- Arrest van 19 december 2013

19/12/2013 - 174/2013

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de strafrechter niet toelaat de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld en zich, door middel van een afzonderlijke vordering, heeft aangesloten bij de rechtstreekse dagvaarding door een andere burgerlijke partij, te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 18 oktober 2011 in zake Nathalie Brulant en anderen, in aanwezigheid van de procureur des Konings, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 februari 2013, heeft de Correctionele Rechtbank te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schenden de bepalingen van artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering (ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, in werking getreden op 1 januari 2008) het gelijkheidsbeginsel zoals het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet is vervat, in zoverre wordt bepaald dat de burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal worden veroordeeld tot het betalen van de in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde vergoeding aan de beklaagde, terwijl de burgerlijke partijen die niet rechtstreeks hebben gedagvaard maar die een samenvoeging genieten van de zaken die aanhangig zijn gemaakt door het openbaar ministerie en door de verzoekende partijen middels een rechtstreekse dagvaarding om hun burgerlijkepartijstelling tot de rechtstreeks gedagvaarde en tot de burgerrechtelijk aansprakelijke uit te breiden, niet zullen worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de vrijgesproken rechtstreeks gedagvaarde en aan de burgerrechtelijk aansprakelijke, hetgeen niet het geval zou zijn indien die burgerlijke partijen rechtstreeks hadden gedagvaard ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 162bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat », bepaalt :

« Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis ».

Die vergoeding is « een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij » (artikel 1022, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007).

B.1.2. Aangezien de relevante artikelen van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties » nog niet in werking zijn getreden, dient daarmee geen rekening te worden gehouden in het kader van de onderhavige procedure.

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en de bewoordingen van de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in het geding zijnde bepaling de benadeelde personen verschillend zou behandelen naargelang zij rechtstreeks hebben gedagvaard voor het vonnisgerecht dan wel zich ertoe hebben beperkt zich burgerlijke partij te stellen, door middel van een tussenkomst, door hun eigen vordering te doen aansluiten bij de rechtstreekse dagvaarding door een andere burgerlijke partij.

In de interpretatie van de verwijzende rechter zouden alleen de burgerlijke partijen van de eerste categorie moeten worden veroordeeld tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding wanneer zij in het ongelijk worden gesteld.

B.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat, hoewel zij voor de politierechtbank zijn samengevoegd, de rechtstreekse dagvaarding door het openbaar ministerie, enerzijds, en de rechtstreekse dagvaarding door sommige burgerlijke partijen, anderzijds, geen betrekking hadden op dezelfde beklaagden.

Terwijl de door het openbaar ministerie vervolgde beklaagde in eerste aanleg en in hoger beroep is vrijgesproken, is de door sommige burgerlijke partijen rechtstreeks gedagvaarde beklaagde alleen in hoger beroep vrijgesproken. Bovendien heeft de prejudiciële vraag alleen betrekking op de eventuele rechtsplegingsvergoeding die aan de laatstgenoemde verschuldigd zou zijn door die van de burgerlijke partijen die zich ertoe hebben beperkt zich, bij wege van tussenkomst, te voegen bij de rechtstreekse dagvaarding die andere burgerlijke partijen tegen hem hebben betekend.

B.4. De rechtsplegingsvergoeding waarvan sprake is in de in het geding zijnde bepaling, heeft alleen betrekking op de burgerlijke vordering, namelijk de vordering voor het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf. Die vergoeding is, zoals in B.1.1 is vermeld, verschuldigd aan de partij die in het gelijk wordt gesteld.

De in het geding zijnde bepaling strekt dus ertoe ten laste van de burgerlijke partij die een dergelijke vordering door een rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht heeft ingesteld, alle of een deel van de kosten en erelonen van de advocaat te leggen die een persoon moet betalen die uiteindelijk is vrijgesproken in het kader van de strafvordering die door die burgerlijkepartijstelling op gang is gebracht.

B.5. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een geheel van maatregelen die beantwoorden aan de zorg « dat men de rechtsonderhorigen die het herstel vragen van een schade voor een burgerlijke of een strafrechtelijke jurisdictie op gelijke voet zou behandelen » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, pp. 6 en 8; ibid., nr. 3-1686/5, p. 32; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 5). De bij de in het geding zijnde bepaling voorgeschreven veroordeling is verantwoord door het gegeven dat het de burgerlijke partij, en niet het openbaar ministerie, is die « de strafvordering [...] op gang heeft gebracht », zodat zij voor die vordering « aansprakelijk » moet worden geacht « ten aanzien van de beklaagde » (Parl. St., Senaat,, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 8; Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, p. 6).

Ten aanzien van de situatie van de vrijgesproken beklaagde of van de inverdenkinggestelde die een buitenvervolgingstelling geniet, wordt in de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling voorts gepreciseerd :

« Overeenstemmend met het advies van de ordes van advocaten en van de Hoge Raad voor de Justitie, zal de verhaalbaarheid trouwens ook niet aan bod komen in de betrekkingen tussen de beklaagde en de Staat, die wordt vertegenwoordigd door het openbaar ministerie. Er moet op gewezen worden dat het openbaar ministerie, door vervolging in te stellen, het algemeen belang vertegenwoordigt en derhalve niet op één lijn kan worden gesteld met een burgerlijke partij die de strafvordering alleen in gang zou zetten om een privébelang te verdedigen » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2891/002, pp. 6-7).

B.6.1. Wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht de wetgever redelijkerwijs ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding automatisch verschuldigd zou zijn telkens als zijn vordering zonder gevolg blijft, niet tot het openbaar ministerie diende te worden uitgebreid.

B.6.2. Gelet op hetgeen voorafgaat, is het eveneens verantwoord dat de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij tot geen enkele rechtsplegingsvergoeding wordt veroordeeld wanneer zij zich ertoe heeft beperkt haar vordering te doen aansluiten bij een door een openbaar ministerie ingestelde strafvordering of wanneer een onderzoeksgerecht de verwijzing voor een vonnisgerecht heeft bevolen.

Immers, de wetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat, in die hypothesen, zelfs wanneer de burgerlijke partij in haar aanspraken in het ongelijk wordt gesteld, zij niet verantwoordelijk moest worden geacht voor de vervolgingen tegen de beklaagde (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 33).

Die gevallen verschillen van die van een voor de burgerlijke rechter ingestelde procedure, die, ongeacht de wijze waarop zij is ingesteld, nooit een vordering is die aansluit bij een strafvordering die ofwel door het openbaar ministerie, ofwel bij een verwijzingsbeschikking op gang is gebracht.

B.7. Het is daarentegen niet redelijk verantwoord dat de burgerlijke partij die zich, door middel van een afzonderlijke vordering, heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding door een andere burgerlijke partij, ervan wordt vrijgesteld een rechtsplegingsvergoeding te betalen wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld, terwijl zij zou zijn veroordeeld tot de betaling van een dergelijke vergoeding indien zij tussengekomen was in een geschil dat voor een burgerlijke rechter hangende was (Cass., 20 juni 2011, C.10.0134.N).

Gelet op de wil van de wetgever om de persoon die een vordering tot schadevergoeding voor de strafrechter instelt en de persoon die zijn burgerlijke vordering voor een burgerlijk rechtscollege instelt, gelijk te behandelen, enerzijds, en op het gegeven dat de strafvordering niet is aangevat door het openbaar ministerie, noch is bevestigd door een beslissing van een onderzoeksgerecht, anderzijds, vereist het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie dat de burgerlijke partij die door een afzonderlijke vordering is tussengekomen in het strafgeding dat door een andere burgerlijke partij is aangevat tegen de vrijgesproken beklaagde, ertoe is gehouden een rechtsplegingsvergoeding ten behoeve van die laatstgenoemde te betalen.

B.8. De in het geding zijnde bepaling is onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de strafrechter niet toestaat de in het ongelijk gestelde burgerlijke partij die zich, door middel van een afzonderlijke vordering, heeft aangesloten bij de rechtstreekse dagvaarding door een andere burgerlijke partij, te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding.

B.9. Aangezien de in B.8 gedane vaststelling van de lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter een einde te maken aan de schending van die normen.

B.10. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 « betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de strafrechter niet toelaat de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld en zich, door middel van een afzonderlijke vordering, heeft aangesloten bij de rechtstreekse dagvaarding door een andere burgerlijke partij, te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 19 december 2013.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 162bis, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals ingevoegd bij artikel 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Charleroi. Strafrechtspleging

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • In het ongelijk gestelde burgerlijke partij die zich door een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een door een andere burgerlijke partij betekende rechtstreekse dagvaarding.