- Arrest van 28 februari 2013

28/02/2013 - 22/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, waarnemend voorzitter, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 218.341 van 8 maart 2012 in zake Jean Pierre Bleyen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 maart 2012, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre artikel 5, § 4, 2°, van de voornoemde wet van 8 juni 2006 geldt voor zowel de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag van personen om activiteiten uit te oefenen als wapenhandelaar of als tussenpersoon of een beroep uit te oefenen dat het voorhanden hebben van vuurwapens impliceert, als voor de beoordeling van de voorwaarde in dewelke een persoon moet verkeren die een aanvraag indient om een vuurwapen voorhanden te hebben ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, juncto artikel 5, § 4, 2°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (hierna : Wapenwet).

B.2.1. Op grond van artikel 11, § 1, van de Wapenwet is het particulieren verboden een vergunningsplichtig vuurwapen of de daarbij horende munitie voorhanden te hebben zonder een voorafgaande vergunning verleend door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de verzoeker, na advies van de korpschef van de lokale politie. Die vergunning wordt slechts verleend onder bepaalde voorwaarden die zijn voorgeschreven in paragraaf 3 van hetzelfde artikel, onder meer de voorwaarde niet te zijn veroordeeld als dader van of als medeplichtige aan een van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 1° tot 4°, van de Wapenwet.

Het vermelde artikel 5, § 4, van de wet bepaalt van welke personen de aanvragen voor de erkenning als wapenhandelaar of als tussenpersoon onontvankelijk zijn. Onder 2°, b), van die bepaling worden vermeld de personen die als dader of medeplichtige veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven bepaald in de artikelen 101 tot 135quinquies, 193 tot 214, 233 tot 236, 269 tot 274, 313, 322 tot 331, 336, 337, 344, 345, 347bis, 392 tot 415, 423 tot 442, 461 tot 488, 510 tot 518 en 520 tot 525 van het Strafwetboek.

B.2.2. De in artikel 5, § 4, 2°, b), vermelde lijst werd inmiddels vervangen bij artikel 4, 2°, van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (Belgisch Staatsblad, 22 augustus 2008, eerste editie) en omvat thans de misdrijven bepaald in de artikelen 101 tot 135quinquies, 136bis tot 140, 193 tot 226, 233 tot 236, 246 tot 249, 269 tot 282, 313, 322 tot 331bis, 336, 337, 347bis, 372 tot 377, 392 tot 410, 417ter tot 417quinquies, 423 tot 442ter, 461 tot 488bis, 491 tot 505, 510 tot 518, 520 tot 525, 528 tot 532bis en 538 tot 541 van het Strafwetboek. Die wijziging werd als volgt verantwoord :

« De in het Strafwetboek vervatte lijst van strafbare feiten waarbij een veroordeelde geen aanvraag mag indienen om een vuurwapenvergunning te verkrijgen, wordt uitgebreid met alle misdrijven waarbij sprake is van geweldpleging en misbruik van vertrouwen » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0474/001, p. 5).

B.3. Het Hof is ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de Wapenwet met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling de wapenhandelaars, de tussenpersonen of anderen die een beroep uitoefenen dat het voorhanden hebben van vuurwapens impliceert, op dezelfde wijze behandelt als de personen die wegens een ander oogmerk een vuurwapen voorhanden willen hebben. Voor beide categorieën van personen heeft een veroordeling voor een van de in artikel 5, § 4, 2°, van de Wapenwet opgesomde misdrijven immers steeds de onontvankelijkheid van de aanvraag van een wapenvergunning als gevolg, zowel indien die veroordeling betrekking had op een geweldmisdrijf als indien zij betrekking had op een misdrijf van misbruik van vertrouwen.

B.4. Het Hof kan een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer twee categorieën van personen die zich in situaties bevinden die, ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel, wezenlijk verschillend zijn, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

B.5. Met de aanneming van de in het geding zijnde wet van 8 juni 2006 wilde de wetgever de wapenwetgeving in overeenstemming brengen met de Europese richtlijn van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, en antwoorden op een aantal kritische opmerkingen over de bestaande wetgeving die met name betrekking hadden op :

« - de toename van het aantal categorieën wapens, met een soms onduidelijke inhoud;

- de versnippering van de bevoegdheden tussen meerdere autoriteiten die beslissingsmacht hebben;

- bepalingen die weinig respect hebben voor de vereisten in verband met de openbare veiligheid, zoals het behouden van de vrije wapenverkoop, het ontbreken van voldoende traceerbaarheid of de strikte omkadering van het beroep van wapenhandelaar of wapenfabrikant » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/003, p. 4).

B.6. Wat meer bepaald de voorwaarden betreft waaronder een wapenvergunning kan worden verkregen, zoals zij uit de in de prejudiciële vraag beoogde bepaling volgen, wilde de wetgever elke vorm van willekeur en subjectiviteit vermijden in zoverre sommige van die voorwaarden, hoewel deze niet nieuw waren, niet correct werden toegepast (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/001, p. 26).

De aanneming van artikel 5, waarnaar artikel 11 verwijst, werd als volgt verantwoord in de memorie van toelichting :

« Deze bepaling maakt het mogelijk beter te voldoen aan de Europese regelgeving. Hierbij werd uitgegaan van een analoge bepaling in de recent aangepaste wetgeving op de bewakingsondernemingen (wet van 10 juni 2001 tot wijziging van de wet van 10 april 1990).

[...]

In de bestaande erkenningscriteria worden tenslotte enkele aanpassingen aangebracht die tot doel hebben de risico's voor de openbare orde tot het minimum te herleiden. Zo wordt de toegang tot het beroep nu ook ontzegd aan zij die voor de bestaande reeks opgesomde misdrijven werden veroordeeld tot een straf lichter dan drie maanden gevangenisstraf. Deze lijst wordt uitgebreid met de onverenigbare misdrijven bepaald in de zeer verwante wetgevingen inzake private bewaking en privé-detectives, die op hun beurt de toegang tot deze beroepen ontzeggen aan personen veroordeeld voor inbreuken op de wapenwetgeving. Tot slot wordt ook rekening gehouden met de recente mogelijkheid dat ook rechtspersonen die een erkenning als wapenhandelaar vragen, zelf kunnen zijn veroordeeld wegens de genoemde inbreuken » (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/001, pp. 22-23).

B.7. Op grond van de gezamenlijke lezing van de artikelen 11, § 3, en 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet, zoals zij luidden vóór de wijziging ervan bij wet van 25 juli 2008, wordt een wapenvergunning geweigerd aan personen die als dader of medeplichtige veroordeeld zijn wegens een van de misdrijven bepaald in de artikelen 101 tot 135quinquies, 193 tot 214, 233 tot 236, 269 tot 274, 313, 322 tot 331, 336, 337, 344, 345, 347bis, 392 tot 415, 423 tot 442, 461 tot 488, 510 tot 518 en 520 tot 525 van het Strafwetboek.

Die misdrijven stemmen overeen met degene die - als uitsluitingsgrond voor de erkenning als wapenhandelaar - werden opgenomen in artikel 1, § 2, 2°, b), van de wet van 3 januari 1933 « op de vervaardiging van, den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie », zoals gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 30 januari 1991 (Belgisch Staatsblad, 21 september 1991) en bij artikel 6 van de wet van 10 januari 1999 (Belgisch Staatsblad, 26 februari 1999).

Uit de memorie van toelichting bij de voormelde wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wet van 3 januari 1933 blijkt de wil van de wetgever om geen vergunning te verlenen aan een particulier van wie de integriteit twijfelachtig is, wat vooraf dient te worden gecontroleerd :

« De artikelen 1 en 2 van de wet van 3 januari 1933 stellen geen enkele voorafgaande controle in voor de uitoefening van een economische activiteit met betrekking tot wapens en munitie. Daardoor is het niet mogelijk een voorafgaande controle uit te oefenen op de eerbaarheid van een particulier en kan de overheid geen particulier waarvan de integriteit twijfelachtig is, uitsluiten uit deze commerciële sector waarvan de weerslag op de openbare veiligheid niet meer moet bewezen worden » (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 978/1, p. 2).

Daaraan werd toegevoegd dat de aanvragen tot erkenning ingediend door personen tegen wie gerechtelijke beslissingen genomen zijn wegens feiten die hun bekwaamheid om dergelijke activiteiten uit te oefenen in het geding brengen, in principe zonder onderzoek worden afgewezen (ibid., p. 3).

B.8.1. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de maatregel waardoor een wapenvergunning wordt geweigerd aan de persoon die is veroordeeld wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, b), van de Wapenwet, waaronder, zoals te dezen, het misdrijf van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken, tegemoetkomt aan de zorg van de wetgever om te voorkomen dat een vergunning wordt verleend aan personen die zijn veroordeeld voor feiten die de dader of medeplichtige als onbetrouwbaar doen overkomen voor het bezit van een wapenvergunning. De omstandigheid dat de personen die om een ander oogmerk een vuurwapen willen hebben dan de wapenhandelaars, de tussenpersonen en de personen die vanwege hun beroep een vuurwapen moeten bezitten, geen wapenvergunning aanvragen met het oog op gewin, wijzigt niets aan die vaststelling.

B.8.2. Hoewel de onmogelijkheid om nog een ontvankelijke aanvraag voor een wapenvergunning in te dienen, een zekere beperking van de persoonlijke levenssfeer impliceert, maakt zij het uitoefenen van jachtactiviteiten niet onmogelijk. Krachtens artikel 12 van de Wapenwet staat die mogelijkheid open voor personen die zijn veroordeeld voor een van de misdrijven opgesomd in artikel 5, § 4, 1° tot 4°, van de Wapenwet, zij het dat zij daartoe slechts een beperkt aantal vuurwapens kunnen aanwenden.

De wetgever heeft die gunstigere regeling verantwoord door het feit dat die categorieën van personen een groep van wapenbezitters vormen waarmee de overheid geen problemen heeft, in tegenstelling tot de personen die vuurwapens kopen zonder enige vorm van controle, noch op de geldige reden die zij al dan niet daarvoor hebben, noch op hun geschiktheid om met een wapen om te gaan (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/003, p. 5).

B.9. Rekening houdend met het doel van bescherming van de openbare veiligheid dat de wetgever wilde nastreven, is de maatregel niet zonder redelijke verantwoording.

De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, gesteld door de Raad van State. Wapens

  • Voorhanden hebben van wapens

  • Vergunning

  • Voorwaarden

  • Afwezigheid van veroordeling wegens bepaalde misdrijven.