- Arrest van 25 april 2013

25/04/2013 - 61/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en R. Henneuse, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 6 september 2012 in zake de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tegen Kathleen De Rijck, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 12 september 2012, heeft het Arbeidshof te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de artikelen 102 en 105 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre ze zo worden geïnterpreteerd dat het recht op een uitkering voor loopbaanonderbreking niet kan toegekend worden aan werknemers die wel voltijds tewerkgesteld zijn, maar dit ingevolge de cumulatie van twee deeltijdse arbeidsbetrekkingen bij twee werkgevers van respectievelijk 70 % en 30% van een voltijdse arbeidsbetrekking, in acht nemende de omstandigheid dat beide werkgevers op de hoogte waren en akkoord waren met de opsplitsing van een oorspronkelijk voltijdse tewerkstelling in twee deeltijdse tewerkstellingen ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 102 en 105 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen (hierna : herstelwet).

B.1.2. Artikel 102 van de herstelwet bepaalt :

« § 1. Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5, 1/4, 1/3 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet, ofwel een beroep doet op de bepalingen van artikel 102bis.

De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van de uitkering, alsmede de nadere voorwaarden en regelen tot toekenning van deze uitkering.

§ 2. De bij § 1 bedoelde overeenkomst wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 ».

Artikel 102 van de herstelwet maakt het mogelijk een uitkering voor loopbaanonderbreking toe te kennen aan de werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert; de mogelijkheid om de arbeidsprestaties te verminderen en een uitkering voor loopbaanonderbreking te genieten wordt met name toegekend aan de werknemers, mannen en vrouwen, die voor hun kind wensen te zorgen in het kader van het ouderschapsverlof.

B.1.3. Artikel 105 van de herstelwet, zoals van toepassing op het bodemgeschil, bepaalde :

« § 1. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden en nadere regelen er een recht wordt toegekend op de onderbreking van de beroepsloopbaan en op het verminderen van de arbeidsprestaties zoals bedoeld in de onderafdelingen 2 en 3.

Het recht op een vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in het eerste lid, kan enkel ten belope van 1/5 of 1/2 van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking.

§ 2. De Koning neemt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nodige maatregelen met het oog op de aanpassing van de sociale-zekerheidswetgeving ten behoeve van de werknemers bedoeld in deze afdeling ».

Artikel 105 van de herstelwet biedt de Koning de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden, een recht op onderbreking van de beroepsloopbaan of een vermindering van de arbeidsprestaties toe te kennen.

B.2.1. De richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 « betreffende de door de UNICE [Unie van Industrie- en Werkgeversfederaties der Europese Gemeenschap], het CEEP [Europees Centrum van gemeenschapsbedrijven] en het EVV [Europees Verbond van Vakverenigingen] gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof », werd ten uitvoer gelegd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 64 van 29 april 1997 van de Nationale Arbeidsraad tot instelling van een recht op ouderschapsverlof (algemeen verbindend verklaard bij een koninklijk besluit van 29 oktober 1997) en door het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan.

B.2.2. Artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 64 bepaalt :

« Aan het recht op ouderschapsverlof zijn voorwaarden verbonden die door het kind en de werknemer moeten zijn vervuld ».

Artikel 7 van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalt :

« § 1. In geval van uitoefening van het recht op ouderschapsverlof wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst volledig geschorst voor een periode van 3 maanden.

§ 2. De werkgever en de werknemer kunnen evenwel overeenkomen dat het recht op ouderschapsverlof wordt uitgeoefend in gedeelten of met een vermindering van de arbeidsprestaties. Zo kan het gaan om een halvering van de arbeidsprestaties gedurende 6 maanden.

In het geval van een vermindering van de arbeidsprestaties en overeenkomstig de bepalingen van artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt de arbeidsovereenkomst schriftelijk vastgesteld; dat geschrift vermeldt de overeengekomen regeling van deeltijdse arbeid en het overeengekomen werkrooster ».

De commentaar van die bepaling preciseert :

« Opgemerkt dient te worden, dat de halvering van de arbeidsprestaties gedurende 6 maanden, zoals vermeld in de eerste alinea van § 2 van dit artikel, bij wijze van voorbeeld is gegeven en dat andere regelingen dus niet uitgesloten zijn ».

B.2.3. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, zoals het werd vervangen bij het koninklijk besluit van 15 juli 2005 en vóór de wijziging ervan door het koninklijk besluit van 31 mei 2012, bepaalt :

« § 1. Om voor zijn kind te zorgen heeft de werknemer het recht om :

- hetzij gedurende een periode van drie maanden de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst te schorsen zoals bedoeld bij artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen; deze periode kan naar keuze van de werknemer worden opgesplitst in maanden;

- hetzij gedurende een periode van zes maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een halftijdse vermindering zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet, wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; deze periode kan naar keuze van de werknemer worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;

- hetzij gedurende een periode van vijftien maanden zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een vermindering met één vijfde zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde wet wanneer hij voltijds is tewerkgesteld; deze periode kan naar keuze van de werknemer worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan.

§ 2. De werknemer heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in paragraaf 1. Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat één maand schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gelijk is aan twee maanden halftijdse verderzetting van de arbeidsprestaties en gelijk is aan vijf maanden vermindering van de arbeidsprestaties met één vijfde ».

B.2.4. Artikel 7 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen (hierna : het koninklijk besluit van 2 januari 1991) bepaalt :

« § 1. De werknemers tewerkgesteld in een voltijdse arbeidsregeling die, in toepassing van artikel 102 van voormelde wet van 22 januari 1985, hun arbeidsprestaties verminderen met een vijfde, een vierde, een derde of de helft zijn gerechtigd op onderbrekingsuitkeringen, op voorwaarde dat :

1° de voorziene duur van de vermindering van de arbeidsprestaties tenminste drie maanden bedraagt;

2° dat zij een aanvraag tot onderbrekingsuitkeringen indienen volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald in dit besluit in dewelke de werknemer er zich toe verbindt hen te vervangen volgens de regels bepaald in § 2.

§ 2. De werkgever dient de werknemer die zijn arbeidsprestaties met de helft of met een derde vermindert te vervangen door een volledig vergoede werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week of een daarmee gelijkgestelde persoon.

De werkgever dient de werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert met een vierde of een vijfde te vervangen indien hij een ander personeelslid in dienst heeft dat zijn arbeidsprestaties met een vierde of een vijfde verminderd heeft en dat niet vervangen werd. In dit geval dient hij beide werknemers te vervangen vanaf de vermindering van de arbeidsprestaties door de tweede werknemer.

§ 3. In afwijking van § 1 kunnen de werknemers die anders dan in toepassing van artikel 102 van de voormelde wet van 22 januari 1985, tewerkgesteld zijn in een deeltijdse arbeidsregeling waarvan het normaal gemiddeld aantal arbeidsuren per week ten minste gelijk is aan drie vierden van het gemiddeld voltijds aantal arbeidsuren van een werknemer die voltijds is tewerkgesteld in dezelfde onderneming, of bij ontstentenis, in dezelfde bedrijfstak, overgaan naar een deeltijdse arbeidsregeling waarvan het aantal arbeidsuren gelijk is aan de helft van het aantal arbeidsuren van de voltijdse arbeidsregeling.

De werkgever is verplicht de werknemer bedoeld in het vorige lid te vervangen door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze of een hiermee gelijkgesteld persoon wanneer het aantal uren vrijgekomen door de overgang naar een deeltijdse arbeidsregeling hoger is of gelijk is aan het aantal uren in een derde-tijds arbeidsregeling of indien hij een ander personeelslid in dienst heeft dat zijn arbeidsprestaties verminderd heeft en dat niet vervangen werd. In dit geval dient hij beide werknemers te vervangen vanaf de vermindering van de arbeidsprestaties van de tweede werknemer ».

Thans bestaat er ten aanzien van de werknemers die hun prestaties hebben verminderd overeenkomstig het koninklijk besluit van 29 oktober 1997, geen vervangingsplicht meer.

B.3. Uit de voormelde bepalingen vloeit voort dat de werknemer die ouderschapsverlof wenst te nemen, de mogelijkheid heeft om met zijn werkgever af te spreken, hetzij de uitvoering van zijn arbeid volledig te schorsen gedurende drie maanden, hetzij zijn arbeidsprestaties te verminderen over een periode van meer dan drie maanden.

B.4.1. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 102 en 105 van de herstelwet, waarnaar het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 en het koninklijk besluit van 2 januari 1991 verwijzen, waarbij die bepalingen zo worden geïnterpreteerd dat het recht op een onderbrekingsuitkering enkel wordt geopend voor werknemers die voltijds zijn tewerkgesteld wanneer zij bij één enkele werkgever zijn tewerkgesteld, en niet voor de werknemers die twee deeltijdse arbeidsbetrekkingen van respectievelijk 70 pct. en 30 pct. bij twee werkgevers cumuleren.

B.4.2. Het voor de verwijzende rechter hangende geschil betreft de situatie van een werkneemster die, tijdens het aan haar toegestane deeltijdse ouderschapsverlof (20 pct.), de voltijdse arbeidsovereenkomst met de oorspronkelijke werkgever vermindert naar 30 pct. en een andere deeltijdse arbeidsovereenkomst van 70 pct. sluit met een andere werkgever, zodat zij opnieuw over een voltijdse tewerkstelling beschikt; zij meent recht te blijven houden op het deeltijdse ouderschapsverlof met de daarbij horende onderbrekingsuitkering.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.

B.5.1. De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, omdat zij klaarblijkelijk niet bijdraagt tot de oplossing van het bodemgeschil; de verwerende partij voor de verwijzende rechter zou immers niet behoren tot die categorie van personen die rechten kunnen putten uit de artikelen 102 en 105 van de herstelwet, omdat haar situatie op verschillende punten niet reglementair zou zijn.

B.5.2. Het staat in beginsel aan de verwijzende rechter om na te gaan of het nuttig is aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over de bepalingen die hij van toepassing acht op het geschil. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen niet op de vraag in te gaan.

B.5.3. Uit de feiten van het verwijzingsarrest blijkt dat de verwerende partij voor de verwijzende rechter recht had op het deeltijds ouderschapsverlof en de daarbij horende onderbrekingsuitkering op het ogenblik van de kennisgeving van haar aanvraag aan haar werkgever en op het ogenblik dat het ouderschapsverlof inging.

Evenwel blijkt tevens dat de oorspronkelijke voltijdse arbeidsovereenkomst, die het recht op ouderschapsverlof heeft doen ontstaan, is opgezegd en vervangen door twee deeltijdse arbeidsovereenkomsten waardoor aan de gestelde anciënniteitsvoorwaarde, voor het ontstaan van het recht op ouderschapsverlof en de daarmee gepaard gaande onderbrekingsuitkering, niet meer is voldaan.

B.5.4. Rekening houdend met de bovenvermelde gegevens, blijkt niet dat de in geding zijnde bepalingen thans nog van toepassing kunnen zijn op het bodemgeschil.

B.6. De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk hof, op de openbare terechtzitting van 25 april 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 102 en 105 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gesteld door het Arbeidshof te Brussel. Sociaal recht

  • Arbeidsrecht

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Loopbaanonderbreking

  • Ouderschapsverlof

  • 1. Voltijds tewerkgestelde werknemers door de cumulatie van twee deeltijdse betrekkingen bij twee werkgevers

  • 2. Onderbrekingsuitkering

  • 3. Anciënniteitsvoorwaarde.