- Arrest van 28 februari 2013

28/02/2013 - 19/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 25 januari 2012 in zake M.A. tegen de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 31 januari 2012, heeft de Arbeidsrechtbank te Hoei de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het de personen die voor meer dan 50 pct. arbeidsongeschikt worden verklaard en die op het ogenblik van de verklaring van arbeidsongeschiktheid bij het ziekenfonds, een beroepsactiviteit blijven uitoefenen, niet toelaat de uitzondering te genieten die is bepaald bij artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 100 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : ZIV-wet), zoals het van toepassing was op het bodemgeschil, bepaalde :

« § 1. Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze gecoördineerde wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort, door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding.

Vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt niet beschouwd als werkzaamheid, voor zover de adviserende geneesheer vaststelt dat deze activiteiten verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand van de betrokkene.

Indien die werknemer bovendien een beroepsopleiding heeft verworven tijdens een tijdvak van herscholing, wordt met die nieuwe opleiding rekening gehouden ter waardering van de vermindering van zijn vermogen tot verdienen. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de termijn binnen welke de arbeidsongeschiktheid opnieuw geëvalueerd wordt na een programma van beroepsherscholing.

Nochtans wordt die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne.

Is een werknemer opgenomen in een door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, erkende verplegingsinrichting of in een militair ziekenhuis, dan wordt aangenomen dat hij de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt.

De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, de voorwaarden verruimen waaronder wordt aangenomen dat een werknemer de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt.

De Koning kan, op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen en in afwijking van de voorafgaande bepalingen, bijzondere voorwaarden en specifieke evaluatiecriteria vaststellen voor de categorieën van werknemers die Hij bepaalt.

§ 2. Wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die, onder de voorwaarden bepaald in de in artikel 80, 5°, bedoelde verordening, een vooraf toegelaten arbeid hervat op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 pct. behoudt ».

B.2. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of paragraaf 2 van artikel 100 van de ZIV-wet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die bepaling de personen die voor meer dan 50 pct. arbeidsongeschikt worden verklaard en die, op het ogenblik van de verklaring van arbeidsongeschiktheid bij het ziekenfonds, een beroepsactiviteit blijven uitoefenen, niet toelaat de daarin bepaalde uitzondering te genieten.

B.3.1. Het staat in beginsel aan het verwijzende rechtscollege om na te gaan of het nuttig is aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de bepalingen die het van toepassing acht op het geschil. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen niet op de vraag in te gaan.

B.3.2. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de eisende partij voor de verwijzende rechter in de hoedanigheid van verpleegster werkte a rato van 19 uur per week en in de hoedanigheid van verkoopster a rato van 16 uur per week. Zij werd wegens een burn-out ongeschikt verklaard om haar betrekking van verpleegster te blijven bekleden. Die arbeidsongeschiktheid betrof niet haar baan als verkoopster, die zij is blijven uitoefenen.

B.3.3. Hieruit blijkt dat de eisende partij in het bodemgeschil niet voldoet aan twee van de drie cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van artikel 100, § 1, van de ZIV-wet : allereerst is haar vermogen tot verdienen niet afgenomen met ten minste twee derde; vervolgens heeft zij haar werkzaamheden niet onderbroken.

De prejudiciële vraag heeft slechts betrekking op één van de twee niet-vervulde voorwaarden, namelijk het onderbreken van de werkzaamheden. Het is overigens op grond van de andere voorwaarde, de onvoldoende afname van het vermogen tot verdienen, dat de adviserende geneesheer van de ziekteverzekeraar heeft geoordeeld dat de eiseres in het bodemgeschil niet arbeidsongeschikt kon worden verklaard in de zin van artikel 100, § 1, van de ZIV-wet.

Evenwel kan het in het geding zijnde artikel 100, § 2, van de ZIV-wet slechts worden toegepast nadat eerst toepassing is gemaakt van artikel 100, § 1, van dezelfde wet.

B.4. De prejudiciële vraag behoeft derhalve geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hoei. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Ziekte- en invaliditeitsverzekering

  • Arbeidsongeschiktheid

  • Personen die voor meer dan 50 pct. arbeidsongeschikt worden verklaard en die, op het ogenblik van de verklaring van arbeidsongeschiktheid bij het ziekenfonds, een beroepsactiviteit blijven uitoefenen.