- Arrest van 28 maart 2013

28/03/2013 - 49/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 144ter, §§ 1 en 5, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij vonnis van 21 mei 2012 in zake de Belgische Staat, in de persoon van de minister van Landsverdediging, het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en het openbaar ministerie tegen T.B. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juni 2012, heeft de Correctionele Rechtbank te Dendermonde de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt het artikel 144ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en/of 11 van de Grondwet, nu hierdoor noch de rechtsonderhorige tegen wie de strafvordering [wordt uitgeoefend] door de federale procureur, noch de geadieerde rechter ten gronde nietigheden of bevoegdheidsexcepties kunnen opwerpen/vaststellen, daar waar dit wel kan ingeval de strafvordering wordt uitgeoefend door de procureur des Konings ? »;

« Schenden de artikelen 144ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en 144ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, in hun onderlinge samenhang gelezen, het artikel 12 van de Grondwet, nu artikel 144ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek elke regelmatigheidtoetsing verbiedt van de bevoegdheidscriteria waaraan de federale procureur wordt onderworpen overeenkomstig artikel 144ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek ? »;

« Schenden de artikelen 144ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en 144ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, in hun onderlinge samenhang gelezen met artikel 12 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en/of het artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, nu de artikelen 144ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en/of artikel 144ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtsonderhorige het recht tot toegang tot de rechter ontzegt met betrekking tot de bevoegdheidsregels vervat in artikel 144ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, met betrekking tot de federale procureur ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

De in het geding zijnde bepalingen

B.1. Artikel 144ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket en gewijzigd bij artikel 7 van de wet van 23 april 2003 tot wijziging van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en van artikel 144ter van het Gerechtelijk Wetboek, bij artikel 24 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht en bij artikel 27 van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers, bepaalt :

« § 1. Indien een goede rechtsbedeling het vereist, wordt, behoudens in de gevallen bepaald in de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering en de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, de strafvordering uitgeoefend door de federale procureur voor :

1° de misdrijven welke bedoeld zijn in :

- de artikelen 101 tot 136 van het Strafwetboek;

- de artikelen 331bis, 477 tot 477sexies en 488bis van het Strafwetboek;

- de artikelen 433sexies, 433septies en 433octies van het Strafwetboek en de artikelen 77ter, 77quater en 77quinquies, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

- [...];

2° de misdrijven gepleegd met gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of bedreigingen te bereiken;

3° de misdrijven die in belangrijke mate verschillende rechtsgebieden betreffen of een internationale dimensie hebben, in het bijzonder die van de georganiseerde criminaliteit;

4° de misdrijven gepleegd in het kader van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materiaal en daaraan verbonden technologie in de gevallen waarin de strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie;

5° de misdrijven bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van boek II van het Strafwetboek;

6° de misdrijven die samenhangend zijn met die bedoeld in 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.

§ 2. De procureur des Konings, of in de gevallen bepaald in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering, de procureur-generaal, licht ambtshalve de federale procureur in wanneer hij kennis neemt van een misdrijf bedoeld in § 1. Hij licht bovendien de federale procureur in, telkens als dit voor de uitoefening van de strafvordering door de federale procureur van belang is.

§ 3. In de gevallen bedoeld in § 1 beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings of in de gevallen bedoeld in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering de procureur-generaal, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, genomen na overleg met de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

§ 4. De federale procureur licht de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal in, telkens dit voor de uitoefening van de strafvordering door de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, van belang is.

§ 5. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering kunnen geen nietigheden worden opgeworpen ».

Ten gronde

B.2.1. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 144ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (eerste prejudiciële vraag) en of artikel 144ter, §§ 1 en 5, van hetzelfde Wetboek bestaanbaar is met artikel 12 van de Grondwet (tweede prejudiciële vraag), in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (derde prejudiciële vraag).

B.2.2. De tweede en de derde prejudiciële vraag betreffen artikel 144ter, §§ 1 en 5, van het Gerechtelijk Wetboek. In beide vragen dient het Hof na te gaan of die bepalingen bestaanbaar zijn met, onder meer, artikel 12 van de Grondwet, in zoverre de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur niet kan worden betwist. Bijgevolg dienen beide vragen samen te worden behandeld.

B.2.3. In zoverre de beklaagden aanvoeren dat in het bodemgeschil een lid van het parket van de procureur des Konings is opgetreden zonder dat aan de voorwaarden van artikel 144bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek is voldaan, dient te worden vastgesteld dat, naast het feit dat het Hof niet bevoegd is om de toepassing van een wetsbepaling in het bodemgeschil na te gaan, het voormelde artikel 144bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek niet het voorwerp uitmaakt van de door het verwijzende rechtscollege gestelde prejudiciële vragen.

Wat de eerste prejudiciële vraag betreft

B.3. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 144ter, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet « nu hierdoor noch de rechtsonderhorige tegen wie de strafvordering [wordt uitgeoefend] door de federale procureur, noch de geadieerde rechter ten gronde nietigheden of bevoegdheidsexcepties kunnen opwerpen/vaststellen, daar waar dit wel kan ingeval de strafvordering wordt uitgeoefend door de procureur des Konings ».

B.4.1. De Ministerraad voert aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling niet zou bestaan vermits geen bevoegdheidsexceptie zou kunnen worden opgeworpen wanneer de strafvordering niet door de federale procureur, maar door de procureur des Konings wordt uitgeoefend.

B.4.2. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het Hof wordt gevraagd het feit dat, luidens de in het geding zijnde bepaling, inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur, geen nietigheden kunnen worden opgeworpen, te vergelijken met de bevoegdheidsverdeling tussen, enerzijds, de procureur des Konings en, anderzijds, de arbeidsauditeur.

B.4.3. Artikel 155 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, wordt de strafvordering wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, voor de politierechtbanken en voor de rechtbanken van eerste aanleg uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat en voor de hoven van beroep door de leden van het arbeidsauditoraat-generaal.

In geval van samenloop of samenhang van genoemde overtredingen met een of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsgerechten, wijst de procureur generaal het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aan, en, in voorkomend geval, het parket generaal of het arbeidsauditoraat generaal dat bevoegd is om de strafvordering uit te oefenen, onverminderd de toepassing van artikel 149 ».

B.4.4. Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie is, wanneer de leden van het arbeidsauditoraat of van het arbeidsauditoraat-generaal overtredingen vervolgen die niet tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsgerechten zonder dat er sprake is van samenloop of samenhang in de zin van artikel 155, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, of zonder dat, in geval van samenloop of samenhang, de procureur-generaal het bevoegde arbeidsauditoraat of arbeidsauditoraat-generaal heeft aangewezen, de strafvordering onontvankelijk (zie o.m. Cass., 28 januari 1975, Arr. Cass., 1975, I, p. 594). Hetzelfde geldt mutatis mutandis wanneer de procureur des Konings overtredingen vervolgt die tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren.

B.4.5. In zoverre het, op grond van voormelde rechtspraak, mogelijk is de ontvankelijkheid van de door de procureur des Konings of de arbeidsauditeur ingestelde vordering te betwisten omdat de overtredingen al dan niet tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten behoren, terwijl het, luidens de in het geding zijnde bepaling, niet mogelijk is de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering te betwisten, is er wel degelijk sprake van een verschil in behandeling waarvan het Hof dient na te gaan of het bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.5.1. De Ministerraad voert aan dat in zoverre de vergelijking wordt gemaakt tussen, enerzijds, de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de federale procureur, die niet kan worden betwist en, anderzijds, de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de arbeidsauditeur, die wel kan worden betwist, het om categorieën van personen gaat die niet vergelijkbaar zouden zijn, vermits de federale procureur over een subsidiaire bevoegdheid beschikt die hij facultatief kan uitoefenen, wat een opportuniteitsonderzoek veronderstelt.

B.5.2. Het feit dat de federale procureur de vervolging van de in artikel 144ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek vermelde misdrijven aan de procureur des Konings of aan de procureur-generaal kan overlaten, leidt er niet toe dat het om twee categorieën gaat die niet vergelijkbaar zijn.

B.6.1. In de toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de wet van 21 juni 2001 heeft geleid, werd artikel 144ter van het Gerechtelijk Wetboek als volgt verantwoord :

« Artikel 144ter van het Gerechtelijk Wetboek betreft de bevoegdheidsomschrijving ratione materiae voor de uitoefening van de strafvordering.

De bevoegdheid van het federaal parket om zelf ' de strafvordering uit te oefenen ' moet als subsidiair worden gezien : de lokale parketten zijn de parketten van gemeen recht, en enkel, wanneer er een meerwaarde is in het licht van een goede rechtsbedeling, en voor zover het geen van de gevallen betreft voorzien in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering, de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering en de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid [van] ministers, is het aangewezen dat het federaal parket zelf de zaak behandelt. In het andere geval zal, hetzij een coördinatie tussen of een ondersteuning van de betrokken lokale parketten, hetzij een beter beheer op het lokale niveau moeten volstaan. De ambtsbevoegdheden van de procureur des Konings en de arbeidsauditeur gelden derhalve onverkort.

Het uitgangspunt dat aan de basis ligt van de oprichting van een federaal parket is de behoefte die werd ervaren om bepaalde strafzaken in bepaalde gevallen op een centraal niveau te kunnen behandelen met het oog op een betere en efficiëntere rechtsbedeling. De grond van deze behoefte werd omschreven door een verwijzing naar de complexiteit, de vereiste specialisatiegraad of het ressortoverschrijdend karakter van sommige strafdossiers. De verstrekte voorbeelden zijn dossiers met een grensoverschrijdend karakter en dossiers die een band vertonen met de georganiseerde criminaliteit.

Na onderzoek van verschillende mogelijke benaderingen werd geopteerd voor een bevoegdheidsomschrijving gebaseerd op het principe van een limitatieve lijst van misdrijven, met daarnaast, als alternatief, twee kwalitatieve criteria (geografisch criterium en veiligheidscriterium). Alle misdrijven die samenhangend zijn met misdrijven waarmee het federaal parket, op grond van de voormelde elementen, wordt belast, behoren eveneens tot de bevoegdheid van het federaal parket.

Wanneer er in een concrete strafzaak aanwijzingen zijn dat een misdrijf is gepleegd dat als één van de misdrijven op de lijst kan worden gekwalificeerd, behoort de behandeling van dat strafdossier tot het bevoegdheidsdomein van het federaal parket. Het lokale parket zal derhalve in alle gevallen waar er in een strafdossier aanwijzingen zijn dat het een misdrijf betreft dat vermeld is op de lijst, het federale parket op de hoogte moeten brengen.

Inzake de kwalitatieve criteria worden een geografisch en een veiligheidscriterium weerhouden. Wanneer één van deze criteria voorhanden is in een strafdossier, behoort dit strafdossier tot het bevoegdheidsdomein van het federaal parket, ongeacht de kwalificatie van het specifieke misdrijf dat het voorwerp ervan uitmaakt.

Het geografische criterium houdt in dat er in belangrijke mate een internationaal of een ressortoverschrijdend aspect is in een strafdossier. In de mate dat een strafdossier aanknopingspunten heeft in meerdere arrondissementen van hetzelfde ressort moet er van uit gegaan worden dat de betrokken Procureurs des Konings er, al dan niet met behulp van hun Procureur-generaal, toe in staat zijn onderling tot een voor de strafvordering bevredigende oplossing te komen. Met betrekking tot misdrijven die verschillende ressorten betreffen zal het federaal parket zelf de strafvordering uitoefenen wanneer een louter coördinerend optreden niet volstaat. Inzonderheid wanneer deze ressortoverschrijdende feiten verband houden met de georganiseerde criminaliteit zal het aangewezen zijn dat de federale procureur nagaat of het niet aangewezen voorkomt dat de strafvordering door zijn parket wordt uitgeoefend.

Het veiligheidscriterium moet onderscheiden worden van de specifieke delicten in het strafwetboek betreffende de bescherming van de veiligheid van de staat. Bepaalde terroristische strafbare activiteiten of misdrijven met politieke inslag kunnen immers niet steeds gesubsumeerd worden onder deze kwalificaties of ressorteren eerder onder gemeenrechtelijke kwalificaties (bv. Ecoterrorisme). Daarom wordt verwezen naar de omschrijving van ' terrorisme ' in art. 8, 1°, b), van de wet houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-0897/001, pp. 6-8).

B.6.2. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen het federaal parket en de lokale parketten werd daar nog het volgende aan toegevoegd :

« De vraag naar de bevoegdheidsafbakening tussen het federaal parket en de lokale parketten rijst in verschillende opzichten.

Het betreft vooreerst de regeling van de verhouding tussen federaal en lokaal parket, wanneer het gaat over de behandeling van een strafzaak waarvoor in principe beiden bevoegd zijn om ' de strafvordering uit te oefenen '. Het voorliggend wetsvoorstel preciseert de modaliteiten voor de gevallen van concurrerende bevoegdheid » (ibid., pp. 8-9).

B.6.3. Inzake artikel 7 van het in B.6.1 bedoelde wetsvoorstel werd het volgende uiteengezet :

« Dit artikel betreft de bevoegdheidsafbakening ratione materiae inzake ' de uitoefening van de strafvordering '.

Enkel wanneer er een meerwaarde is in het licht van een goede rechtsbedeling, en voor zover het geen van de gevallen betreft voorzien in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering, de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering en de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, is het aangewezen dat het federaal parket zelf de zaak behandelt : het wetsvoorstel duidt een aantal precies omschreven materies aan waarin het federaal parket de strafvordering uitoefent.

Tussen het federaal parket en de lokale parketten bestaat een wederzijdse informatieverplichting. De lokale parketten zijn ambtshalve verplicht het federaal parket in te lichten, wanneer zij kennis krijgen van een misdrijf dat tot het bevoegdheidsdomein van het federaal parket behoort. De federale procureur van zijn kant licht de procureur des Konings in, telkens dit voor de uitoefening van de strafvordering door de procureur des Konings van belang is. De beslissing of een concreet strafdossier uiteindelijk behandeld wordt door een lokaal parket dan wel door het federaal parket komt toe aan de federale procureur. Tegen deze beslissing staat geen enkel verhaal open, noch voor de betrokken magistraten, noch voor de procespartijen. Aan elke definitieve beslissing door het federaal parket over de bevoegdheidstoewijzing dient overleg vooraf te gaan, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden » (ibid., p. 13).

B.6.4. Het amendement dat tot de in het geding zijnde bepaling heeft geleid, werd als volgt verantwoord :

« Dit amendement strekt ertoe de bevoegdheidstoewijzing aan de federale procureur op een aantal punten aan te passen :

[...]

3° De bevoegdheid ratione materiae van de federale procureur is toegewezen en dus niet volledig concurrerend met de bevoegdheid van de parketten van gemeenrecht. Om procedurele betwistingen over de eventuele onbevoegdheid van de federale procureur te voorkomen wordt daarom expliciet bepaald dat de bevoegdheidsverdeling geen effect kan hebben op de regelmatigheid van de strafprocedure. Dit is louter een kwestie van wettelijke taakverdeling tussen de verschillende entiteiten van het openbaar ministerie, die, ingeval van niet-nakoming, het voorwerp kan uitmaken van een negatieve evaluatie of een tuchtrechtelijk optreden » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-0897/004, p. 6).

B.7. Vermits de federale procureur en de procureur des Konings over concurrerende bevoegdheden beschikken, en het optreden van de federale procureur een subsidiair karakter heeft, is het in B.4.2 vermelde verschil in behandeling redelijk verantwoord. De bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de arbeidsauditeur is immers exclusief.

B.8.1. Voor het overige vermocht de wetgever redelijkerwijs aan te nemen dat, om te vermijden dat de bevoegdheid van de federale procureur om dilatoire redenen wordt betwist, het niet mogelijk zou zijn om nietigheden op te werpen inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering. De voorzitter van het college van procureurs-generaal beklemtoonde dat de bevoegdheidsomschrijving van het federaal parket « operationeel bruikbaar moet zijn en derwijze moet worden geregeld dat noch de beklaagde, noch de burgerlijke partij in staat zou worden gesteld enige grond van onontvankelijkheid van de strafvordering of welk ander rechtsmiddel dan ook aan te voeren tegen de beslissing om het dossier ofwel federaal, ofwel lokaal te behandelen » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-0897/012, p. 19). Er werd nog het volgende aan toegevoegd :

« Hij heeft er steeds voor geopteerd dat, wanneer de federale procureur over zijn bevoegdheid beschikt, deze nooit kan en mag worden aangevochten. Immers, men moet zich de positie van één of meerdere beklaagden voorstellen. Behandeld door de federale procureur, zal de zaak veel meer aandacht krijgen, zowel vanwege de magistratuur zelf als vanwege de pers.

Hij kan zich voorstellen dat advocaten of beklaagden zich hier aan zullen proberen te onttrekken en daarom zullen proberen de bevoegdheid van de federale procureur in twijfel te trekken. Dergelijke toestanden moeten kost wat kost worden vermeden » (ibid., p. 33).

Volgens de minister van Justitie werd de in het geding zijnde bepaling ingevoegd om hieraan tegemoet te komen (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-691/4, pp. 29-30).

B.8.2. De wetgever beoogde aldus te vermijden dat conflicten inzake de bevoegdheidsverdeling tussen het federaal parket en de overige parketten het verloop van de procedure zouden bemoeilijken of tot de nietigheid van de procedure zouden leiden. Dat blijkt ook uit artikel 144ter, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat in de in paragraaf 1 van dat artikel bedoelde gevallen, de federale procureur beslist of, hetzij de procureur des Konings of in de gevallen bedoeld in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering de procureur-generaal, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent, dat de beslissing, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, wordt genomen na overleg en dat tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat. Hieromtrent verklaarde een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers :

« [...] Het overlegbeginsel waarin het wetsvoorstel voorziet [is] uitgerekend bedoeld [...] om te voorkomen dat de procedure te lang aansleept. Om snel te kunnen optreden werd precies afgezien van elke vorm van arbitrage, zoals die bestaat voor de beslechting van de bevoegdheidsconflicten tussen een procureur des Konings en een arbeidsauditeur » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-0897/012, p. 46).

Een ander lid voegde daar nog het volgende aan toe :

« Door te voorzien in een systeem van overleg en beslissing van de federale procureur, voegt het wetsvoorstel zich naar het oude principe van de eenheid van het openbaar ministerie. Het zal niet mogelijk zijn de nietigheid van de vervolging aan te voeren op grond van de onbevoegdheid van een of ander lid van het openbaar ministerie. De eventuele misbruiken inzake de verdeling van de dossiers zullen uitsluitend via tuchtrechtelijke weg moeten worden geregeld » (ibid.).

In de Senaat was een lid van oordeel dat een beroepsprocedure « afbreuk [zou] doen aan de interventiesnelheid, welke een voorwaarde sine qua non is voor een efficiënt optreden van het federaal parket (zie met name het probleem van de BTW-carrousels) » (Parl. St., Senaat, 2000-2001, nr. 2-691/4, p. 27).

B.9.1. Zoals tijdens de in B.6.4 vermelde parlementaire voorbereiding terecht werd opgemerkt, is de bevoegdheidsverdeling tussen de federale procureur en de procureur des Konings een kwestie van wettelijke taakverdeling tussen de verschillende entiteiten van het openbaar ministerie, dat ondeelbaar is.

B.9.2. Niet elke door het openbaar ministerie begane onregelmatigheid leidt noodzakelijk tot een schending van het recht op een eerlijk proces. Er dient te worden nagegaan of de procedure in haar geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Daartoe dient te worden onderzocht of de rechten van de verdediging zijn nageleefd (EHRM, 28 juli 2009, Lee Davies t. België, §§ 41-42; 11 oktober 2012, Abdelali t. Frankrijk, §§ 37-38).

B.9.3. Te dezen brengt de niet-naleving van de taakverdeling tussen de federale procureur en de procureur des Konings de rechten van de verdediging van de vervolgde persoon geenszins in het gedrang. De in het geding zijnde bepaling verhindert immers die partij niet om voor de strafrechter haar verweer te voeren en dit zowel wat de regelmatigheid van de procedure, met uitzondering van die taakverdeling, als wat de zaak ten gronde betreft. Tijdens de bespreking van de in het geding zijnde bepaling werd beklemtoond dat « het wettelijk kader van alle normen en regels van rechtspleging, waaraan ook de federale procureur zich moet houden, vaststaat » en dat « de initiatieven van een lid van het openbaar ministerie [...] niet alleen [worden] opgevolgd door de betrokkenen (de rechten van verdediging) maar ook door de zetel » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-0897/012, p. 50). De minister van Justitie verklaarde in dezelfde zin dat « de federale procureur aan dezelfde procedureregels zal worden onderworpen als zijn collega's van de parketten van [eerste] aanleg, met name de regel om een onderzoeksrechter te verzoeken het dossier ten laste en ten gunste te onderzoeken » (ibid., p. 53).

B.10. Gelet op het voorgaande is het in het geding zijnde verschil in behandeling niet zonder redelijke verantwoording.

B.11. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat de tweede en de derde prejudiciële vraag betreft

B.12.1. Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 144ter, §§ 1 en 5, van het Gerechtelijk Wetboek bestaanbaar is met artikel 12 van de Grondwet (tweede prejudiciële vraag), in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (derde prejudiciële vraag), in zoverre de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur, niet kan worden betwist.

B.12.2. Op grond van artikel 26, § 1, 3°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, vervangen bij artikel 9, a), van de bijzondere wet van 9 maart 2003, is het Hof bevoegd om wettelijke normen te toetsen aan de artikelen van titel II « De Belgen en hun rechten » van de Grondwet.

Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen.

Daaruit volgt dat het Hof, bij zijn toetsing aan die grondwetsbepalingen, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen.

B.12.3. Te dezen kan evenwel niet worden aangenomen dat de waarborgen vervat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en in artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten een draagwijdte hebben die analoog is aan die van artikel 12 van de Grondwet.

In zoverre het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het door artikel 12 van de Grondwet gewaarborgde strafrechtelijke wettigheidsbeginsel, dient te worden vastgesteld dat dienaangaande artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en niet artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, een draagwijdte hebben die analoog is aan die van die grondwetsbepaling.

In zoverre het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, dient te worden vastgesteld dat dat recht wordt gewaarborgd door artikel 13, en niet door artikel 12, van de Grondwet.

B.12.4. Bijgevolg dient het Hof de in het geding zijnde bepalingen niet te toetsen aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en aan artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in samenhang gelezen met artikel 12 van de Grondwet.

B.13.1. Uit artikel 12, tweede lid, van de Grondwet vloeit voort dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is en de mogelijkerwijs op te lopen straf kan kennen. De beginselen van wettigheid en voorspelbaarheid zijn van toepassing op de hele strafrechtspleging. De voormelde bepalingen willen aldus elk risico van willekeurig optreden vanwege de uitvoerende of de rechterlijke macht uitsluiten bij het vaststellen en toepassen van de straffen.

B.13.2. Vermits de in het geding zijnde bepaling uitdrukkelijk bepaalt dat inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur, betreffende de uitoefening van de strafvordering geen nietigheden kunnen worden opgeworpen, is, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partijen voor het verwijzende rechtscollege aanvoeren, de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de vereiste dat de strafrechtspleging voorspelbaar is.

B.13.3. Het feit dat ten gevolge van de in het geding zijnde bepaling geen nietigheden kunnen worden opgeworpen wanneer de federale procureur de strafvordering zou uitoefenen voor misdrijven die manifest niet tot de in artikel 144ter, § 1, 1° tot 6°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde misdrijven behoren, doet hieraan geen afbreuk. In dat geval is immers niet de voorspelbaarheid van de wet zelf in het geding, maar wel de toepassing die de federale procureur eraan geeft.

B.14. De tweede en de derde prejudiciële vraag dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 144ter, §§ 1 en 5, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 28 maart 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 144ter, §§ 1 en 5, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dendermonde. Gerechtelijk recht

  • Rechterlijke organisatie

  • Openbaar ministerie

  • Federale procureur

  • Uitoefening van de strafvordering

  • Onmogelijkheid om nietigheden op te werpen inzake de bevoegdheidsverdeling tussen het federaal parket en de overige parketten. # Rechten en vrijheden

  • 1. Jurisdictionele waarborgen

  • a. Rechten van de verdediging

  • b. Recht op een eerlijk proces

  • 2. Wettigheidsbeginsel in strafzaken

  • Wettigheid van de strafrechtspleging

  • Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid.