- Arrest van 28 februari 2013

28/02/2013 - 25/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, zoals gewijzigd bij artikel 32 van de wet van 31 mei 2001, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de personeelsleden ten aanzien van wie de tuchtraad een zwaardere tuchtstraf voorstelt dan het oorspronkelijke strafvoorstel van de hogere tuchtoverheid, niet de mogelijkheid hebben om bij die tuchtoverheid een schriftelijk verweer in te dienen tegen de voorgestelde strafverzwaring wanneer die hogere tuchtoverheid zich bij dat voorstel aansluit.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij een arrest in zake W.V. tegen de politiezone X, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 4 april 2012, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de personeelsleden, tegen wie de tuchtraad een zwaardere straf voorstelt dan het oorspronkelijk strafvoorstel van de tuchtoverheid en waarbij de tuchtoverheid zich vervolgens aansluit, anders behandelt dan de personeelsleden die het voorwerp zijn van een beslissing van de tuchtoverheid om af te wijken van het strafvoorstel van de tuchtraad ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna : de wet van 13 mei 1999) maakt een onderscheid tussen de gewone tuchtoverheden en de hogere tuchtoverheden. De gewone tuchtoverheden leggen de lichte tuchtstraffen op. De hogere tuchtoverheden kunnen zowel de lichte als de zware tuchtstraffen opleggen (artikel 17).

De in het geding zijnde bepaling heeft betrekking op de procedure voor de hogere tuchtoverheden. Die procedure houdt onder meer in dat, wanneer de hogere tuchtoverheid voorstelt om één van de zware tuchtstraffen uit te spreken, zij het betrokken personeelslid daarvan op de hoogte dient te brengen, waarna dat personeelslid een verzoek tot heroverweging kan instellen bij de tuchtraad (artikelen 38sexies en 51bis). Wanneer zulk een verzoek wordt ingesteld, verstrekt de tuchtraad een met redenen omkleed advies, waarbij die raad onder meer de mogelijkheid heeft om een andere tuchtstraf voor te stellen dan die welke oorspronkelijk door de hogere tuchtoverheid werd voorgesteld (artikel 52). Het advies van de tuchtraad wordt binnen dertig dagen na het sluiten van de debatten ter kennis gebracht van het betrokken personeelslid en van de hogere tuchtoverheid (artikel 53). Daarna staat het aan de hogere tuchtoverheid een uitspraak te doen, die bij afgifte tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief aan het betrokken personeelslid dient te worden medegedeeld binnen dertig dagen nadat haar het advies van de tuchtraad werd toegestuurd, of nadat zij, overeenkomstig artikel 54 van dezelfde wet, het laatste schriftelijk verweer heeft ontvangen (artikel 55).

B.2. Artikel 54 van de wet van 13 mei 1999, zoals gewijzigd bij artikel 32 van de wet van 31 mei 2001, bepaalt :

« Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, dan moet zij de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van de betrokkene. Deze kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval ».

B.3. Het Hof wordt gevraagd of die bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de personeelsleden ten aanzien van wie de tuchtraad een zwaardere straf voorstelt dan het oorspronkelijke strafvoorstel van de tuchtoverheid, waarbij de tuchtoverheid zich vervolgens aansluit, anders behandelt dan de personeelsleden die het voorwerp zijn van een beslissing van de tuchtoverheid om af te wijken van het strafvoorstel van de tuchtraad.

B.4. Rekening houdend met de motivering van de verwijzingsbeslissing en met de feiten die ten grondslag liggen aan die beslissing, heeft het verschil in behandeling dat aan het Hof wordt voorgelegd betrekking op het feit dat de in het geding zijnde bepaling voor de tweede categorie van personeelsleden voorziet in de mogelijkheid om een schriftelijk verweer te voeren tegen het voornemen van de hogere tuchtoverheid om een zwaardere tuchtstraf uit te spreken dan die welke werd geadviseerd door de tuchtraad, terwijl niet is voorzien in zulk een verweermogelijkheid wanneer de tuchtraad een zwaardere tuchtstraf adviseert dan die welke oorspronkelijk door de hogere tuchtoverheid werd voorgesteld en de hogere tuchtoverheid zich vervolgens bij dat advies aansluit.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat verschil in behandeling.

B.5. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, zijn de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van personeelsleden voldoende vergelijkbaar ten aanzien van de in het geding zijnde regeling. Beide categorieën worden immers geconfronteerd met een voorstel van tuchtstraf die zwaarder is dan die welke oorspronkelijk werd voorgesteld. De omstandigheid dat dat voorstel uitgaat van verschillende instanties die op verschillende ogenblikken optreden in de tuchtprocedure - de tuchtraad dan wel de hogere tuchtoverheid - is niet van dien aard dat tot de onvergelijkbaarheid van de bedoelde categorieën kan worden besloten.

B.6. In principe houdt het recht van verdediging in dat niets wat medebepalend kan zijn voor de beslissing van de bevoegde overheid aan het op tegenspraak gevoerde debat onttrokken mag blijven.

B.7. Sinds de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij de wet van 31 mei 2001, is de hogere tuchtoverheid op geen enkele wijze gebonden door het advies van de tuchtraad, noch wat de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid betreft, noch wat de kwalificatie van die feiten als tuchtvergrijp betreft, noch wat de voorgestelde tuchtstraf betreft.

Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, moet zij wel de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van het betrokken personeelslid.

B.8.1. Door te voorzien in het mogelijke optreden van een door een magistraat voorgezeten onafhankelijk adviesorgaan, meer bepaald de tuchtraad, heeft de wetgever het personeelslid dat een zware tuchtsanctie riskeert bijkomende waarborgen willen bieden (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1965/1, p. 3). Met het optreden van dat onafhankelijk orgaan werd een beter evenwicht beoogd tussen, enerzijds, de vraag naar een onpartijdige en onafhankelijke instantie en, anderzijds, het gegeven dat in ambtenarenzaken diegenen die verantwoordelijk zijn voor de goede werking van de dienst zich in de juiste positie bevinden om te oordelen over tekortkomingen ten aanzien van de eer of de waardigheid van het ambt.

B.8.2. Ofschoon het advies van de tuchtraad in het algemeen kan worden beschouwd als een bijkomende waarborg voor het betrokken personeelslid, kan het voor dat personeelslid echter ook een nadelige invloed hebben, meer bepaald wanneer erin een zwaardere tuchtsanctie wordt aanbevolen dan oorspronkelijk door de hogere tuchtoverheid was voorgesteld en in zoverre dat advies vervolgens door de hogere tuchtoverheid wordt gevolgd.

B.9. Zoals in herinnering is gebracht in B.1, bepaalt artikel 53 van de wet van 13 mei 1999 dat het met redenen omklede advies van de tuchtraad binnen dertig dagen na het sluiten van de debatten ter kennis dient te worden gebracht, niet alleen van de hogere tuchtoverheid, maar ook van het betrokken personeelslid. Ofschoon het personeelslid ervan op de hoogte moet worden gebracht, voorziet de wet van 13 mei 1999 niet in een mogelijkheid voor het personeelslid om het advies en de erin opgenomen motieven te betwisten.

B.10. Krachtens de in het geding zijnde bepaling kan het betrokken personeelslid wel een schriftelijk verweer indienen wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies van de tuchtraad. In die mogelijkheid is niet voorzien wanneer de hogere tuchtoverheid het advies van de tuchtraad volgt.

B.11. Vermits het ten aanzien van de rechtspositie van het betrokken personeelslid geen verschil uitmaakt of een verzwaring van de oorspronkelijk voorgestelde tuchtstraf het gevolg is van het advies van de tuchtraad dat de hogere tuchtoverheid voornemens is te volgen, dan wel van het voornemen van de hogere tuchtoverheid om af te wijken van het advies van de tuchtraad, is het niet redelijk verantwoord dat de betrokkene in het ene geval de mogelijkheid wordt geboden om zich schriftelijk tegen het voorstel tot verzwaring te verweren en in het andere geval niet.

B.12. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, kan de omstandigheid dat het betrokken personeelslid, na ontvangst van het advies van de tuchtraad, op niet-formele wijze een verweerschrift zou kunnen indienen bij de hogere tuchtoverheid, het in het geding zijnde verschil in behandeling niet verantwoorden. De bepalingen van de wet van 13 mei 1999 voorzien immers niet in een termijn waarbinnen zulk een verweerschrift zou moeten worden ingediend, en verhinderen de hogere tuchtoverheid bijgevolg niet om onmiddellijk na ontvangst van het advies van de tuchtraad een uitspraak te vellen waarmee dat advies wordt gevolgd. Bovendien zou, vermits het voormelde verweerschrift een niet-formeel procedurestuk betreft, twijfel kunnen rijzen over de vraag of de hogere tuchtoverheid is gehouden om dat procedurestuk in overweging te nemen en erop te antwoorden.

B.13. In zoverre de personeelsleden ten aanzien van wie de tuchtraad een zwaardere tuchtstraf voorstelt dan het oorspronkelijke strafvoorstel van de hogere tuchtoverheid, niet de mogelijkheid hebben om bij die tuchtoverheid een schriftelijk verweer in te dienen tegen de voorgestelde strafverzwaring wanneer de hogere tuchtoverheid zich aansluit bij dat voorstel, is de in het geding zijnde bepaling niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.14. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, zoals gewijzigd bij artikel 32 van de wet van 31 mei 2001, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de personeelsleden ten aanzien van wie de tuchtraad een zwaardere tuchtstraf voorstelt dan het oorspronkelijke strafvoorstel van de hogere tuchtoverheid, niet de mogelijkheid hebben om bij die tuchtoverheid een schriftelijk verweer in te dienen tegen de voorgestelde strafverzwaring wanneer die hogere tuchtoverheid zich bij dat voorstel aansluit.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 54 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, gesteld door de Raad van State. Geïntegreerde politiedienst

  • Tuchtregeling voor politieambtenaren

  • Tuchtprocedure voor de hogere tuchtoverheden

  • Strafvoorstel van de tuchtoverheid

  • Verzoek tot heroverweging bij de tuchtraad

  • Strafvoorstel van de tuchtraad

  • Verzwaring van de oorspronkelijk voorgestelde tuchtstraf

  • 1. Afwijking van het advies van de tuchtraad

  • Mogelijkheid om schriftelijk verweer te voeren

  • 2. Volgen van het advies van de tuchtraad

  • Geen mogelijkheid om schriftelijk verweer te voeren. # Rechten en vrijheden

  • Jurisdictionele waarborgen

  • 1. Contradictoir karakter van de rechtspleging

  • 2. Recht van verdediging.