- Arrest van 25 april 2013

25/04/2013 - 59/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 41, vijfde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 16 mei 2012 in zake Godelieve Linsen tegen het Fonds voor de beroepsziekten, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 mei 2012, heeft de Arbeidsrechtbank te Hasselt de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 41 van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de preventie van de beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, inzoverre het de slachtoffers van een beroepsziekte uit de privé-sector, wier vergoeding voor medische kosten ingevolge beroepsziekte nooit langer kan terugwerken dan 120 dagen voor de datum van de indiening van de aanvraag, en de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector, ten aanzien van wie een dergelijke beperking niet geldt, verschillend behandelt ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Krachtens artikel 41, eerste lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970 (hierna : de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten), betaalt het Fonds voor de beroepsziekten het aandeel terug van de kosten voor geneeskundige verzorging die verband houden met een beroepsziekte en die ten laste zijn van de patiënt.

Artikel 41, vijfde lid, bepaalt :

« De in het eerste lid bedoelde geneeskundige verzorging wordt door het Fonds voor de beroepsziekten toegekend ten vroegste vanaf honderdtwintig dagen vóór de datum van de indiening van de aanvraag, op voorwaarde dat deze ontvankelijk is ».

B.2. De voormelde bepaling geldt enkel voor de slachtoffers van een beroepsziekte in de privésector. De slachtoffers van een beroepsziekte in de overheidssector hebben naar luid van de prejudiciële vraag recht op een vergoeding van de kosten voor geneeskundige verzorging, zonder beperking in de tijd.

B.3. In zijn arrest nr. 25/2007 van 30 januari 2007 heeft het Hof een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgesteld in zoverre, voor de slachtoffers van een beroepsziekte in de privésector, de vergoeding voor blijvende arbeidsongeschiktheid niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag, terwijl een dergelijke beperking niet geldt voor de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector.

In zijn arrest nr. 3/2009 van 15 januari 2009 heeft het Hof een schending van dezelfde grondwetsbepalingen vastgesteld in zoverre, voor de slachtoffers van een beroepsziekte in de privésector, de vergoeding naar aanleiding van een aanvraag tot herziening wegens verergering niet vroeger kan ingaan dan 60 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag, terwijl een dergelijke beperking niet geldt voor de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector.

In zijn arrest nr. 102/2012 van 9 augustus 2012 heeft het Hof daarentegen geen schending van dezelfde grondwetsbepalingen vastgesteld in zoverre, voor de slachtoffers van een beroepsziekte in de privésector, de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid wegens een beroepsziekte niet vroeger kan ingaan dan 365 dagen vóór de datum van de aanvraag, terwijl een dergelijke beperking niet geldt voor de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector.

De voormelde arresten hebben betrekking op het tijdstip waarop de vergoeding voor blijvende, gewijzigde of tijdelijke arbeidsongeschiktheid kan ingaan. De thans in het geding zijnde bepaling stelt het tijdstip vast vanaf wanneer de kosten voor geneeskundige verzorging die verband houden met een beroepsziekte voor terugbetaling in aanmerking komen.

B.4. Artikel 3 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector bepaalt :

« Volgens de in artikel 1 bepaalde regelen :

1° heeft degene die getroffen is door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte recht op :

a) een vergoeding van de kosten voor dokter, chirurg, apotheker, verpleging, prothese en orthopedie;

b) een rente in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid;

c) een bijslag wegens verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de herzieningstermijn;

[...] ».

B.5. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 1967 volgt, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld met name in B.2.1 tot B.2.3 van zijn arrest nr. 125/2004 van 7 juli 2004, dat de wetgever voor de werknemers van de privésector en die van de openbare sector een vergelijkbaar stelsel heeft willen vaststellen op het vlak van de regeling van schadeloosstelling van slachtoffers van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, maar dat hij een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privésector tot de openbare sector heeft afgewezen, gelet op de eigen kenmerken van elke sector, in het bijzonder het feit dat de rechtspositie van ambtenaren over het algemeen reglementair van aard is, terwijl de tewerkstelling in de privésector contractueel van aard is.

B.6. Zoals meermaals in herinnering is gebracht, met name in de reeds vermelde arresten, is het door de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoord dat zij aan verschillende systemen zijn onderworpen en kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt (zie o.a. arrest nr. 25/2007, B.4.1).

B.7. Oorspronkelijk stelde artikel 41 van de gecoördineerde wetten op de beroepsziekten geen tijdstip vast vanaf wanneer de kosten voor geneeskundige verzorging die verband houden met een beroepsziekte, voor terugbetaling in aanmerking komen.

Bij het koninklijk besluit nr. 133 van 30 december 1982 werd aan dat artikel een vijfde lid toegevoegd, waarin werd bepaald dat geneeskundige verzorging door het Fonds voor de beroepsziekten wordt toegekend « vanaf de datum van indiening van de aanvraag ». Die wetswijziging werd noodzakelijk geacht omdat het Rekenhof van oordeel was dat het Fonds voor de beroepsziekten « slechts de geneeskundige zorgen mag ten laste nemen eens de aanvraag tot schadeloosstelling gegrond wordt geacht ». Het standpunt van het Rekenhof hield meer bepaald een afkeuring in van « de huidige praktijk van het Fonds die erin bestaat de geneeskundige zorgen ten laste te nemen vanaf de indiening van een ontvankelijk verklaarde aanvraag tot schadeloosstelling » (Verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 12 januari 1983, p. 413).

Bij de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen werd « vanaf de datum van indiening van de aanvraag » vervangen door « ten vroegste vanaf 60 dagen vóór de datum van indiening van de aanvraag » en bij de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen door « ten vroegste vanaf honderdtwintig dagen vóór de datum van indiening van de aanvraag ».

Het stelselmatig opschuiven van de datum strekt ertoe om, vanaf het ogenblik dat de symptomen van een beroepsziekte worden vastgesteld en dat voor de behandeling daarvan geneeskundige verzorging is vereist, aan de patiënt voldoende tijd te verlenen om bij het Fonds voor de beroepsziekten een gemotiveerde aanvraag tot terugbetaling van de kosten voor die geneeskundige verzorging in te dienen.

B.8. In tegenstelling tot het arbeidsongeval, dat voortvloeit uit een plotse gebeurtenis die zich voordoet tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, is de beroepsziekte een ziekte waarvan het slachtoffer, met een zekere intensiteit en gedurende een bepaalde tijd, werd blootgesteld aan het beroepsrisico van die ziekte.

De beroepsziekte ontwikkelt zich na verloop van tijd zodat het tijdstip waarop aangifte ervan moet worden gedaan, soms moeilijk vast te stellen is en niet valt uit te sluiten dat kosten voor geneeskundige verzorging die op een bepaald tijdstip worden gemaakt, pas op een later tijdstip verband blijken te houden met de beroepsziekte.

B.9. Door te bepalen dat de kosten voor geneeskundige verzorging « ten vroegste vanaf honderdtwintig dagen vóór de datum van de indiening van de aanvraag » voor terugbetaling in aanmerking komen, stelt de wetgever het aanvangspunt van het recht op terugbetaling van die kosten vast op een datum die niet noodzakelijkerwijze samenvalt met de datum waarop de eerste symptomen van de beroepsziekte werden vastgesteld.

Het stemt evenwel overeen met de logica van het systeem dat de wetgever het tijdstip bepaalt vanaf wanneer de kosten voor geneeskundige verzorging die verband houden met een beroepsziekte voor terugbetaling in aanmerking komen en aldus de periode van terugbetaling tot een redelijke termijn beperkt.

Het onbeperkt toestaan van de terugbetaling van kosten voor geneeskundige verzorging zou de uitgaven van het Fonds voor de beroepsziekten op buitensporige wijze kunnen doen toenemen, terwijl het aan de wetgever toekomt maatregelen te nemen om die uitgaven te beperken en het Fonds in staat te stellen zijn uitgaven te voorzien.

Bovendien kan een beperking van de terugbetaling tot een redelijke termijn de patiënt ertoe aanzetten zijn ziekte aan te geven zodra de eerste symptomen opduiken. Naarmate de tijd verstrijkt, wordt het moeilijker uit te maken vanaf welk tijdstip de kosten voor geneeskundige verzorging zijn gerelateerd aan een beroepsziekte en zijn er minder mogelijkheden om preventieve maatregelen te nemen en te beletten dat de schade voortduurt of verergert.

B.10. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat en met de aard van de gevorderde bedragen, die niet de vergoeding voor arbeidsongeschiktheid uit hoofde van een beroepsziekte betreffen maar de kosten voor geneeskundige verzorging die verband houden met een beroepsziekte, is het niet zonder redelijke verantwoording te bepalen dat die kosten « ten vroegste vanaf honderdtwintig dagen vóór de datum van de indiening van de aanvraag » voor terugbetaling in aanmerking komen.

Het behoort tot de bevoegdheid van de wetgever te oordelen of in dat verband een grotere gelijkschakeling van de privésector en de openbare sector al dan niet wenselijk is en in voorkomend geval te bepalen op welk tijdstip en op welke wijze via concrete maatregelen vorm moet worden gegeven aan een grotere uniformiteit tussen beide regelgevingen.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 41, vijfde lid, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 25 april 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 41 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Beroepsziekten

  • Terugbetaling van de kosten voor geneeskundige verzorging door het Fonds voor de beroepsziekten

  • 1. Privé-sector

  • Beperking van de periode van terugbetaling

  • 2. Openbare sector

  • Geen beperking in de tijd.