- Arrest van 28 februari 2013

28/02/2013 - 27/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof verwerpt het beroep.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging

Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 mei 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 mei 2012, heeft Aku Ekpe, wonende te 4020 Luik, rue Fisen 18, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 6 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 februari 2012, tweede editie).

De vordering tot schorsing van dezelfde wet, ingesteld door dezelfde verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 106/2012 van 9 augustus 2012, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 september 2012.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepaling

B.1.1. Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op artikel 6 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers, dat bepaalt :

« In artikel 6, § 1, van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 30 december 2009 worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in het eerste lid worden de woorden ', tweede lid, ' vervangen door de woorden ' en artikel 35/2 ';

b) in hetzelfde lid worden alle woorden volgend op de woorden ' de hele asielprocedure ' opgeheven;

c) het tweede lid wordt opgeheven;

d) het derde lid, dat het tweede lid wordt, wordt vervangen als volgt :

' In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp wanneer de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is. ' ».

B.1.2. Vóór de wijziging ervan bij de bestreden bepaling luidde artikel 6, § 1, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen :

« Onverminderd de toepassing van artikel 4, tweede lid, van de huidige wet, geldt het voor elke asielzoeker vanaf de indiening van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure, met inbegrip van de beroepsprocedure, ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het recht op materiële hulp is eveneens van kracht tijdens de procedure van het administratieve cassatieberoep bij de Raad van State op grond van artikel 20, § 2, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.

Het recht op materiële hulp blijft behouden gedurende de termijnen voor het instellen van de in voorgaande lid bedoelde beroepsprocedures.

In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp :

1° na een termijn van vijf dagen die volgt op de datum waarop een beslissing van een van de organen, bedoeld in het eerste lid, definitief wordt en niet vatbaar voor beroep, als op dat moment de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is;

2° de dag volgend op de dag waarop de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstrijkt als op de datum waarop een beslissing van de organen bedoeld in het eerste lid definitief wordt en niet vatbaar voor beroep, de uitvoeringstermijn om het grondgebied te verlaten nog niet verstreken is maar ten vroegste na een termijn van vijf dagen te rekenen vanaf de bovengenoemde beslissing.

Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.

Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is ».

B.1.3. Als gevolg van de wijziging ervan bij de bestreden bepaling en vóór de wijziging ervan bij de wet van 22 april 2012, luidde artikel 6, § 1, van de wet van 12 januari 2007 als volgt :

« Onverminderd de toepassing van artikel 4 en artikel 35/2 van de huidige wet, geldt het voor elke asielzoeker vanaf de indiening van zijn asielaanvraag en is van kracht gedurende de hele asielprocedure.

In het geval van een negatieve beslissing genomen na afloop van de asielprocedure, eindigt de materiële hulp wanneer de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten, betekend aan de asielzoeker, verstreken is.

Het recht op materiële hulp geldt ook voor de familieleden van de asielzoeker.

Het recht op de materiële hulp eindigt evenwel wanneer een beroep voor de Raad van State wordt ingediend tegen de beslissing van toekenning van de subsidiaire bescherming en van weigering van het vluchtelingenstatuut. Het recht op materiële hulp eindigt eveneens wanneer een machtiging tot verblijf wordt toegekend van meer dan drie maanden op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, aan een persoon van wie de asielprocedure of de procedure voor de Raad van State nog lopende is ».

B.1.4. Sinds de totstandkoming van de bestreden wet werd artikel 6 nogmaals gewijzigd door de wet van 22 april 2012. Daarbij werden in het eerste lid de woorden « artikel 4 en artikel 35/2 » vervangen door de woorden « artikelen 4, 4/1 en 35/2 ».

Die wetswijziging heeft evenwel geen invloed op het onderwerp van het beroep tot vernietiging, dat zich volgens de uiteenzetting van de grieven in het verzoekschrift beperkt tot artikel 6, tweede lid, van de wet van 12 januari 2007, zoals gewijzigd door de wet van 19 januari 2012.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.3. Op het ogenblik dat het beroep tot vernietiging werd ingesteld, had de verzoekende partij een administratieve cassatievoorziening ingesteld bij de Raad van State, tegen de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij het beroep werd verworpen tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij werd geweigerd haar de status van vluchtelinge, alsook het voordeel van de subsidiaire bescherming, toe te kennen. De bestreden bepaling was dus in principe op haar van toepassing.

Uit de toelichting die door de verzoekende partij is gegeven, blijkt niettemin dat zij, op het ogenblik dat zij haar voorziening bij de Raad van State instelde, maatschappelijke dienstverlening genoot die werd toegekend door het OCMW van Luik. Het is eveneens duidelijk dat het OCMW, na een beslissing tot intrekking van de dienstverlening te hebben genomen om reden dat aan de verzoekende partij een bevel was betekend om het grondgebied te verlaten, heeft beslist om die dienstverlening te handhaven, zodat de Arbeidsrechtbank waarbij een beroep was ingesteld tegen de door het OCMW genomen beslissing tot intrekking van de dienstverlening, dat beroep zonder voorwerp heeft verklaard.

B.4. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden bepaling niet op de verzoekende partij is toegepast. Overigens kan die bepaling in de toekomst niet op haar worden toegepast omdat de administratieve cassatievoorziening die zij bij de Raad van State had ingesteld, werd verworpen.

Bijgevolg doet de verzoekende partij niet meer blijken van het belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen.

B.5. Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 februari 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Beroep tot vernietiging van artikel 6 van de wet van 19 januari 2012 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot de opvang van asielzoekers, ingesteld door Aku Ekpe. Bestuursrecht

  • Vreemdelingenrecht

  • Asielzoekers

  • Recht op materiële hulp. # Rechtspleging

  • Beroep tot vernietiging

  • Niet-ontvankelijkheid

  • Gebrek aan belang.