- Arrest van 7 november 2013

07/11/2013 - 146/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

verwerpt de beroepen, onder het in B.15.3 vermelde voorbehoud van interpretatie


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 juli 2012 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 juli 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 26 november 2011 tot wijziging en aanvulling van het Strafwetboek teneinde het misbruik van de zwakke toestand van personen strafbaar te stellen, en de strafrechtelijke bescherming van kwetsbare personen tegen mishandeling uit te breiden (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 januari 2012) door Raymond Elsen, wonende te 8370 Blankenberge, Jordaenslaan 34, en Jan Jelle Keppler, wonende te 3010 Kessel-Lo, Tiensevest 39;

b. Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 17 juli 2012 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 19 juli 2012, zijn twee beroepen tot vernietiging ingesteld van de artikelen 35, 36 en 43 van voormelde wet van 26 november 2011 respectievelijk door Zaki Chairi en Wahiba Yachou en door Karim Geirnaert, die allen keuze van woonplaats doen te 1050 Brussel, Louizalaan 208.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5459, 5460 en 5461 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de omvang van de beroepen

B.1.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5459 vorderen de vernietiging van de wet van 26 november 2011 tot wijziging en aanvulling van het Strafwetboek teneinde het misbruik van de zwakke toestand van personen strafbaar te stellen, en de strafrechtelijke bescherming van kwetsbare personen tegen mishandeling uit te breiden.

B.1.2. De Ministerraad voert aan dat het ingestelde beroep dient te worden beperkt tot artikel 36 van de wet van 26 november 2011, omdat de door de verzoekende partijen uiteengezette middelen enkel tegen voormeld artikel zouden zijn gericht. Daarnaast werpt de Ministerraad op dat de memories van de tussenkomende partijen in de zaak nr. 5459 enkel ontvankelijk zijn voor zover ze zijn gericht tegen het bestreden artikel 36 van de wet van 26 november 2011. In zoverre een nieuw middel zou zijn gericht tegen artikel 43 van de wet van 26 november 2011, zou dat middel als onontvankelijk dienen te worden afgewezen.

B.1.3. De middelen van de verzoekende partijen zijn gericht tegen artikel 36 van de wet van 26 november 2011; derhalve beperkt het Hof het onderzoek van het beroep in de zaak nr. 5459 tot dat artikel.

Een tussenkomende partij vermag het oorspronkelijke beroep niet te wijzigen of uit te breiden, zodat het beroep in de zaak nr. 5459 niet ontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op artikel 43 van de wet van 26 november 2011.

B.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461 vorderen de vernietiging van de artikelen 36 en 43 van de voormelde wet van 26 november 2011.

B.3.1. Artikel 36 bepaalt :

« In hoofdstuk IVter [van boek II, titel VIII, van het Strafwetboek], ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 442quater ingevoegd, luidende :

' Art. 442quater. § 1. Eenieder die, terwijl hij kennis had van iemands fysieke of psychische zwakheid die het oordeelsvermogen van de betrokkene ernstig verstoort, bedrieglijk misbruik heeft gemaakt van die zwakheid teneinde hem ertoe te brengen een handeling te verrichten dan wel zich van een handeling te onthouden waarbij zulks diens fysieke of geestelijke integriteit dan wel diens vermogen ernstig aantast, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van honderd euro tot duizend euro of met een van deze straffen alleen.

§ 2. De straffen zijn gevangenisstraf van een maand tot vier jaar en geldboete van tweehonderd euro tot tweeduizend euro of een van deze straffen alleen in de volgende gevallen :

1° indien de in § 1 bedoelde handeling of onthouding van een handeling voortvloeit uit een toestand van fysieke of psychische onderwerping door aanwending van zware of herhaalde druk of van specifieke technieken om het oordeelsvermogen te verstoren;

2° indien het in § 1 bedoelde misbruik ten aanzien van een minderjarige is gepleegd;

3° indien de in § 1 bedoelde handeling of onthouding van een handeling hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking tengevolge heeft;

4° indien het in § 1 bedoelde misbruik een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft.

§ 3. De straf is opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar indien de handeling van de persoon of zijn onthouding van een handeling zijn dood heeft veroorzaakt.

§ 4. Met toepassing van de §§ 1 en 2 kan de rechtbank de veroordeelde gedurende een termijn van vijf jaar tot tien jaar geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de in artikel 31, eerste lid, opgesomde rechten.

§ 5. De rechtbank kan bevelen dat het vonnis of een samenvatting ervan op kosten van de veroordeelde in een of meer dagbladen dan wel op ongeacht welke andere wijze wordt bekendgemaakt. ' ».

B.3.2. Artikel 43 bepaalt :

« Elke instelling van openbaar nut en elke vereniging die op de datum van de feiten sinds minstens vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezit en volgens haar statuten tot doel heeft ofwel de slachtoffers van sektarische praktijken te beschermen, ofwel geweld of mishandeling te voorkomen jegens elke persoon die kwetsbaar is ten gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, kan, met instemming van het slachtoffer of zijn vertegenwoordiger, in rechte optreden in de gedingen waartoe de toepassing van de artikelen 142, 330bis, 347bis, 376, 377, 378, 380, 391bis, 405bis, 405ter, 410, 417ter, 417quater, 417quinquies, 422bis, 423 tot 430, 433, 433quater, 433septies, 433decies, 442bis, 442quater, 462, 463, 471, 493 en 496 van het Strafwetboek en artikel 77quater van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aanleiding zou geven.

Dit recht om in rechte op te treden kan evenwel slechts uitgeoefend worden voor zover deze instellingen en verenigingen erkend zijn door de Koning, die de nadere regels vaststelt voor deze erkenning.

Op ieder ogenblik kan het slachtoffer zelf of via zijn vertegenwoordiger afzien van de in het eerste lid bedoelde instemming, hetgeen tot gevolg heeft dat de instelling van openbaar nut of de betrokken vereniging niet langer de mogelijkheid heeft om in rechte op te treden in de in hetzelfde lid bedoelde gedingen ».

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in de zaken nrs. 5460 en 5461 en de tussenkomsten in de zaken nrs. 5459, 5460 en 5461

B.4.1. De Ministerraad voert aan dat het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461 om in rechte te treden, samenvalt met de actio popularis. De verzoekende partijen zouden nalaten aan te tonen hoe zij door de bestreden bepalingen rechtstreeks en ongunstig kunnen worden geraakt.

B.4.2.1. De Ministerraad meent dat de tussenkomsten van P. Jacques en W. Fautré in de zaak nr. 5459 onontvankelijk zijn, omdat zij hun belang niet daadwerkelijk aantonen. Door hun belang louter te gronden op de omstandigheid dat de bestreden wetsbepalingen grondrechten zouden schenden die niet nader worden gepreciseerd, zouden zij hun belang niet voldoende aantonen. Ook als vertegenwoordiger van de feitelijke vereniging « Universal Peace Federation Belgium », zou W. Fautré niet beschikken over het rechtens vereiste belang.

B.4.2.2. De Ministerraad is eveneens van oordeel dat de tussenkomst van de vzw « Scientology Kerk van België » in de zaken nrs. 5460 en 5461 onontvankelijk is, om vier redenen. Allereerst omdat de vzw niet aantoont dat zij voldaan heeft aan de vereiste voorwaarden van neerlegging van haar statuten bij de rechtbank van koophandel en van publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad (wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen). Vervolgens omdat de vzw niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, derde lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op grond waarvan de tussenkomende partij het bewijs dient te leveren van de beslissing van de raad van bestuur om in rechte op treden. Ten derde omdat de vzw niet aantoont dat zij over het rechtens vereiste belang beschikt om in rechte op te treden. De opmerking dat de bestreden wet, overeenkomstig de parlementaire voorbereiding, enkel van toepassing zou zijn op de sekten, en dat de vzw als sekte is opgenomen in de lijst die door de parlementaire onderzoekscommissie is gepubliceerd, zou niet voldoende zijn om het rechtens vereiste belang aan te tonen. In laatste instantie omdat de vzw heeft nagelaten een inventaris van de tot staving aangevoerde stukken bij haar memorie van tussenkomst te voegen.

B.5.1. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 5460 is een man, die zichzelf definieert als een islamitische Belg. Hij meent te beschikken over een persoonlijk belang om in rechte te treden omdat hij als fondsenwerver voor een humanitaire niet-gouvernementele organisatie schenkers ertoe aanzet giften te doen, waarbij hij gebruik maakt van specifieke technieken die ertoe strekken het vermogen te raken van bepaalde personen. Sommigen kunnen hierbij van mening zijn dat hij met bedrieglijk misbruik het vermogen van die personen ernstig aantast.

De tweede verzoekende partij in de zaak nr. 5460 is de echtgenote van de eerste verzoekende partij. Zij meent te beschikken over een persoonlijk belang omdat zij als vrijwilligster eveneens werkzaam is als fondsenwerver in dezelfde humanitaire niet-gouvernementele organisatie als haar echtgenoot en bovendien verantwoordelijk is voor een groep van islamitische scouts, waarbij zij de islamitische geloofsovertuiging alsook bepaalde islamitische voorschriften overdraagt aan die jongeren.

B.5.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 5461 is een tot de islam bekeerde Belg. Ter verantwoording van zijn belang, voert hij aan dat hij in het kader van zijn activiteiten buiten de beroepssfeer, door consulaire autoriteiten is belast met het ontvangen van kandidaten voor de bekering tot de islam. Zijn taak bestaat erin de persoon die zich wenst te bekeren, te horen en te controleren of zijn wens om te huwen en zich daartoe te bekeren oprecht is. Na het horen van de kandidaat zal hij beslissen die bekering al dan niet te aanvaarden op basis van de door hem vastgestelde oprechtheid.

B.5.3. Artikel 142 van de Grondwet en artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.

Bepalingen die in een vrijheidsberovende straf voorzien, raken een dermate essentieel aspect van de vrijheid van de burger, dat zij niet slechts die personen aanbelangen die het voorwerp uitmaken of hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke procedure. Het is dan ook niet nodig de door de verzoekende partijen aangevoerde elementen betreffende hun bijzondere persoonlijke toestand te onderzoeken.

B.5.4. De beroepen in de zaken nrs. 5460 en 5461 zijn ontvankelijk.

B.6.1. Om dezelfde redenen zijn de tussenkomsten van P. Jacques en W. Fautré in de zaak nr. 5459 ontvankelijk.

B.6.2.1. Wat betreft de tussenkomst van de vzw « Scientology Kerk van België » in de zaken nrs. 5460 en 5461, dient te worden opgemerkt dat, teneinde onder meer het Hof in staat te stellen na te gaan of de beslissing om het beroep in te stellen door het bevoegde orgaan van de rechtspersoon is genomen, de bijzondere wetgever elke rechtspersoon die een beroep instelt of in een geding tussenkomt verplicht, op het eerste verzoek, het bewijs voor te leggen van de beslissing om het beroep in te stellen of voort te zetten of om tussen te komen en, wanneer zijn statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, een kopie van die bekendmaking bij te voegen.

B.6.2.2. Allereerst kan worden vastgesteld dat de tussenkomende partij in de zaken nrs. 5460 en 5461 rechtspersoonlijkheid heeft verworven door de publicatie van haar statuten en de identiteit van de leden van haar raad van bestuur in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 7 juni 1984, overeenkomstig artikel 3 van de wet van 27 juni 1921, vóór de wijziging ervan door de wet van 2 mei 2002. Aan het bestaan van die rechtspersoonlijkheid wordt geen afbreuk gedaan door de niet-naleving van artikel 26novies, § 1, tweede lid, 5°, van dezelfde wet, op grond waarvan de jaarrekeningen moeten worden neergelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel.

B.6.2.3. Het onderzoek van de door de tussenkomende partij voorgelegde stukken laat evenmin toe de exceptie die is afgeleid uit het gebrek aan procesbevoegdheid in te willigen : het verslag van de raad van bestuur van 29 oktober 2012 vormt een voldoende bewijs van de beslissing van het regelmatig samengestelde orgaan van de vereniging om tussen te komen voor het Hof.

B.6.2.4. De vzw « Scientology Kerk van België » maakt het in haar verzoekschrift tot tussenkomst aannemelijk dat de bestreden bepalingen van strafrechtelijke aard op haar zouden kunnen worden toegepast. Zij doet derhalve blijken van het vereiste belang.

B.6.3. De verzoeken tot tussenkomst zijn ontvankelijk.

Ten aanzien van de oorsprong van de bestreden wet en de doelstellingen ervan

B.7.1. De bestreden wet van 26 november 2011 is het resultaat van vier wetsvoorstellen (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080, DOC 53-1198, DOC 53-1206 en DOC 53-1217), ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, die ertoe strekken niet alleen wantoestanden waaraan sekten zich schuldig maakten strafbaar te stellen, maar tevens het misbruik van de zwakheid van alle personen wier kwetsbaarheid vanwege hun leeftijd, een ziekte, een zwangerschap of een lichamelijk of geestelijk gebrek duidelijk is of gekend is door de dader van de feiten (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 5). Door de Commissie voor de Justitie werd beslist om het wetsvoorstel DOC 53-0080/001 als basis voor de bespreking te gebruiken.

B.7.2. De wet van 26 november 2011 komt voort uit het parlementair onderzoek naar sekten in de jaren '90 (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 313/1). De parlementaire onderzoekscommissie had aanbevolen om misbruik van kwetsbare personen te bestraffen omdat de toen geldende strafbepalingen niet volstonden om de verdachte praktijken van sekten aan te pakken (ibid., 1995-1996, nr. 313/8, p. 224). De wet van 26 november 2011 heeft evenwel tot doel om op te treden niet enkel tegen de wantoestanden van sekten, maar ook tegen het anderszins misbruik maken van zwakken, zoals ouderen, gehandicapten en minderjarigen.

De wet voert allereerst een nieuw autonoom artikel in, dat in het algemeen het misbruik maken van zwakken strafbaar stelt (artikel 442quater van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 36 van de bestreden wet) en, vervolgens, verzwaart de wet ook de straffen bij reeds bestaande misdrijven, indien de dader het basismisdrijf pleegt tegen personen die kwetsbaar zijn vanwege hun leeftijd, ziekte, zwangerschap of lichamelijk of geestelijk gebrek. In laatste instantie wordt ook het vorderingsrecht van verenigingen uitgebreid (artikel 43).

B.7.3. De auteur van het basiswetsvoorstel merkte op dat het voormelde wetsvoorstel de tekst overnam van de in aansluiting op de werkgroep « sekten » ingediende wetsvoorstellen DOC 51-2935/001 en DOC 52-0493/001. Er waren, volgens de indiener, nog steeds sekten actief.

« Er is zelfs een bepaalde radicalisering van de sektarische bewegingen, waardoor hun volgelingen vaak worden aangezet tot collectieve zelfdoding. Als de sekten duizenden mensen, kinderen én volwassenen, blijven overhalen om lid te worden, als ze mensen uitbuiten door slavernij of prostitutie en als ze hen financieel bedriegen of fysiek mishandelen, vormen die bewegingen ook een bedreiging voor de hele bevolking.

Om dergelijke uitwassen te voorkomen is waakzaamheid geboden en moet de rechterlijke macht de aangepaste middelen krijgen om dergelijke praktijken te bestrijden. Het is immers onontbeerlijk dat de parketten en de politiediensten over aangepaste wetten beschikken om de verdachte en laakbare praktijken van bepaalde sekten doeltreffend te kunnen bestrijden.

Vastgesteld wordt dat de in ons Strafwetboek vervatte strafbaarstellingen ontoereikend zijn en dat ze moeten worden aangescherpt. De vigerende wetgeving biedt immers niet de mogelijkheid de inbreuken op de psychische integriteit van de menselijke persoon te bestraffen.

[...]

Het is belangrijk onze wetgeving te versterken, teneinde de rechters de mogelijkheid te bieden de misdadige praktijken van de sektarische bewegingen te veroordelen. Toch is evenzeer van belang ervoor te zorgen dat de grondbeginselen van de vrije meningsuiting, de vrijheid van geloof en de vrijheid van vereniging, die de grondslagen van onze rechtsstaat vormen, niet in het gedrang komen. Bijgevolg stelt dit wetsvoorstel de mentale destabilisatie van personen en het misbruik van personen in een verzwakte positie strafbaar » (Parl. St., Kamer, B.Z. 2010, DOC 53-0080/001, pp. 3-4).

B.7.4. Het verslag namens de Commissie voor de Justitie (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007) maakt duidelijk dat het wetsvoorstel werd aangepast ingevolge verschillende amendementen, die werden ingediend om tegemoet te komen aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, naar aanleiding van het wetsvoorstel DOC 52-0493/001.

« Dit wetsvoorstel is niet uitsluitend bedoeld om wantoestanden waaraan sekten zich schuldig maken te vervolgen maar beoogt eveneens het misbruik van de zwakheid van ouderen op gepaste wijze te bestraffen » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 4).

B.7.5. Het wetsontwerp, zoals overgezonden aan de Senaat (Parl. St., Senaat, 2010-2011, nr. 5-1095/3), streeft twee belangrijke doelstellingen na :

« [Enerzijds] wordt in het Strafwetboek het ' misbruik van personen in een verzwakte positie ' opgenomen als een nieuw misdrijf, zodat de illegale praktijken van schadelijke sektarische organisaties beter kunnen worden bestreden en anderzijds wordt er zo een strafrechtelijk antwoord geboden voor de problematiek van de mishandeling van kwetsbare personen in het algemeen en van ouderen in het bijzonder » (ibid., p. 2).

De hoofdlijnen van het wetsontwerp zijn de volgende :

« De mentale destabilisatie van personen en het misbruik van personen in een verzwakte positie wordt strafbaar gesteld en de strafrechtelijke bescherming van bijzonder kwetsbare personen tegen mishandeling en misbehandeling wordt uitgebreid » (ibid., p. 3).

B.8.1. Het bestreden artikel 36 is ingevoerd omdat « de parlementsleden belang hechten aan de bescherming van de kwetsbare personen; in dat verband verwijst [de indiener van het wetsvoorstel] naar de meningen van de spelers in het veld, die graag hadden gezien dat men in een wettelijk instrument voorziet om te kunnen optreden tegen de zich almaar vaker voordoende verontrustende feiten » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 21).

De ingediende tekst is ingegeven door « de Franse zogenaamde ' About-Picard '-wet, waarvan de efficiëntie reeds bewezen is » (ibid.).

B.8.2. Artikel 36 is het resultaat van diverse amendementen, waarbij het de bedoeling was gevolg te geven aan de opmerkingen die de Raad van State over het oorspronkelijke wetsvoorstel heeft gemaakt.

« De definitie van het ' misbruik van zwakte ' wordt aangescherpt. De structuur en de formulering van het artikel worden verbeterd.

In artikel 442quater, § 1, wordt het nieuwe strafbare feit ' misbruik van zwakte ' gedefinieerd » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 22).

« Het is hoegenaamd niet de bedoeling van de indieners te raken aan de in de Grondwet verankerde vrijheden van eredienst en van vereniging. Wel zijn zij de mening toegedaan dat streng moet worden opgetreden tegen misbruik van mensen in een verzwakte positie, zeker wanneer de manipulatie van die mensen nog werd versterkt door de druk van een groep mensen die zich bundelen door een ideaal of een gemeenschappelijke visie op spiritualiteit. Hoewel het de indieners van het wetsvoorstel niet toekomt te oordelen of dat ideaal dan wel die gemeenschappelijke visie al dan niet rationeel zijn, lijkt het integendeel belangrijk paal en perk te stellen aan de kwalijke gevolgen die het nastreven of beleven van dat ideaal of van die gemeenschappelijke visie kan hebben voor personen en goederen » (ibid., pp. 24-25).

B.8.3. De parlementaire voorbereiding wijst erop dat de mogelijkheid tot het instellen van rechtsvorderingen door verenigingen reeds in beperkte mate bestaat in de wet van 24 november 1997 strekkende om het geweld tussen partners tegen te gaan (artikel 7). Evenwel is, luidens die parlementaire voorbereiding, artikel 43

« nodig daar personen die zich meer bepaald vanwege hun leeftijd in een kwetsbare positie bevinden, vaak uit vrees voor represailles geen aanklacht indienen wegens mishandelingen of geweldplegingen jegens hun persoon of bezit, omdat ze bevreesd zijn definitief achtergelaten of beroofd te worden.

Daar het niet de bedoeling is een wildgroei te creëren aan vzw's met vorderingsrechten terzake, worden specifieke bijkomende voorwaarden gesteld [...].

De voorgestelde bepaling wenst deze verenigingen ook, met toestemming van de betrokkene, een recht [te] geven om in rechte te treden bij belaging, dat een klachtsmisdrijf is en dat bijgevolg tot nog toe enkel op persoonlijk verzoek van het slachtoffer kon worden vervolgd door het parket » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/002, p. 12).

Ten gronde

Wat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft

B.9. Het eerste middel in de zaak nr. 5459 en het vierde middel in de zaken nrs. 5460 en 5461 zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In de zaken nrs. 5460 en 5461 wordt het vierde middel eveneens afgeleid uit de schending van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 9 en 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Gelovigen die behoren tot een sekte zouden anders worden behandeld dan gelovigen die behoren tot een erkende godsdienst, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording zou bestaan. Volgens de verzoekende en de tussenkomende partijen gaat het bestreden artikel 36, vanwege zijn vaagheid, ervan uit dat personen die lid zijn van een sekte zich in een toestand van onderwerping bevinden; de leden van een sekte worden geacht in een staat van zwakheid te zijn, niet meer in staat tot een reactie en bovendien aangetast in hun integriteit. Daardoor trekt artikel 36 de beslissingen die de leden van de sekten uit vrije wil hebben genomen in twijfel en pleegt het aldus inbreuk op een aantal fundamentele rechten en vrijheden.

De verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461 en de tussenkomende partij in de zaken nrs. 5459, 5460 en 5461 doen het bestaan gelden van een indirecte discriminatie. Artikel 36 van de wet van 26 november 2011 zou in werkelijkheid enkel worden toegepast op religieuze minderheden.

B.10.1. Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften.

2. De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

B.10.2. Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen ».

B.10.3. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status ».

B.10.4. Artikel 1 van het niet door België geratificeerde Twaalfde Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

2. Niemand mag worden gediscrimineerd door enig openbaar gezag op, met name, een van de in het eerste lid vermelde gronden ».

B.11.1. Artikel 442quater, § 1, van het Strafwetboek maakt geen onderscheid tussen leden van een sekte, dan wel leden van een erkende godsdienst. Die bepaling vormt een nieuw hoofdstuk, te weten hoofdstuk IVter (« Misbruik van de zwakke toestand van personen »).

Hoewel uit de parlementaire voorbereiding van het oorspronkelijk wetsvoorstel DOC 53-0080/001 zou kunnen worden afgeleid dat dat artikel werd ingevoerd met het oog op het bestraffen van sektarische verenigingen (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 22), werd het toepassingsgebied ervan evenwel, ingevolge diverse amendementen, uitgebreid zodat het thans van toepassing is op alle misbruiken van de zwakheid van personen.

In tegenstelling tot wat de verzoekende en tussenkomende partijen aanvoeren, heeft de bestreden bepaling dus noch tot doel noch tot gevolg dat een verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen leden van zogenaamde sekten en leden van erkende godsdiensten en leidt zij er evenmin toe dat een persoon wordt beschouwd als zijnde in een toestand van zwakte die zijn oordeelsvermogen ernstig verstoort door het enkele feit dat hij tot een religieuze minderheid behoort.

B.11.2. De verzwarende omstandigheden vervat in paragraaf 2, 1° en 4°, van hetzelfde artikel daarentegen beogen niet uitsluitend maar meer in het bijzonder sektarische praktijken of bewegingen.

Wat betreft de verzwarende omstandigheid bedoeld in artikel 442quater, § 2, 1°, van het Strafwetboek werd immers in de parlementaire voorbereiding onderstreept :

« De in artikel 442quater, [ § 2,] 1° en 4° bedoelde verzwarende omstandigheden [...] komen in het bijzonder voor bij misbruiken die worden begaan bij sektarische bewegingen, waar slachtoffers in een toestand van fysieke en psychische onderwerping worden gebracht zodat hun oordeelsvermogen verzwakt, met name via methodes zoals zuiveringskuren, diëten, vastenkuren, afzonderingen, lichamelijke en psychische pesterijen enzovoort » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 24).

Wat betreft de verzwarende omstandigheid bedoeld in artikel 442quater, § 2, 4°, van het Strafwetboek werd gepreciseerd :

« De in § 2, 4°, bedoelde verzwarende omstandigheid heeft hoofdzakelijk betrekking op misbruik bij sektarische bewegingen. Teneinde echter niet te veel te worden beknot door kwalificaties die worden gehanteerd in het vennootschapsrecht of het verenigingsrecht, hebben de indieners van het wetsvoorstel ervoor gekozen de generische term ' vereniging ' te gebruiken, zoals die ook wordt gebruikt in de artikelen 322 tot 326 van het Strafwetboek, die samen hoofdstuk 1 (' Vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen en criminele organisatie ') van titel VI vormen » (ibid.).

B.11.3. Wanneer hij beslist om verzwarende omstandigheden vast te stellen voor het misdrijf van misbruik van zwakheid, staat het aan de wetgever daarbij de praktijken of methoden aan te wijzen die hem het meest afkeurenswaardig lijken.

Te dezen is het redelijkerwijze verantwoord het misbruik van zwakheid strenger te bestraffen wanneer die zwakheid zelf ontstaat door praktijken van indoctrinatie door de dader van het misdrijf of zijn medeplichtigen, die kunnen bestaan binnen religieuze minderheden of sektarische groepen, of wanneer de misbruiken worden geïnstitutionaliseerd binnen een vereniging, in voorkomend geval een religieuze.

In zoverre het redelijkerwijze verantwoord is het misbruik van zwakheid gepleegd in de omstandigheden beschreven in artikel 442quater, § 2, 1° en 4°, van het Strafwetboek strenger te bestraffen, leidt het feit dat dergelijke omstandigheden vaker zouden voorkomen bij sektarische bewegingen dan elders, niet tot een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.11.4. Het eerste middel in de zaak nr. 5459 en het vierde middel in de zaken nrs. 5460 en 5461 zijn niet gegrond.

Wat het wettigheidsbeginsel in strafzaken betreft

B.12. Het tweede middel in de zaak nr. 5459 is afgeleid uit de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet. In de zaken nrs. 5460 en 5461 is het eerste middel afgeleid uit de schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Allereerst merken de verzoekende partijen in de zaak nr. 5459 op dat het bestreden artikel 36 een te ruime en vage formulering heeft. Met de formulering « iemands fysieke of psychische zwakheid die het oordeelsvermogen van de betrokkene ernstig verstoort » zou niet duidelijk zijn wie nu precies tot de categorie van beschermde personen behoort. De wetgever beoogt hiermee, volgens de verzoekende partijen, de personen met een verminderde wilsvrijheid maar verliest daarbij uit het oog dat de wilsvrijheid uit twee componenten bestaat, te weten een oordeelsvermogen en een controlevermogen. Daarnaast wordt door de wetgever geen uitsluitsel gegeven over wanneer nu precies de zwakte ernstig genoeg is om een bijzondere bescherming te genieten. Bovendien vereist het subjectieve bestanddeel van een misdrijf dat de dader kennis heeft van de zwakheid van zijn slachtoffer, maar de vraag kan worden gesteld wanneer iemand duidelijk zwak is.

De verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461 merken op dat de door de wetgever gebruikte begrippen veelal bekend zijn, maar dat die nu als verzwarende omstandigheid in het strafrecht zijn opgenomen. Door artikel 36 van de wet van 26 november 2011 worden de verzwarende omstandigheden een misdrijf, waardoor het heel moeilijk is de precieze inhoud ervan te vatten. Het betreft met name de begrippen « zwakheid », « bedrieglijk misbruik », « oordeelsvermogen », « verstoring » van het oordeelsvermogen, aantastingen van de « fysieke of geestelijke integriteit dan wel het vermogen », « toestand van fysieke of psychische onderwerping door aanwending van zware of herhaalde druk » en « deelneming aan de bedrijvigheden van de verenigingen ».

B.13.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ».

B.13.2. Artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin zal een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.

2. Dit artikel staat niet in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, een misdrijf was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen welke door de beschaafde volken worden erkend ».

B.14. Het middel afgeleid uit de schending van het wettigheidsbeginsel in strafzaken is niet gegrond in zoverre het de schending aanvoert van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat die bepaling betrekking heeft op het recht op een eerlijk proces.

B.15.1. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke burger dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens de regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.

Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen.

Enkel bij onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden.

B.15.2. Artikel 442quater van het Strafwetboek verduidelijkt, met betrekking tot het woord « zwakheid », dat het moet gaan om een zwakte die iemands oordeelsvermogen ernstig verstoort. In de parlementaire voorbereiding is aangegeven dat het niet aangewezen was de toestand van zwakte al te strikt te omschrijven.

« Er wordt alleen gepreciseerd dat die toestand van zwakte zowel fysiek als psychisch kan zijn. De parketmagistraten en de magistraten van de zetel moeten immers over een zo groot mogelijke bewegingsvrijheid beschikken om de toestand van zwakte van een persoon in te schatten, ongeacht of die zwakte permanent, tijdelijk, van voorbijgaande dan wel blijvende aard is. De magistraten zullen nog altijd de hulp van deskundigen (artsen, psychiaters, psychologen) kunnen inroepen wanneer zij moeten beslissen of het slachtoffer zich al dan niet in een verzwakte positie bevindt » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 23).

Teneinde vast te stellen of de zwakheid van dien aard is dat een misdrijf is gepleegd, is het tevens noodzakelijk dat de fysieke of psychische zwakheid « het oordeelsvermogen van de betrokkene ernstig verstoort ».

Het bestaan van de « zwakheid » op het ogenblik dat de dader ervan wordt verdacht daarvan misbruik te hebben gemaakt, zal op grond van objectieve gegevens a posteriori moeten worden vastgesteld.

Ten slotte kan de aanwijzing van de te beschermen categorieën van personen niet los worden gezien van, enerzijds, het vereiste van bijzonder opzet van de dader, en, anderzijds, de beoogde doelstelling die erin bestaat personen te beschermen tegen derden die hen ertoe willen brengen een handeling te verrichten waardoor hun fysieke of geestelijke integriteit dan wel hun vermogen ernstig wordt aangetast.

De beoordelingsbevoegdheid die, voor de analyse van de toestand van « zwakheid », thans aan de rechter wordt verleend, is, gelet op het noodzakelijkerwijs algemene karakter van de strafbaarstelling, de uiteenlopende situaties waarop de strafbaarstelling van toepassing is, zoals de permanente of de tijdelijke zwakheid, en de verschillende gedragingen die zij bestraft, in overeenstemming met het wettigheidsbeginsel. Het begrip is voldoende expliciet opdat een normaal voorzichtige en vooruitziende rechtzoekende redelijkerwijs in staat is de draagwijdte ervan te bepalen.

B.15.3. Met betrekking tot de woorden « bedrieglijk misbruik » heeft de Raad van State in een advies met betrekking tot een voorontwerp van wet waarvan de inhoud analoog was aan die van de bestreden bepaling, gesteld :

- « Zoals de vertegenwoordigster van de minister heeft gepreciseerd, moet degene die het misbruik heeft begaan geweten hebben dat het slachtoffer onwetend was of zich in een zwakke positie bevond als gevolg van zijn minderjarigheid of van een bijzondere kwetsbaarheid veroorzaakt door één van de in het voorontwerp genoemde posities of toestanden ».

- « De vertegenwoordigster van de minister heeft tevens gesteld dat degene die het misbruik heeft gepleegd geweten moet hebben dat het gedrag waartoe hij het slachtoffer gebracht heeft een ernstige aantasting van diens fysieke integriteit, diens fysieke of mentale gezondheid of diens vermogen inhield ».

- « De vertegenwoordigster van de minister heeft bevestigd dat het loutere feit dat de vervolgde persoon het slachtoffer gevraagd heeft een gedrag aan te nemen dat een ernstige aantasting van diens fysieke integriteit, diens fysieke of mentale gezondheid of diens vermogen inhoudt, niet volstaat opdat van een strafbaar feit sprake zou zijn. Er moet sprake zijn van misbruik, dat wil zeggen bedrieglijke maneuvers, manipulatie, die, zoals de vertegenwoordigster van de minister eveneens heeft gepreciseerd, het slachtoffer ertoe gebracht hebben een gedrag aan te nemen dat het anders niet zou hebben vertoond » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-0493/002, pp. 11-12).

In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling wordt vermeld :

« Gewoon misbruik wordt niet bestraft. Het misbruik moet bedrieglijk zijn. Dat houdt in dat, opdat het misdrijf zou vaststaan, een bijzonder opzet vereist is.

Voorts moet het misbruik wetens worden gepleegd en moet de dader daarbij weet hebben van de toestand van zwakte van het slachtoffer. Het - louter - bedrieglijk misbruik zou niet volstaan om er rekenschap van te geven dat de dader van het misdrijf kennis moet hebben van de staat van zwakte » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 23).

Daaruit volgt dat de wet vereist dat de dader wist dat zijn slachtoffer zich in een toestand van zwakheid bevond, dat zijn handeling een misbruik van die toestand uitmaakte, zijnde een specifiek gedrag waarbij opzettelijk is geprofiteerd van de verminderde waakzaamheid van zijn slachtoffer en dat het gedrag dat hij bij zijn slachtoffer teweegbracht ernstig afbreuk kon doen aan diens fysieke of geestelijke integriteit of aan diens vermogen.

Pas wanneer die bestanddelen verenigd zijn bij de dader, is deze strafbaar.

Onder dat voorbehoud van interpretatie, is het begrip « bedrieglijk misbruik » niet dermate vaag dat het niet iedereen zou toelaten te weten of een gedrag, op het ogenblik dat het wordt aangenomen, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkene met zich zou kunnen meebrengen. Het feit dat de rechter nog zou kunnen beschikken over een beoordelingsbevoegdheid, in bepaalde omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, ontneemt aan de wet niet het voldoende nauwkeurig karakter ervan om te voldoen aan het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel.

B.15.4. Met betrekking tot de begrippen « fysieke of geestelijke integriteit dan wel het vermogen » en de « ernstige aantasting » ervan, preciseert de Ministerraad dat de interpretatie ervan geen kwestie van ideologie mag zijn. De beoordeling die door de onpartijdige en onafhankelijke rechter dient te gebeuren, dient te geschieden rekening houdend met de specifieke elementen van de zaak die voor hem is gebracht.

Niets in de parlementaire voorbereiding geeft aan dat aan die begrippen een andere betekenis zou moeten worden gegeven dan die welke daaraan wordt gegeven in het gewone taalgebruik. Bovendien dient de rechter, bij de beoordeling van het misdrijf, niet alleen rekening te houden met de « ernstige aantasting van de fysieke of geestelijke integriteit dan wel het vermogen », maar tevens met de zwakheid van het slachtoffer en het bedrieglijk misbruik van de dader.

B.15.5. Met betrekking tot de zinsnede « indien de in § 1 bedoelde handeling of onthouding van een handeling voortvloeit uit een toestand van fysieke of psychische onderwerping door aanwending van zware of herhaalde druk of van specifieke technieken om het oordeelsvermogen te verstoren » (artikel 442quater, § 2, 1°) wordt in de parlementaire voorbereiding opgemerkt dat het te dezen een verzwarende omstandigheid betreft :

« De in artikel 442quater, [ § 2,] 1° en 4° bedoelde verzwarende omstandigheden [...] komen in het bijzonder voor bij misbruiken die worden begaan bij sektarische bewegingen, waar slachtoffers in een toestand van fysieke en psychische onderwerping worden gebracht zodat hun oordeelsvermogen verzwakt, met name via methodes zoals zuiveringskuren, diëten, vastenkuren, afzonderingen, lichamelijke en psychische pesterijen enzovoort » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 24).

Voormelde verzwarende omstandigheid vindt haar oorsprong in het verslag van de commissie belast met het « parlementair onderzoek met het oog op de beleidsvorming ter bestrijding van de onwettige praktijken van de sekten en van de gevaren ervan voor de samenleving en voor het individu, inzonderheid voor de minderjarigen ». Een deel van dat verslag is gewijd aan de « praktijken van de bewegingen die door de parlementaire onderzoekscommissie werden geïdentificeerd » :

« De gedragstechnieken hebben betrekking op de beïnvloeding van de relaties tussen de adepten en hun milieu van afkomst, op de communicatie tussen adept en buitenwereld, en op de reglementering van het leven binnen de groep met betrekking tot voeding, slaap, sexualiteit, werk en vrijetijdsbesteding. Via emotionele technieken wordt een empathische relatie met de adept opgebouwd die de integratie van de adept mogelijk en gemakkelijker moet maken. Cognitieve aspecten hebben betrekking op de doctrine of heilsboodschap, de informatie-instroom, de aard van de informatie, taal, symbolen en moraal. Tenslotte wordt vaak gebruik gemaakt van technieken die leiden tot gedragingen van het prepsychotische of hallucinerende type » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 313/8, pp. 143-144).

B.15.6. Wat betreft de zinsnede « indien het in § 1 bedoelde misbruik een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging betreft » (artikel 442quater, § 2, 4°), vermeldt de parlementaire voorbereiding :

« De in [artikel 442quater,] § 2, 4°, bedoelde verzwarende omstandigheid heeft hoofdzakelijk betrekking op misbruik bij sektarische bewegingen. Teneinde echter niet te veel te worden beknot door kwalificaties die worden gehanteerd in het vennootschapsrecht of het verenigingsrecht, hebben de indieners van het wetsvoorstel ervoor gekozen de generische term ' vereniging ' te gebruiken, zoals die ook wordt gebruikt in de artikelen 322 tot 326 van het Strafwetboek, die samen met hoofdstuk 1 (' Vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen en criminele organisaties ') van titel VI vormen.

Tevens vonden de indieners van het wetsvoorstel het belangrijk dat de tekst betrekking zou hebben op elke dader of medeplichtige van frauduleus misbruik van iemands verzwakte positie, zonder dat het daarbij van belang is welke plaats de betrokkene in de hiërarchie van de organisatie of van de vereniging inneemt. De indieners zien immers niet in waarom alleen de leiders van een organisatie voor vervolging in aanmerking zouden komen.

Bovendien zij erop gewezen dat het door de indieners beoogde misdrijf niet zomaar betrekking heeft op het loutere feit dat men tot een organisatie behoort; wel vormt dat lidmaatschap een verzwarende omstandigheid bij het in § 1 bedoelde misdrijf.

Wie zelf het slachtoffer is van misbruik van zijn verzwakte positie, kan immers niet medeplichtig zijn aan een ander misbruik van een verzwakte positie, omdat de betrokkene per definitie niet over zijn/haar volledige oordeels- en redeneervermogen beschikt.

Het is hoegenaamd niet de bedoeling van de indieners te raken aan de in de Grondwet verankerde vrijheden van eredienst en van vereniging. Wel zijn zij de mening toegedaan dat streng moeten worden opgetreden tegen misbruik van mensen in een verzwakte positie, zeker wanneer de manipulatie van die mensen nog werd versterkt door de druk van een groep mensen die zich bundelen rond een ideaal of een gemeenschappelijke visie op spiritualiteit. Hoewel het de indieners van het wetsvoorstel niet toekomt te oordelen of dat ideaal dan wel die gemeenschappelijke visie al dan niet rationeel zijn, lijkt het integendeel belangrijk paal en perk te stellen aan de kwalijke gevolgen die het nastreven of beleven van dat ideaal of van die gemeenschappelijke visie kan hebben voor personen en goederen.

Bovendien wordt in het raam van de toepassing van die verzwarende omstandigheid ook altijd het tweede bestanddeel van het misdrijf geëist : het feit dat de dader of de medeplichtige van het misdrijf op de hoogte was van de verzwakte positie van het slachtoffer » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, pp. 24-25).

Uit artikel 442quater, § 2, 4°, van het Strafwetboek en uit de parlementaire voorbereiding ervan kan derhalve worden afgeleid dat de bestreden bepaling het bedrieglijk misbruik van de dader wenst te bestraffen en wanneer dat misbruik deel uitmaakt van de hoofd- of bijkomende activiteit van een vereniging, is de verzwarende omstandigheid van toepassing. Derhalve wordt hiermee het gedrag van de dader bedoeld en niet het gedrag van het slachtoffer en wordt hierdoor een duidelijk onderscheid gemaakt met het enkele feit van deelneming aan een activiteit van een vereniging of van geloofsverandering, dat niet strafbaar is.

B.15.7. Aan een tekst met algemene draagwijdte kan niet worden verweten geen preciezere definities te geven van bepaalde begrippen. Zoals het hem toekomt wanneer hij over de ernst van de aan hem voorgelegde feiten moet oordelen, zal de rechter de constitutieve bestanddelen van het misdrijf moeten beoordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de toepassing van de bestreden bepaling onvoorzienbaar zouden maken, maar door de objectieve bestanddelen van elk misdrijf in overweging te nemen en met de specifieke omstandigheden van elke zaak rekening te houden.

B.15.8. Het begrip « sektarische praktijken » in artikel 43 van de wet van 26 november 2011 valt niet onder het toepassingsgebied van het wettigheidsbeginsel in strafzaken, omdat artikel 43, in tegenstelling tot het bestreden artikel 36, geen strafbaarstelling invoert. Er wordt enkel een vorderingsrecht toegekend aan bepaalde verenigingen.

B.16. De middelen zijn niet gegrond.

Wat de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting betreft

B.17. Het derde middel in de zaak nr. 5459 is afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet. In de zaken nrs. 5460 en 5461 wordt eveneens de schending aangevoerd van artikel 9 (tweede middel) en artikel 10 (derde middel) van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Allereerst merken de verzoekende partijen in de zaak nr. 5459 op dat de bestreden wet ervan uitgaat dat personen die lid zijn van een zogenaamde sekte zich in een staat van onderwerping bevinden en dat de sekteleiders de leden misbruiken. De overheid zou derhalve willen optreden als een gewetenspolitie en het gedrag van haar burgers willen reguleren. Bovendien heeft de bestreden wet een afschrikkend effect (« chilling effect ») omdat de slachtoffers verschillende verenigingen ten onrechte zullen vervolgen, terwijl het oprichten van sekten en het lid zijn van een sekte op zich niet strafbaar is.

De verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461 voeren aan dat de bestreden wet de vrijheid van godsdienst in het gedrang brengt. De bestreden maatregelen zouden in de eerste plaats de bescherming van personen tegen sekten beogen. Ten aanzien van die personen zou de vrijheid van eredienst worden beperkt op een wijze die niet voldoet aan de inmengingsvoorwaarden bedoeld in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Krachtens het bestreden artikel 36 kan een vervolging immers worden ingesteld door derden, en niet uitsluitend door het slachtoffer, dat zich integendeel tegen een dergelijke vervolging zou kunnen verzetten. Daarnaast handelt artikel 43 uitdrukkelijk over de « sektarische praktijken », waardoor er tevens sprake zou zijn van een inbreuk op de vrijheid van godsdienst.

De bestreden artikelen zouden tevens strijdig zijn met de vrijheid van meningsuiting, omdat ze een afschrikkend effect of een effect van zelfcensuur zouden hebben, waardoor zij de vrijheid om met derden te communiceren zouden beperken.

B.18. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt :

« De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ».

B.19.1. Door een strafsanctie in te voeren voor daders die, wetens en willens, bedrieglijk misbruik maken van de fysieke of psychische zwakheid van een persoon die het oordeelsvermogen van die persoon ernstig verstoort, teneinde hem ertoe aan te zetten een handeling te verrichten dan wel zich van een handeling te onthouden, waarbij zijn fysieke of geestelijke integriteit of zijn vermogen ernstig wordt aangetast, kan het bestreden artikel 36, wegens het algemene karakter van de bewoordingen ervan, een inmenging vormen in de vrijheid van eredienst van leden van de zogenaamde sekten.

B.19.2. Er dient bijgevolg te worden onderzocht of die inmenging is bepaald bij een voldoende toegankelijke en nauwkeurige wet, noodzakelijk is in een democratische samenleving, beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de door de wetgever nagestreefde doelstellingen.

B.19.3. Zoals blijkt uit B.15.1 tot B.15.8, beantwoordt de wet aan de vereisten van toegankelijkheid en nauwkeurigheid.

B.19.4.1. De vrijheid van godsdienst en eredienst omvat onder meer de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst of zijn overtuiging tot uiting te brengen. De voormelde grondwets- en verdragsbepalingen beschermen evenwel niet elke daad die door een godsdienst of overtuiging is geïnspireerd en waarborgen niet in alle omstandigheden het recht om zich naar de religieuze voorschriften of naar zijn overtuiging te gedragen (EHRM, 2 oktober 2001, Pichon en Sajous t. Frankrijk; 29 juni 2004, Leyla Sahin t. Turkije, § 66; grote kamer, 10 november 2005, Leyla Sahin t. Turkije, § 105; 13 november 2008, Mann Singh t. Frankrijk).

B.19.4.2. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt uitdrukkelijk dat het niet in de weg staat aan de bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van de erin vermelde vrijheden worden gepleegd. Ook de aangevoerde verdragsbepalingen staan beperkingen toe voor zover die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor, met name, de openbare orde of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

B.19.4.3. In een democratische samenleving is het noodzakelijk de waarden en de beginselen die aan het Europees Verdrag voor de rechten van de mens ten grondslag liggen, te beschermen.

De grote kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in zijn arrest Leyla Sahin t. Turkije van 10 november 2005 als volgt geoordeeld :

« 108. Pluralisme, tolerantie en open geest kenmerken een ' democratische samenleving '. Hoewel de belangen van individuen soms ondergeschikt moeten worden gemaakt aan die van een groep, wordt de democratie niet teruggebracht tot de constante suprematie van de mening van een meerderheid, maar vereist zij een evenwicht dat de individuen van een minderheid een rechtvaardige behandeling verzekert en dat elk misbruik van een overheersende positie voorkomt (zie, mutatis mutandis, Young, James en Webster t. Verenigd Koninkrijk, arrest van 13 augustus 1981, reeks A, nr. 44, p. 25, § 63, en Chassagnou en anderen t. Frankrijk [GK], nrs. 25088/94, 28331/95 en 28443/95, § 112, EHRM 1999-III). Het pluralisme en de democratie dienen eveneens te steunen op de dialoog en een geest van compromis, die noodzakelijkerwijs vanwege de individuen diverse toegevingen inhouden die verantwoord zijn met het oog op het vrijwaren en bevorderen van de idealen en waarden van een democratische samenleving (zie mutatis mutandis, Parti communiste unifié de Turquie en anderen, voormeld, pp. 21-22, § 45, en Refah Partisi (Parti de la prospérité) en anderen, voormeld, § 99). Hoewel de ' rechten en vrijheden van anderen ' zelf zijn opgenomen onder die welke zijn gewaarborgd door het Verdrag of de Protocollen erbij, dient te worden aangenomen dat de noodzaak om ze te beschermen de Staten ertoe kan brengen andere rechten en vrijheden te beperken die eveneens in het Verdrag zijn verankerd : het is precies dat constante streven naar een evenwicht tussen de fundamentele rechten van iedereen dat de grondslag van een ' democratische samenleving ' vormt (Chassagnou en anderen, voormeld, § 113) ».

B.19.4.4. Behoudens in zeer uitzonderlijke gevallen moet de Staat zich niet uitspreken over de legitimiteit van de geloofsovertuigingen of over de wijze waarop die worden geuit (EHRM, grote kamer, 26 oktober 2000, Hassan en Tchaouch t. Bulgarije, § 78; 15 mei 2012, Fernandez Martinez t. Spanje, § 80).

Een inmenging in het recht op vrijheid van godsdienst kan echter worden verantwoord indien de gedragskeuzes die personen kunnen maken met toepassing van de religieuze normen onverenigbaar zijn met de Grondwet of met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens of indien zij aan de gelovigen worden opgelegd onder dwang en tegen hun wil (EHRM, 10 juni 2010, Jehovah's Witnesses of Moscow en anderen t. Rusland, § 119). De vrijheid om zijn religieuze overtuigingen uit te drukken staat immers niet toe dat de overtuiging of toetreding wordt afgedwongen door middel van ongepaste druk (ibid., § 139; 25 mei 1993, Kokkinakis t. Griekenland, § 48).

B.19.5. Uit de in B.7.1 en volgende in herinnering gebrachte toelichting bij de wetsvoorstellen die aan de oorsprong liggen van het bestreden artikel 36, vloeit voort dat de wetgever de bescherming van de zwakke personen beoogde.

Zoals in B.7.5 is vermeld, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden wet dat twee doelstellingen zijn nagestreefd : het invoeren van een nieuw autonoom misdrijf « misbruik van personen in een verzwakte positie » en een strafrechtelijk antwoord bieden op de problematiek van de mishandeling van kwetsbare personen in het algemeen (Parl. St., Senaat, 2010-2011, nr. 5-1095/3).

B.19.6. Dergelijke doelstellingen zijn legitiem en vallen onder de beperkingsgronden die zijn opgesomd in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, namelijk de bescherming van de openbare orde, alsook de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

B.19.7. Het Hof moet voorts nagaan of is voldaan aan de voorwaarden van noodzakelijkheid in een democratische samenleving en van evenredigheid met de aldus nagestreefde wettige doelstellingen.

B.19.8.1.1. Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden artikel 36 blijkt dat het bestraffen van het misbruik van zwakke personen is ingegeven door de noodzaak om « in het strafrechtelijk instrumentarium te beschikken over een autonoom misdrijf, om beter bij de feitelijke situatie te kunnen aansluiten » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, p. 62) :

« Vastgesteld wordt dat de in ons Strafwetboek vervatte strafbaarstellingen ontoereikend zijn en dat ze moeten worden aangescherpt. De vigerende wetgeving biedt immers niet de mogelijkheid de inbreuken op de psychische integriteit van de menselijke persoon te bestraffen.

[Het] lijkt [...] nuttig onze wetgeving aan te vullen met nieuwe bepalingen in ons Strafwetboek, die tot doel hebben het misbruik van personen in een verzwakte positie strafbaar te stellen » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-0493/001, pp. 3-4).

B.19.8.1.2. Het feit dat in het Strafwetboek reeds bepalingen zijn opgenomen die het mogelijk zouden maken de door de wetgever beoogde misbruiken in voorkomend geval te bestraffen, zoals, onder meer, artikel 417bis tot artikel 417quinquies (onmenselijke en onterende behandeling), artikel 496 en volgende (oplichting), artikel 470 (afpersing) en artikel 433quinquies (mensenhandel), heeft niet tot gevolg dat de wetgever niet zou mogen optreden. Het kan hem niet kwalijk worden genomen om te opteren voor een specifieke strafbaarstelling in geval van misbruik van zwakke personen.

De wetgever wenste immers de zwakke personen te beschermen, opdat hun rechten en vrijheden niet zouden worden geschaad door anderen die, wetens en willens, met bedrieglijk misbruik, inbreuk maken op hun rechten en vrijheden.

B.19.8.1.3. Rekening houdend met het bovenstaande kon de wetgever van oordeel zijn dat de specifieke strafbaarstelling van het misbruik van zwakke personen noodzakelijk is om redenen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

B.19.8.2. De toekenning, door artikel 43 van de wet van 26 november 2011, van een vorderingsrecht aan instellingen van openbaar nut en verenigingen zou de vrijheid van eredienst niet kunnen schenden omdat die bepaling op geen enkele wijze de band legt met het al dan niet behoren tot een bepaalde religieuze vereniging.

Zoals is gesteld in B.11.2, wordt het begrip « sektarische praktijken » enkel gebruikt om de verenigingen aan te wijzen die een vorderingsrecht kunnen hebben, maar wordt daardoor niet de vrijheid van eredienst aangetast.

B.19.9. Het Hof moet nog nagaan of het invoeren van een sanctie van strafrechtelijke aard teneinde de naleving van het bij de wet bepaalde verbod van bedrieglijk misbruik te waarborgen, geen gevolgen heeft die onevenredig zijn met de nagestreefde doelstellingen.

B.19.10.1. Artikel 442quater van het Strafwetboek bestraft het misdrijf met een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en met een geldboete van honderd euro tot duizend euro of met één van die straffen alleen. Indien het misbruik gepaard gaat met een verzwarende omstandigheid uit artikel 442quater, § 2, van het Strafwetboek, is een gevangenisstraf mogelijk van één jaar tot vier jaar en een geldboete van tweehonderd tot tweeduizend euro of één van die straffen alleen.

De rechtbank kan de veroordeelde ook geheel of gedeeltelijk ontzetten uit bepaalde burgerlijke en politieke rechten, zoals opgesomd in artikel 31, eerste lid, van het Strafwetboek (artikel 442quater, § 4, van het Strafwetboek).

De rechter kan ook bevelen het vonnis of een samenvatting ervan op kosten van de veroordeelde bekend te maken (artikel 442quater, § 5, van het Strafwetboek). De identiteit van het slachtoffer mag daarin niet vermeld zijn.

Naast die straffen kan het openbaar ministerie ook de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen uit artikel 42, 3°, van het Strafwetboek vorderen. Daarnaast kan het ook de verruimde verbeurdverklaring vorderen uit artikel 43quater van het Strafwetboek.

Pogingen tot het plegen van het misdrijf worden niet strafbaar gesteld.

B.19.10.2. Volgens de parlementaire voorbereiding werd gekozen voor een zo ruim mogelijke strafmaat, teneinde de magistraten zoveel mogelijk bewegingsruimte te geven :

« Dat de geldboeten zo hoog zijn, heeft ermee te maken dat de sektarische bewegingen en hun goeroes met hun zogezegde bijzondere krachten vaak over een groot fortuin beschikken, dat overigens nog aangroeit naarmate ze hun slachtoffers uitbuiten. Voorts beschikken zij soms over internationale connecties waardoor zij heel snel kunnen herwinnen wat zij mogelijkerwijs waren verloren.

Door hen aldus tot zware geldboeten te veroordelen, verkleinen wellicht de risico's op recidive.

[...]

[Door de] bekendmaking [van het vonnis] zullen zoveel mogelijk mensen ervan in kennis kunnen worden gesteld dat 's lands gerechtelijke overheden de praktijken van deze verenigingen of gene individuen vervolgen en veroordelen. [...]

[...]

[...] De rechters moeten immers de personen die zich als onwaardig burger hebben gedragen, de mogelijkheid kunnen ontzeggen het voordeel van bepaalde beleidsmaatregelen te genieten of bepaalde openbare ambten te bekleden » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, pp. 25-26).

B.19.10.3. Wanneer de wetgever van oordeel is dat bepaalde gedragingen dienen te worden bestraft, valt het onder zijn beoordelingsbevoegdheid te beslissen of het opportuun is te kiezen voor strafrechtelijke sancties en het niveau ervan te bepalen.

De vaststelling van de ernst van een misdrijf en van de zwaarwichtigheid waarmee dat misdrijf kan worden bestraft, behoort tot het opportuniteitsoordeel van de wetgever. Het Hof zou zich op het aan de wetgever voorbehouden domein begeven indien het bij de vraag naar de verantwoording van de evenredigheid van de ingevoerde strafsancties zelf een afweging zou maken op grond van een waardeoordeel over de laakbaarheid van de betrokken feiten. Wat de strafmaat en de burgerrechtelijke gevolgen ervan betreft, moet de beoordeling van het Hof beperkt blijven tot die gevallen waar de keuze van de wetgever dermate onsamenhangend is dat ze leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling tussen vergelijkbare misdrijven, of tot onevenredige gevolgen, gelet op de door de wetgever nagestreefde doestellingen.

B.19.10.4. Aangezien de bescherming van de zwakken in een democratische samenleving een wettig doel is, en een essentiële voorwaarde om eenieder in zijn grondrechten te beschermen, vermocht de wetgever ervan uit te gaan dat het misbruik van zwakken de werking van de samenleving en de uitoefening van grondrechten in het gevaar kon brengen en bijgevolg strafrechtelijk diende te worden bestraft.

Die maatregel is niet onevenredig met de nagestreefde doelstellingen. De wetgever heeft gekozen voor vergelijkbare strafsancties als bij andere misdrijven tegen een zwakke persoon. De omstandigheid dat de straf zwaarder kan zijn indien aan één van de verzwarende omstandigheden is voldaan, leidt niet tot een ander besluit.

Bovendien kan het enkele lidmaatschap van een religieuze minderheid niet worden gelijkgesteld met een zwakheid en is het misdrijf slechts gepleegd voor zover het misbruik tot gevolg heeft dat ernstig afbreuk wordt gedaan aan de fysieke of geestelijke integriteit van het slachtoffer of aan diens vermogen. Het plegen van een dergelijk misdrijf wordt ten slotte niet bestraft door de ontbinding van de religieuze gemeenschap binnen welke dat misdrijf zou zijn gepleegd (vgl. EHRM, 10 juni 2010, Jehovah's Witnesses of Moscow en anderen t. Rusland, §§ 141 en 159).

B.20. De middelen aangaande de schending van de vrijheid van godsdienst zijn niet gegrond.

B.21.1. Als derde middel wordt, door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461, tevens een schending van de vrijheid van meningsuiting aangevoerd, omdat de bestreden artikelen een « chilling effect » zouden hebben.

B.21.2. Zoals in B.19.4.1 is opgemerkt, omvat de vrijheid van godsdienst onder meer de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen. Aangezien de door de verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461 in het derde middel geformuleerde grieven niet verschillen van die welke zijn aangevoerd in het middel dat is afgeleid uit de schending van de godsdienstvrijheid, waarnaar de verzoekende partijen overigens verwijzen, is het middel niet gegrond om de redenen die zijn uiteengezet in B.19.1 tot B.19.10.4.

B.22. Het middel aangaande de schending van de vrijheid van meningsuiting is niet gegrond.

Wat het recht op eerbiediging van het privéleven betreft

B.23. Het vierde middel in de zaak nr. 5459 is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet. In de zaken nrs. 5460 en 5461 zijn de middelen afgeleid uit de schending van die grondwetsbepaling in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (zevende middel).

De verzoekende partijen in de zaak nr. 5459 merken op dat artikel 22 van de Grondwet aan de bevoegde regelgever uitdrukkelijk de opdracht geeft om positieve maatregelen te nemen om de bescherming van het recht op eerbiediging van het privéleven te waarborgen. In de bestreden wet zou evenwel helemaal geen rekening worden gehouden met die opdracht, terwijl de wetgever de verplichting heeft de mogelijkheid van de burger om een deel van zijn vermogen weg te schenken te beschermen. De bestreden wet, daarentegen, zou het recht om een deel van het vermogen weg te schenken onderwerpen aan een inmenging van overheidswege dat niet aan vaste criteria kan worden getoetst, zodat de burger niet kan bepalen wanneer en om welke omstandigheden zijn recht op zelfbeschikking zal worden beperkt.

De verzoekende partijen in de zaken nrs. 5460 en 5461 voeren aan dat het bestreden artikel 36 op ernstige wijze inbreuk zou maken op diverse aspecten van het privéleven, aangezien het rechtstreeks en onrechtstreeks afbreuk zou doen aan het recht van eenieder om gebruik te maken van zijn inkomen en zijn vermogen, zich op een zekere wijze te verzorgen en om levenskeuzes te maken, zelfs wanneer die keuzes niet bij iedereen in de smaak zouden vallen.

B.24.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :

« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

B.24.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».

B.25.1. Het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven. Het voorstel dat is voorafgegaan aan de aanneming van artikel 22 van de Grondwet beklemtoonde « de bescherming van de persoon, de erkenning van zijn identiteit en de belangrijkheid van zijn ontplooiing en die van zijn gezin » en het onderstreepte de noodzaak om het privéleven en het gezinsleven te beschermen tegen « inmenging, onder meer als gevolg van de onafgebroken ontwikkeling van de informatietechnieken, wanneer maatregelen van opsporing, onderzoek en controle door de overheid en particuliere instellingen worden uitgevoerd bij het uitoefenen van hun functie of hun activiteit » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-4/2°, p. 3).

B.25.2. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn niet absoluut. Aldus, hoewel artikel 22 van de Grondwet aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven toekent, voegt die bepaling immers daaraan onmiddellijk toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ».

De voormelde bepalingen vereisen dat in elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven wordt voorzien door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling.

B.25.3.1. Met betrekking tot de nauwkeurigheid van de wet, is in B.15.1 tot B.15.5 vastgesteld dat de daarin gebruikte woorden voldoende duidelijk zijn om iedereen toe te laten op het ogenblik dat een gedrag wordt aangenomen, te weten of dat gedrag valt onder het toepassingsgebied van de wet en bijgevolg strafrechtelijk kan worden bestraft.

B.25.3.2. Uit B.19.4.1 tot B.19.6 blijkt dat het bestreden artikel 36 beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte.

B.25.3.3. Ten slotte, wat betreft de mogelijke gevolgen van het bestreden artikel 36 voor het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven van de personen die hun keuze- en handelingsvrijheid beperkt zouden zien, onderscheidt de grief zich niet van die in verband met de eerbiediging van de vrijheid van eredienst, zodat hierop niet anders moet worden geantwoord. Uit B.19.8.1.1 tot B.19.8.1.3 blijkt dat het bestreden artikel 36 evenredig is met de nagestreefde doelstelling.

B.26. Het middel is niet gegrond.

Wat de vrijheid van vereniging betreft

B.27. Het vijfde middel in de zaken nrs. 5460 en 5461 is afgeleid uit de schending van artikel 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 11 en 53 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Volgens de verzoekende partijen raakt het bestreden artikel 36 van de wet van 26 november 2011 rechtstreeks de vrijheid van vereniging, aangezien het feit van deelneming aan de bedrijvigheden van een vereniging een misbruik zou kunnen uitmaken.

B.28.1. Artikel 27 van de Grondwet bepaalt :

« De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen ».

B.28.2. Artikel 11 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

2. De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet, dat wettige beperkingen worden aangebracht in de uitoefening van deze rechten door leden van de gewapende macht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat ».

B.28.3. Artikel 53 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Geen bepaling van dit Verdrag zal worden uitgelegd als beperkingen op te leggen of inbreuk te maken op de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, welke verzekerd kunnen worden ingevolge de wetten van enige Hoge Verdragsluitende Partij of ingevolge enig ander Verdrag waarbij de Hoge Verdragsluitende Partij partij is ».

B.29.1.1. De bestreden artikelen voeren, enerzijds, een nieuwe specifieke strafbaarstelling in voor het misbruik van zwakke personen, en, anderzijds, een vorderingsrecht voor bepaalde verenigingen om in rechte op te treden. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, hebben de bestreden bepalingen dus noch tot doel, noch tot gevolg de vrijheid van vereniging van personen te reglementeren.

B.29.1.2. Wat de specifieke strafbaarstelling betreft, is het deelnemen aan de activiteiten van een vereniging op zich niet strafbaar. Dit wordt uitdrukkelijk bevestigd in de parlementaire voorbereiding :

« Het is hoegenaamd niet de bedoeling van de indieners te raken aan de in de Grondwet verankerde vrijheden van eredienst en van vereniging. Wel zijn zij de mening toegedaan dat streng moet worden opgetreden tegen misbruik van mensen in een verzwakte positie, zeker wanneer de manipulatie van die mensen nog werd versterkt door de druk van een groep mensen die zich bundelen rond een ideaal of een gemeenschappelijke visie op spiritualiteit » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0080/007, pp. 24-25).

Bovendien is de strafbaarstelling vervat in artikel 442quater, § 1, van het Strafwetboek niet afhankelijk van enig lidmaatschap van een vereniging en derhalve niet verbonden aan de vrijheid van vereniging. Dit wordt eveneens uitdrukkelijk bevestigd in de parlementaire voorbereiding :

« De tekst beoogt niet de sektarische organisaties in de eigenlijke zin van het woord, maar strekt ertoe de ontsporingen in verband met bepaalde sektarische praktijken te bestraffen, ongeacht of die uitgaan van een groep, dan wel het werk zijn van een bepaalde persoon (bijvoorbeeld de praktijken van iemand die zich voor psychotherapeut uitgeeft) » (ibid., pp. 60-61).

De verzwarende omstandigheid bedoeld in artikel 442quater, § 2, 4°, van het Strafwetboek kan weliswaar worden beschouwd als een inmenging in de vrijheid van vereniging, maar die inmenging is in elk geval redelijkerwijze verantwoord om de in B.11.3 uiteengezette redenen.

B.29.1.3. Wat het vorderingsrecht van bepaalde verenigingen betreft, blijkt dat het bestreden artikel 43 geen vorderingsrecht verleent om zogenaamde sekten te vervolgen op vraag van oud-leden. Een vordering kan pas worden ingesteld mits instemming van het slachtoffer, hetgeen betekent dat het slachtoffer een persoon moet zijn die zich in een toestand van zwakte bevindt die zijn oordeelsvermogen ernstig verstoort, en die meent het voorwerp van een bedrieglijk misbruik door een andere persoon te hebben uitgemaakt. Het enkele feit dat een oud-lid van een zogenaamde sekte ontevreden is, is niet voldoende om aan een bepaalde vereniging een vorderingsrecht te verlenen.

B.29.2. Het middel is niet gegrond.

Wat de persoonlijke vrijheid betreft

B.30. Het zesde middel in de zaken nrs. 5460 en 5461 is afgeleid uit een schending van artikel 12, eerste lid, van de Grondwet. Volgens de verzoekende partijen vormt artikel 36 van de bestreden wet een ernstige inbreuk op de vrijheid van de persoon. Enerzijds, zouden de handelingen van bepaalde personen die, zelfs tegen wil en dank, in een zwakke positie worden geacht, die derden zouden hebben misbruikt, in twijfel kunnen worden getrokken. Teneinde hun handelingen te kunnen handhaven, zouden zij dan een geding moeten instellen. Het is in werkelijkheid het vrijheidsbeginsel zelf dat in het geding wordt gebracht, aangezien bepaalde personen onbekwaam zouden worden geacht dat recht uit te oefenen. Anderzijds, zou de bestreden wet ook de mogelijkheid openen voor bepaalde personen om niet de gevolgen te dragen van hun keuzes die vrij worden gemaakt. Door het ingevoerde effect van zelfcensuur en door de straffen waarin de bestreden wet voorziet, zou de wet de diversiteit inzake keuze aanzienlijk beperken, in het bijzonder op religieus en spiritueel vlak, wat de daadwerkelijke uitoefening van de individuele vrijheid zeer kwetsbaar maakt.

B.31. Artikel 12, eerste lid, van de Grondwet waarborgt de vrijheid van de persoon. Die vrijheid is evenwel niet absoluut.

Zij sluit niet uit dat de wetgever kan optreden teneinde bepaalde personen in een toestand van zwakheid te beschermen tegen de bedrieglijke praktijken waaraan hun toestand hen blootstelt. Zij belet evenmin dat de wetgever de daders van dergelijke bedrieglijke gedragingen strafbaar stelt.

Voor het overige beperkt de bestreden bepaling de individuele vrijheid van de slachtoffers van een misbruik van zwakheid niet, maar zij beperkt zich ertoe een dergelijk gedrag strafbaar te stellen ten aanzien van de dader ervan.

B.32. Het middel is niet gegrond.

Wat het eigendomsrecht betreft

B.33. Het achtste middel in de zaken nrs. 5460 en 5461 is afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De verzoekende partijen zijn van oordeel dat artikel 36 van de wet van 26 november 2011 bepaalde gedragingen strafbaar stelt en met name de gevallen van aantasting van het vermogen. Evenwel bestaan er in het strafrecht reeds verschillende bepalingen die ertoe strekken beslag te kunnen leggen op inkomsten uit onwettige activiteiten, zodat een dergelijke inmenging niet noodzakelijk zou zijn. De Belgische Staat zou zich, te dezen, niet kunnen beroepen op het algemeen belang, omdat de bestreden wet het particulier belang beoogt te beschermen van iedereen die zich benadeeld voelt. Ook zou het een inbreuk op het eigendomsrecht van de begunstigde van de fondsen zijn, aangezien hem fondsen worden ontzegd die hem toekomen en die hem, ondanks de instemming van de persoon die ze hem heeft toegekend, zouden kunnen worden ontnomen.

B.34.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

B.34.2. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

B.34.3. Aangezien de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Unie aantonen, is het middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Wanneer een internationaalrechtelijke bepaling zoals artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met diegene die zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de bestreden bepalingen, ermee rekening houdt.

B.35.1. Het middel in de zaken nrs. 5460 en 5461 gaat ervan uit dat wanneer het misdrijf van artikel 442quater van het Strafwetboek is gepleegd waardoor de zwakke persoon in zijn vermogen is geraakt, een bijzondere verbeurdverklaring kan worden uitgesproken door de rechter. Artikel 42, 3°, van het Strafwetboek bepaalt immers dat een bijzondere verbeurdverklaring kan worden toegepast op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en op de inkomsten uit de belegde voordelen.

B.35.2. De bestreden bepaling strekt er precies toe het eigendomsrecht van de in die bepaling bedoelde personen die zich in een welbepaalde toestand van zwakheid bevinden, te beschermen. In zoverre die bepaling, in samenhang gelezen met artikel 42, 3°, van het Strafwetboek, kan leiden tot een verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen door de personen die bedrieglijk misbruik hebben gemaakt van die zwakheid teneinde hen ertoe te brengen een handeling te verrichten waarbij hun vermogen ernstig wordt aangetast, of van de vermogensvoordelen die door andere begunstigden uit het misdrijf zijn verkregen, dient te worden vastgesteld dat hun eigendomsrecht niet is geschonden. De vermogensvoordelen die voortvloeien uit een misdrijf zijn immers niet op rechtmatige wijze verkregen.

B.36. Het middel is niet gegrond.

Wat het beginsel van de subsidiariteit van het strafrecht betreft

B.37. Het laatste middel in de zaken nrs. 5460 en 5461 is afgeleid uit de schending van het beginsel van de subsidiariteit van het strafrecht, zoals het zou voortvloeien uit artikel 12 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8, 9, 11 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 9 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de artikelen 6 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de bestreden wet, door de erbij ingevoerde strafrechtelijke bestraffing en door de gevangenisstraf waarin ze voorziet, zonder voorafgaand onderzoek van een niet-strafrechtelijke alternatieve maatregel en zonder adequate verantwoording, van nature en per definitie afbreuk zou doen aan het beginsel van de subsidiariteit van het strafrecht en aan de vrijheid van de persoon.

B.38.1. Artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :

« 1. Een ieder heeft recht op vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige arrestatie of gevangenhouding. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve op wettige gronden en op wettige wijze.

2. Iedere gearresteerde dient bij zijn arrestatie op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie en dient onverwijld op de hoogte te worden gebracht van de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht.

3. Een ieder die op beschuldiging van het begaan van een strafbaar feit wordt gearresteerd of gevangen gehouden dient onverwijld voor de rechter te worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd is verklaard rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of op vrije voeten te worden gesteld. Het mag geen regel zijn dat personen die op hun berechting wachten in voorarrest worden gehouden, doch hun invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van de garanties in een later stadium van de rechtsgang voor de rechtbank te verschijnen voor hun berechting en, zo daartoe aanleiding bestaat, voor de tenuitvoerlegging van het vonnis.

4. Een ieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd, heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter, opdat die rechter binnen korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien zijn gevangenhouding onrechtmatig is.

5. Een ieder die het slachtoffer is geweest van een onwettige arrestatie of gevangenhouding heeft recht op schadeloosstelling ».

B.38.2. Artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt :

« 1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin, mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren.

2. Geen enkele bepaling van dit artikel staat in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, van strafrechtelijke aard was overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de volkerengemeenschap worden erkend ».

B.38.3. Zoals aangegeven in B.34.3 tonen de verzoekende partijen geen aanknopingspunt van hun situatie met de tenuitvoerlegging van het recht van de Europese Unie aan, zodat het middel niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

B.39. In zoverre het middel verwijst naar het « beginsel van de subsidiariteit van het strafrecht » en het is afgeleid uit de schending, door de bestreden wet, van de individuele vrijheid zoals die verankerd is in de bepalingen die in het middel worden beoogd, houdt het in dat de noodzakelijkheid en de evenredigheid van de invoering, door de wetgever, van een sanctie van strafrechtelijke aard worden onderzocht.

Die grief is reeds beantwoord naar aanleiding van het onderzoek van het middel dat is afgeleid uit de schending van artikel 19 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van mens. Het in aanmerking nemen van andere verdragsbepalingen leidt niet tot een ander antwoord.

B.40. Om de motieven uiteengezet in B.19 is het middel niet gegrond.

Om die redenen,

het Hof

verwerpt de beroepen, onder het in B.15.3 vermelde voorbehoud van interpretatie.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 7 november 2013.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 26 november 2011 tot wijziging en aanvulling van het Strafwetboek teneinde het misbruik van de zwakke toestand van personen strafbaar te stellen, en de strafrechtelijke bescherming van kwetsbare personen tegen mishandeling uit te breiden, ingesteld door Raymond Elsen en Jan Jelle Keppler, door Zaki Chairi en Wahiba Yachou en door Karim Geirnaert. Strafrecht

  • Misdaden en wanbedrijven tegen personen

  • 1. Misbruik van zwakheid

  • Vorderingsrecht van verenigingen

  • 2. Verzwarende omstandigheden

  • Misdrijven tegen personen die kwetsbaar zijn vanwege hun leeftijd, ziekte, zwangerschap, of lichamelijk of geestelijk gebrek

  • 3. Sektarische bewegingen

  • 4. Wettigheidsbeginsel in strafzaken

  • Vereisten van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid van strafwetten

  • 5. Beoordelingsbevoegdheid van de rechter. # Rechten en vrijheden

  • 1. Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

  • 2. Vrijheid van meningsuiting

  • 3. Vrijheid van eredienst

  • 4. Verbod van discriminatie

  • 5. Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven

  • 6. Vrijheid van vereniging

  • 7. Individuele vrijheid

  • 8. Eigendomsrecht

  • 9. Beperkingen.