.

Volgens de huidige reglementering, van toepassing in het Vlaamse Gewest, wordt een legaat dat door een stiefouder wordt gemaakt in het voordeel van een stiefkind enkel onderworpen aan het voordelige tarief rechte lijn, wanneer de biologische ouder, die met de stiefouder gehuwd is, nog in leven is. Wanneer die biologische ouder vooroverleden is, wordt dit legaat onderworpen aan het veel hogere tarief dat geldt voor verkrijgingen tussen niet-verwanten.

Met de voorliggende tekst worden alle verkrijgingen tussen stiefouders en stiefkinderen onderworpen aan het voordelige tarief rechte lijn, ongeacht of de biologische ouder nog in leven is.

De Vlaamse regering meent ook dat de gelijkschakeling tussen gehuwden en samenwonenden die vanaf 1 januari 2001 in de Vlaamse successierechten werd ingevoerd, verder moet doorgetrokken worden. Zo kunnen de stiefouder en de biologische ouder zowel gehuwd als samenwonend zijn. Dit heeft dus geen belang voor de toepassing van het tarief rechte lijn op verkrijgingen tussen stiefouders en stiefkinderen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 865/15, p. 6).

B.3. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling dat bestaat tussen, enerzijds, de kinderen van een persoon die met de erflater samenwoont op de dag van het openvallen van de nalatenschap en, anderzijds, de kinderen van een persoon die met de erflater samenwoonde, maar die was overleden op de dag van het openvallen van de nalatenschap : terwijl de verkrijging tussen de eerste categorie van personen en de erflater wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn, is dat niet het geval voor de verkrijging tussen de tweede categorie van personen en de erflater.

B.4. Kinderen van een vooroverleden persoon die met de erflater samenwoonde, kunnen niet de gelijkstelling met een verkrijging in de rechte lijn genieten vanwege de definitie van samenwonenden in artikel 48, § 2, laatste lid, van het Wetboek der successierechten. Luidens die bepaling wordt onder « samenwonenden » verstaan « de persoon of personen die op de dag van het openvallen van de nalatenschap, ten minste één jaar ononderbroken met de erflater samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren ». Wanneer de persoon die met de erflater samenwoonde, was overleden op de dag van het openvallen van de nalatenschap, dan is aan die voorwaarde niet voldaan.

B.5. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of de ouder die met de erflater samenwoont, al dan niet vóór de erflater overlijdt.

B.6. In de memorie van toelichting bij artikel 15 van het Vlaamse decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997 wordt de gelijkstelling van de vererving tussen stiefouder en stiefkind met een verkrijging in de rechte lijn als volgt verantwoord :

« Deze hervorming heeft eveneens tot doel om de relatie stiefouder-stiefkind voor het percentage van de successierechten op een gelijke wijze te behandelen als de relatie in rechte lijn of tussen echtgenoten. De relatie tussen stiefouders en stiefkinderen kan immers zeer hecht zijn. Vaak zullen deze gedurende geruime tijd samengeleefd hebben. Hierbij kan eveneens, bij wijze van voorbeeld van deze bijzondere band, verwezen worden naar artikel 203, § 2 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel voorziet in een onderhoudsplicht van de stiefouder t.a.v. de stiefkinderen. In artikel 345 BW zijn de leeftijdsvoorwaarden voor adoptie minder streng indien het om een adoptie van een stiefkind gaat.

Het Burgerlijk Wetboek beschouwt echter het stiefkind nooit als een erfgenaam van de stiefouder. Dit betekent dat de stiefouder slechts d.m.v. een testament of een schenking het geheel of een deel van zijn of haar vermogen aan het stiefkind kan toekennen. Dit impliceert derhalve steeds een wilsuiting van [de] stiefouder.

Deze bijzondere band waarvan de uitdrukkelijke wilsuiting het bewijs vormt, rechtvaardigt deze gelijke behandeling met de rechte lijn of tussen echtgenoten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1996-1997, nr. 428/1, p. 6).

B.7. Bij zijn arrest nr. 186/2002 van 19 december 2002 heeft het Hof geoordeeld dat die bijzondere band kan blijven bestaan na het overlijden van de natuurlijke ouder :

« B.4. Het successierechtelijk verschil in behandeling tussen stiefkinderen berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet voorafgaandelijk overlijden van de stiefouder-erflater ten opzichte van de natuurlijke ouder van de erfgenamen met wie hij was gehuwd.

Het Hof ziet niet in welke de pertinentie van het aldus gemaakte onderscheid voor het bepalen van het tarief der successierechten zou kunnen zijn. Indien de band die tussen stiefouder en stiefkind of stiefkinderen kan zijn ontstaan tijdens het huwelijk van die stiefouder en de natuurlijke ouder, kan verantwoorden dat de stiefkinderen voor het successierechtelijk tarief worden gelijkgesteld met erfgenamen in rechte lijn, dan is het ter zake niet pertinent dat voordeel te ontzeggen aan de stiefkinderen wanneer de stiefouder-erflater overlijdt na hun natuurlijke ouder. Immers, wanneer de overlevende stiefouder de kinderen van zijn echtgenoot als erfgenamen heeft aangewezen, heeft hij doen blijken van het behoud van de bijzondere band tussen hen, die aan de basis ligt van de successierechtelijke gelijkstelling van de stiefkinderen met de erfgenamen in rechte lijn ».

B.8. Artikel 45 van het voormelde decreet van 21 december 2001 had die ongrondwettigheid reeds verholpen door de verkrijgingen tussen een stiefouder en een stiefkind gelijk te stellen met een verkrijging in de rechte lijn, ongeacht de volgorde van overlijden van de stiefouder en de ouder.

B.9. Rekening houdend met het wijdverspreide karakter van samenlevingsvormen buiten het huwelijk, wenste de decreetgever die gelijkstelling met een verkrijging in de rechte lijn toe te kennen ongeacht het feit of de betrokkenen gehuwd waren of samenwoonden. De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening verklaarde dienaangaande dat « de stiefouder en de biologische ouder zowel gehuwd als samenwonend [kunnen] zijn » en dat dit « geen belang [heeft] voor de toepassing van het tarief rechte lijn op verkrijgingen tussen stiefouders en stiefkinderen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2001-2002, nr. 865/15, p. 6). Tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 57 van het voormelde decreet van 20 december 2002 werd opgemerkt dat de Vlaamse decreetgever met het decreet van 21 december 2001 « de verkrijging tussen stiefkinderen en stiefouders (en de equivalent daarvan in relaties tussen samenwonenden) » wenste over te hevelen naar de laagste tariefcategorie (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1438/1, p. 23).

B.10. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de decreetgever de verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind en de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont, en de erflater op dezelfde wijze wenste te behandelen. De in het geding zijnde bepaling, in samenhang gelezen met artikel 48, § 2, van het Wetboek der successierechten, heeft evenwel tot gevolg dat, terwijl de verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn, ongeacht de volgorde van overlijden van de stiefouder en de ouder, dat niet het geval is voor de verkrijging van een kind van een persoon die met de erflater samenwoont. In dat laatste geval geldt de gelijkstelling met een verkrijging in de rechte lijn niet wanneer de persoon die met de erflater samenwoonde, is overleden voorafgaand aan het overlijden van de erflater.

B.11. Het in B.3 vermelde verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord.

B.12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, zoals vervangen bij artikel 45 van het Vlaamse decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 en zoals gewijzigd bij artikel 57 van het Vlaamse decreet van 20 december 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december 2012.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

begin e

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 50 van het Wetboek der successierechten, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht

  • Successierechten

  • Tarief rechte lijn

  • 1. Stiefkinderen

  • 2. Kinderen van een persoon die met de erflater samenwoont

  • Voorwaarde

  • Samenwoning op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap.