- Arrest van 28 maart 2013

28/03/2013 - 44/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien artikel 26novies, § 3, eerste zin, van dezelfde wet aldus wordt uitgelegd dat de exceptie van niet-tegenwerpelijkheid automatisch wordt ingewilligd wanneer de verplichting om de benoemingsakten van de vertegenwoordigingsbevoegde personen neer te leggen en bekend te maken niet werd nageleefd.

- Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien artikel 26novies, § 3, eerste zin, van dezelfde wet aldus wordt uitgelegd dat de exceptie van niet-tegenwerpelijkheid wordt verworpen wanneer de vereniging aantoont dat de benoeming van de vertegenwoordigingsbevoegde persoon daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zodat de in de vordering beoogde derden reeds kennis ervan hebben gehad.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest nr. 218.297 van 1 maart 2012 in zake de vzw « L'Erablière » tegen het Waalse Gewest, tussenkomende partij : de cvba « Association Intercommunale pour la Protection et la Valorisation de l'Environnement pour la province de Luxembourg », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 maart 2012, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« - Is het in overeenstemming met de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 1 en 10bis van de richtlijn 85/337, dat de mogelijkheid om bepaalde nalatigheden ten aanzien van de aan de vzw's opgelegde openbaarmakingsformaliteiten op retroactieve wijze te regulariseren, waarbij gebruik wordt gemaakt van artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, geldt voor het houden van het register van de leden of voor de neerlegging van de rekeningen van die vzw's, maar is uitgesloten voor andere aan die vzw's opgelegde openbaarmakingsformaliteiten, terwijl de artikelen 1 en 10bis van de richtlijn 85/337 voorzien in een ruime toegang tot het milieucontentieux voor de niet-gouvernementele organisaties inzake milieubescherming, alsook in eerlijke, billijke, snelle en niet buitensporig kostbare procedures, en terwijl artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden een recht op de toegang tot het gerecht en een eerlijke procedure waarborgt ?

- Is artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 in overeenstemming met de voormelde grondwetsbepalingen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. De twee prejudiciële vragen, die in werkelijkheid één enkele vraag vormen, hebben betrekking op de openbaarmakingsverplichtingen waaraan verenigingen zonder winstoogmerk zijn onderworpen, meer bepaald op de gevolgen in geval van niet-naleving van die verplichtingen.

B.2. De in het geding zijnde bepaling, artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen (hierna : VZW-Wet), bepaalt :

« Elke vordering ingesteld door een vereniging die de formaliteiten omschreven in de artikelen 10, 23 en 26novies, § 1, tweede lid, 5°, niet in acht heeft genomen, wordt opgeschort. De rechter bepaalt een termijn waarbinnen de vereniging moet voldoen aan deze verplichtingen. Indien de vereniging niet binnen die termijn aan haar verplichtingen voldoet, is de vordering niet ontvankelijk ».

De in artikel 10 omschreven formaliteit is de verplichting voor de raad van bestuur om op de zetel van de vereniging een register van de leden te houden en aan die leden de mogelijkheid te bieden om dat register, alsook alle notulen, beslissingen en boekhoudkundige stukken van de vereniging, te raadplegen.

De in artikel 23 omschreven formaliteiten zijn de neerlegging op de griffie van de rechtbank van koophandel van alle beslissingen met betrekking tot de ontbinding van de vereniging en de vermelding van de status van « vzw in vereffening » in alle daarop betrekking hebbende documenten.

De in artikel 26novies, § 1, tweede lid, 5°, omschreven formaliteit is de neerlegging op de griffie van de rechtbank van koophandel van de jaarrekeningen van de vereniging.

B.3. In het verenigingsdossier dat op de griffie van de rechtbank van koophandel wordt bijgehouden, dienen niet alleen de reeds vermelde stukken en beslissingen te worden neergelegd. Krachtens artikel 26novies, § 1, tweede lid, van de VZW-Wet bevat het dossier :

« 1° de statuten van de vereniging;

2° de akten betreffende de benoeming of de ambtsbeëindiging van de bestuurders, van de personen aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen, van de personen gemachtigd om de vereniging te vertegenwoordigen en van de commissarissen;

3° [...]

4° de beslissingen betreffende de nietigheid of de ontbinding van de vereniging, de vereffening ervan en de benoeming en de ambtsbeëindiging van de vereffenaars, bedoeld in artikel 23, eerste lid; de rechterlijke beslissingen moeten slechts bij het dossier worden gevoegd als zij in kracht van gewijsde zijn gegaan of uitvoerbaar zijn bij voorraad;

5° de jaarrekening van de vereniging, opgemaakt overeenkomstig artikel 17;

6° de wijzigingen in de in 1°, 2°, 4° en 5°, bedoelde akten, stukken en beslissingen;

7° de gecoördineerde tekst van de statuten na de wijzigingen ervan ».

De in het 1°, 2° en 4° bedoelde akten, stukken en beslissingen, alsook de wijzigingen ervan, dienen, op kosten van de betrokkenen, bij uittreksel in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad te worden bekendgemaakt (artikel 26novies, § 2, eerste lid, van de VZW-Wet).

B.4. De Raad van State ondervraagt het Hof over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 1 en 10bis van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, doordat de erin vervatte sanctie van opschorting en mogelijkheid tot regularisatie binnen een door de rechter bepaalde termijn, alvorens de vordering onontvankelijk kan worden verklaard, slechts geldt wanneer een van de in B.2 vermelde formaliteiten niet werd nageleefd.

B.5. Het niet-naleven van de overige openbaarmakingsformaliteiten kan niet de opschorting van een door de vereniging ingestelde vordering tot gevolg hebben. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat die sanctie, en de daaraan verbonden mogelijkheid tot regularisatie, met name wordt uitgesloten in geval van niet-neerlegging in het verenigingsdossier en niet-bekendmaking in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van de akten betreffende de benoeming van de personen gemachtigd om de vereniging te vertegenwoordigen.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.6. Het niet-naleven van de verplichting om de benoemingsakten van de vertegenwoordigingsbevoegde personen neer te leggen en bekend te maken, kan niet de opschorting van een door de vereniging ingestelde vordering tot gevolg hebben. Het verzuim van openbaarmaking leidt echter niet automatisch tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering.

Artikel 26novies, § 3, eerste zin, van de VZW-Wet bepaalt :

« De akten, de stukken en de beslissingen die krachtens deze titel moeten worden neergelegd, kunnen aan derden slechts worden tegengeworpen vanaf de dag van neerlegging ervan of, indien zij naar luid van deze titel ook moeten worden bekendgemaakt, vanaf de dag van bekendmaking ervan in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad, behalve indien de vereniging aantoont dat die derden reeds kennis ervan hadden ».

Wanneer de vereniging aantoont, nadat een exceptie van niet-tegenwerpelijkheid van de benoemingsakte is opgeworpen, dat de benoeming daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, met name door het voorleggen van de betrokken akte of van de notulen van de vereniging, zodat de in de vordering beoogde derden reeds vóór de openbaarmaking ervan op de hoogte zijn, dient de exceptie te worden verworpen. In dat geval is immers aan het doel van de openbaarmakingsverplichting voldaan, die ertoe strekt de deelnemers aan het rechtsverkeer de zekerheid te bieden dat de vordering tegen hen is ingesteld door het orgaan dat bevoegd is de vereniging extern te vertegenwoordigen.

B.7. Het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op toegang tot de rechter kan aan ontvankelijkheidsvoorwaarden worden onderworpen (EHRM, 19 juni 2001, Kreuz t. Polen, § 54; 11 oktober 2001, Rodriguez Valin t. Spanje, § 22; 10 januari 2006, Teltronic CATV t. Polen, § 47), voor zover ze voorspelbaar zijn en ze er niet toe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast en de rechtsonderhorige wordt verhinderd gebruik te maken van een beschikbaar rechtsmiddel (EHRM, 12 november 2002, Zvolsky en Zvolskss t. Tsjechische Republiek, § 47).

De regels inzake de ontvankelijkheid van een verzoekschrift zijn gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico's van rechtsonzekerheid. De Raad van State dient evenwel erover te waken die regels niet op een overdreven formalistische wijze toe te passen (zie in die zin : EHRM, 20 april 2004, Bulena t. Tsjechische Republiek, §§ 28, 30 en 35; 24 februari 2009, L'Erablière A.S.B.L. t. België, § 38; 5 november 2009, Nunes Guerreiro t. Luxemburg, § 38; 22 december 2009, Sergey Smirnov t. Rusland, §§ 29-32).

B.8. Indien artikel 26novies, § 3, eerste zin, van de VZW-Wet aldus wordt uitgelegd dat de exceptie van niet-tegenwerpelijkheid automatisch wordt ingewilligd wanneer de verplichting om de benoemingsakten van de vertegenwoordigingsbevoegde personen neer te leggen en bekend te maken niet werd nageleefd, is artikel 26 van diezelfde wet niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Indien artikel 26novies, § 3, eerste zin, van de VZW-Wet echter aldus wordt uitgelegd dat de exceptie van niet-tegenwerpelijkheid wordt verworpen wanneer de vereniging aantoont dat de benoeming van de vertegenwoordigingsbevoegde persoon daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zodat de in de vordering beoogde derden reeds kennis ervan hebben gehad, is artikel 26 van diezelfde wet bestaanbaar met de voormelde artikelen.

B.9. Een toetsing aan artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 10bis van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, leidt niet tot een andere conclusie.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien artikel 26novies, § 3, eerste zin, van dezelfde wet aldus wordt uitgelegd dat de exceptie van niet-tegenwerpelijkheid automatisch wordt ingewilligd wanneer de verplichting om de benoemingsakten van de vertegenwoordigingsbevoegde personen neer te leggen en bekend te maken niet werd nageleefd.

- Artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien artikel 26novies, § 3, eerste zin, van dezelfde wet aldus wordt uitgelegd dat de exceptie van niet-tegenwerpelijkheid wordt verworpen wanneer de vereniging aantoont dat de benoeming van de vertegenwoordigingsbevoegde persoon daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, zodat de in de vordering beoogde derden reeds kennis ervan hebben gehad.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 maart 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

R. Henneuse

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 26 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, gesteld door de Raad van State. Economisch recht

  • Vennootschapsrecht

  • VZW

  • Openbaarmakingsverplichtingen

  • Niet-naleven van de verplichting om de benoemingsakten van de vertegenwoordigingsbevoegde personen bekend te maken

  • Sanctie. # Rechten en vrijheden

  • 1. Jurisdictionele waarborgen

  • Recht op toegang tot de rechter

  • 2. Economische, sociale en culturele rechten

  • Recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.