- Arrest van 16 januari 2014

16/01/2014 - 3/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 5, § 2, van de wet van 8 juli 1977 « houdende goedkeuring van volgende internationale akten : 1. Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht, opgemaakt te Straatsburg op 27 november 1963; 2. Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970; 3. Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), Uitvoeringsreglement en vier Protocollen, opgemaakt te München op 5 oktober 1973; 4. Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de Gemeenschappelijke Markt (Gemeenschapsoctrooiverdrag), en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Luxemburg op 15 december 1975 », in zoverre het van toepassing is op de houder van een Europees octrooi, verleend in het Engels en gepubliceerd vóór 13 december 2007, vervolgens in stand gehouden, na die datum, door het Europees Octrooibureau na een oppositieprocedure, schendt artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 17 oktober 2012 in zake de vennootschap naar Amerikaans recht « BioPheresis Technologies Inc. » tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 oktober 2012, heeft de Rechtbank van Koophandel te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Doet artikel 5 van de wet van 8 juli 1977 [houdende goedkeuring van volgende internationale akten : 1. Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht, opgemaakt te Straatsburg op 27 november 1963; 2. Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970; 3. Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), Uitvoeringsreglement en vier Protocollen, opgemaakt te München op 5 oktober 1973; 4. Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de Gemeenschappelijke Markt (Gemeenschapsoctrooiverdrag), en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Luxemburg op 15 december 1975] op onevenredige wijze afbreuk aan, en schendt het bijgevolg het eigendomsrecht zoals dat is gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en, voor zover nodig, bij artikel 1 van het Aanvullend Protocol van 20 maart 1952 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het, bij niet-inachtneming van de termijn van drie maanden die is bepaald voor het indienen van de vertaling van een door het Europees Octrooibureau in stand gehouden octrooi, de rechten van de octrooihouder geheel doet vervallen, zonder te voorzien in enige mogelijkheid tot verlenging of herstel, terwijl aan de vereisten van het algemeen belang kan worden tegemoetgekomen met andere maatregelen die het eigendomsrecht niet of minder aantasten ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 5 van de wet van 8 juli 1977 « houdende goedkeuring van volgende internationale akten : 1. Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht, opgemaakt te Straatsburg op 27 november 1963; 2. Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970; 3. Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), Uitvoeringsreglement en vier Protocollen, opgemaakt te München op 5 oktober 1973; 4. Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de Gemeenschappelijke Markt (Gemeenschapsoctrooiverdrag), en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Luxemburg op 15 december 1975 » bepaalt :

« § 1. Indien de tekst, waarin het Europees Octrooibureau het Europees octrooi verleent of in stand houdt als gevolg van een aanvraag waarin België werd aangewezen, niet is opgesteld in één van de nationale talen, moet de aanvrager aan de Dienst een vertaling in één van deze talen sturen binnen de termijn van drie maanden te rekenen vanaf de dag van de publicatie van de vermelding van de verlening van het octrooi, hetzij wanneer de verlening of de instandhouding plaatsheeft op een ogenblik waarop het Verdrag betreffende het gemeenschapsoctrooi nog niet in werking is hetzij dat zijn artikel 87 later geen toepassing kan vinden hetzij wanneer de verlening of de instandhouding gebeurt op een aanvraag waarin de verklaring voorkomt bedoeld in artikel 86, § 1, van het Verdrag betreffende het gemeenschapsoctrooi.

§ 2. Indien aan de bepaling van § 1 geen gevolg wordt gegeven dan wordt het Europees octrooi geacht in België vanaf het begin geen gevolgen te hebben.

§ 3. De Dienst houdt een register van alle Europese octrooien bedoeld in § 1 die gevolgen hebben op het nationaal grondgebied, stelt de tekst of eventueel de vertaling ter beschikking van het publiek en ontvangt de nationale taksen voor de instandhouding van het octrooi voor de jaren die volgen op het jaar waarin de publicatie heeft plaatsgehad van de vermelding van de verlening van het octrooi ».

B.1.2. Artikel 50 van de wet van 10 januari 2011 « ter uitvoering van het Verdrag inzake octrooirecht en de Akte tot herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, alsook tot wijziging van diverse bepalingen inzake uitvindingsoctrooien » voorziet in de invoeging, in artikel 5 van de wet van 8 juli 1977, van een paragraaf 1bis, luidende als volgt :

« De herstelprocedure bedoeld in artikel 70bis van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien, is van toepassing op de termijn beschreven in de vorige paragraaf ».

Artikel 42 van de wet van 10 januari 2011 voorziet in de invoeging, in de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien, van een artikel 70bis, luidende als volgt :

« § 1. Wanneer een aanvrager of een houder van een octrooi een termijn voor een handeling in een procedure voor de Dienst niet in acht heeft genomen, en dit verzuim het verlies van rechten ten aanzien van een aanvraag of octrooi tot rechtstreeks gevolg heeft, worden de rechten van de aanvrager of de houder ten aanzien van de desbetreffende aanvraag of het desbetreffende octrooi door de Dienst hersteld indien :

1° een verzoek daartoe bij de Dienst wordt gedaan overeenkomstig de door de Koning gestelde voorwaarden en binnen de door de Koning bepaalde termijn;

2° de niet-gestelde handeling moet worden verricht binnen de in 1° vermelde termijn voor de indiening van het verzoek;

3° in het verzoekschrift de redenen worden vermeld waarom de vastgestelde termijn niet in acht is genomen;

4° de Dienst vaststelt dat het verzuim de termijn in acht te nemen is ontstaan ondanks dat in het onderhavige geval de nodige zorg is betracht.

Het verzoek tot herstel wordt in het Register ingeschreven.

Een verklaring of andere bewijzen ter ondersteuning van de onder 3° bedoelde redenen worden bij de Dienst ingediend binnen een door de Koning bepaalde termijn.

Het verzoekschrift zal pas behandeld worden nadat de voorgeschreven taksen met betrekking tot dit verzoek zijn betaald.

§ 2. Een verzoekschrift uit hoofde van § 1 kan niet geheel of ten dele worden geweigerd zonder dat de verzoekende partij in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door de Koning bepaalde termijn commentaar te leveren op de voorgenomen weigering.

De beslissing tot herstel of tot weigering wordt in het Register ingeschreven.

§ 3. Degene die, tussen het moment waarop de rechten, als bepaald in artikel 40, § 2, vervallen en dat waarop het herstel van deze rechten uitwerking heeft overeenkomstig § 2 van dit artikel, in België te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de uitvinding die het voorwerp uitmaakt van het octrooi of daartoe de nodige maatregelen heeft getroffen, mag deze uitvinding blijven gebruiken tot nut van zijn eigen onderneming. Het recht erkend door deze paragraaf mag slechts overgedragen worden met de onderneming waaraan het verbonden is. Voorbehoud wordt gemaakt voor de toepassing van de wet van 10 januari 1955.

Het voorgaande lid is ook van toepassing wanneer de bescherming voorzien in artikel 29, eerste lid, opnieuw uitwerking heeft ten gevolge van het herstel van de octrooiaanvraag.

§ 4. Een verzoek tot herstel in de rechten als bedoeld in § 1 is niet ontvankelijk voor :

1° de termijnen bedoeld in § 1;

2° de termijnen bedoeld in artikel 19, §§ 7 tot 9.

De Koning bepaalt in voorkomend geval andere termijnen dan deze vermeld in het vorige lid, voor dewelke een verzoek tot herstel niet ontvankelijk is ».

Die wijzigingsbepalingen zijn nog niet in werking getreden.

B.2.1. Een « Europees octrooi » is een octrooi dat is verleend krachtens het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), opgemaakt te München op 5 oktober 1973, (artikel 2, lid 1, van dat Verdrag), waaraan instemming is verleend door artikel 1, 3., van de wet van 8 juli 1977.

Dat Verdrag is met name herzien door de Akte « van herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Verdrag inzake het Europees octrooi) van 5 oktober 1973, laatst gewijzigd op 17 december 1991 », ondertekend te München op 29 november 2000, in werking getreden op 13 december 2007, waaraan instemming is verleend bij een wet van 21 april 2007.

Sommige bepalingen van dat Verdrag die bij die Akte zijn gewijzigd of ingevoegd, zijn van toepassing op de Europese octrooien die zijn verleend vóór 13 december 2007 (artikel 7 van de voormelde Akte; eerste artikel van de beslissing van de raad van bestuur van 28 juni 2001 « betreffende de overgangsbepalingen inzake artikel 7 van de Akte van herziening van het Europees Octrooiverdrag van 29 november 2000 », Journal officiel de l'Office européen des brevets, 2001, bijzondere uitgave nr. 4, p. 139).

B.2.2. Het Europees octrooi wordt verleend door het « Europees Octrooibureau », dat een orgaan is van de Europese Octrooiorganisatie die bij het voormelde Verdrag is opgericht, en waarvan de officiële talen het Duits, het Engels en het Frans zijn (artikelen 4 en 14, lid 1, van dat Verdrag).

Een aanvraag voor een Europees octrooi moet in beginsel worden ingediend in een van die talen (artikel 14 van het Verdrag). Wanneer zij wordt ingediend in een andere taal, moet zij worden vertaald in een van de drie officiële talen van het Europees Octrooibureau (artikel 14, lid 2, van het Verdrag). Tijdens de hele procedure met betrekking tot dat octrooi gebruikt het Bureau, schriftelijk, slechts een van zijn drie officiële talen (artikel 14, lid 3, van het Verdrag, vervangen bij de Akte van 29 november 2000).

B.2.3. De beslissing tot het verlenen van een Europees octrooi wordt van kracht op de dag waarop de vermelding van die verlening wordt gepubliceerd in het Europees Octrooiblad (artikel 97 van het Europees Octrooiverdrag). Vanaf die publicatie kent dat octrooi, in beginsel, aan de houder ervan rechten toe die identiek zijn aan die welke een nationaal octrooi hem zou toekennen in elk van de Staten waarvoor het is verleend (artikel 64 van het Europees Octrooiverdrag).

B.2.4. Binnen negen maanden na de publicatie van de vermelding van de verlening van het Europees octrooi kan iedereen bij het Europees Octrooibureau oppositie instellen tegen dat octrooi (artikel 99, lid 1, van het Europees Octrooiverdrag).

Indien het Bureau van mening is dat, rekening houdend met de wijzigingen die de houder van het octrooi gedurende de oppositieprocedure heeft aangebracht, het octrooi en de uitvinding die het voorwerp ervan uitmaakt, voldoen aan de vereisten van het Europees Octrooiverdrag, besluit het het octrooi in stand te houden zoals het is gewijzigd, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden (artikel 101 van datzelfde Verdrag, vervangen bij de Akte van 29 november 2000).

De vermelding van die beslissing wordt gepubliceerd in het Europees Octrooiblad (artikel 103 van het Europees Octrooiverdrag, vervangen bij de Akte van 29 november 2000).

B.2.5. De « nationale talen » bedoeld in de in het geding zijnde bepaling zijn het Nederlands, het Frans en het Duits.

De « Dienst » in de zin van die bepaling is de Dienst voor de industriële eigendom (artikel 2 van de wet van 8 juli 1977, gewijzigd bij artikel 75, § 5, van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien).

B.2.6. Het Verdrag betreffende het gemeenschapsoctrooi zoals bedoeld in de in het geding zijnde bepaling is nooit van kracht geworden.

B.3. Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid van artikel 5, § 2, van de wet van 8 juli 1977 met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de in het geding zijnde bepaling een onevenredige eigendomsberovende maatregel zou zijn door aan te nemen dat een Europees octrooi, verleend in het Engels en gepubliceerd vóór 13 december 2007, vervolgens na die datum in stand gehouden door het Europees Octrooibureau na een oppositieprocedure, geen gevolgen heeft omdat de houder van dat octrooi aan de Dienst voor de industriële eigendom geen vertaling in het Nederlands, het Frans of het Duits van het nieuwe octrooischrift heeft bezorgd binnen drie maanden na de publicatie in het Europees Octrooiblad van de vermelding van de instandhouding van dat gewijzigde octrooi.

B.4. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

B.5.1. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :

« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».

B.5.2. De tweede zin van die bepaling, die een bijzonder geval van aantasting van het eigendomsrecht beoogt, moet worden geïnterpreteerd in het licht van het beginsel van het genot van eigendom bepaald in de eerste zin van die bepaling (EHRM, grote kamer, 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc. t. Portugal, § 62; 25 oktober 2012, Vistins en Perepjolkins t. Letland, § 93).

Het begrip « eigendom » in die eerste zin omvat met name de andere « vermogensrechten » dan de materiële goederen (EHRM, grote kamer, 11 januari 2007, Anheuser-Busch Inc. t. Portugal, § 63). Die bepaling is van toepassing op de intellectuele eigendom als dusdanig (ibid., § 72).

Een eigendomsberoving in de betekenis van de tweede zin van de voormelde bepaling moet plaatshebben onder de bij de wet bepaalde voorwaarden, om reden van openbaar nut en met inachtneming van een billijk evenwicht tussen de rechten van de eigenaar en de belangen van de gemeenschap (EHRM, grote kamer, 25 oktober 2012, Vistins en Perepjolkins t. Letland, § 94).

Verbonden aan de noden van de maatschappij of aan een probleem van algemeen belang, heeft het openbaar nut van een eigendomsberovende maatregel betrekking op de rechtmatigheid van het met die maatregel nagestreefde doel en op het onderzoek van politieke, economische en sociale vragen (ibid., § 106).

Een inmenging in het recht op het genot van eigendom moet altijd een billijk evenwicht beogen tussen de vereisten van het algemeen belang van de gemeenschap en de vereisten van het vrijwaren van de fundamentele rechten van het individu. De aangewende middelen moeten evenredig zijn met het met de eigendomsberovende maatregel nagestreefde doel (ibid., § 108). Wanneer geen bedrag wordt betaald dat redelijkerwijs in verhouding is met de waarde van het goed, vormt een eigendomsberoving normaal gezien een overdreven aantasting van het eigendomsrecht van het individu (ibid., § 110). Een volledige ontstentenis van vergoeding is alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden met dat recht verenigbaar (ibid., § 112).

B.6. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft een strekking die analoog is aan die van artikel 16 van de Grondwet, zodat de daarin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel vormen met die welke in die grondwetsbepaling zijn opgenomen.

B.7.1. Het Europees octrooi dat in stand is gehouden na de wijziging ervan in het kader van een voor het Europees Octrooibureau gevoerde oppositieprocedure, octrooi dat een geheel van vermogensrechten toekent, is eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.7.2. Door aan te nemen dat dat Europees octrooi geen gevolgen heeft op het Belgische grondgebied houdt artikel 5, § 2, van de wet van 8 juli 1977 een inmenging in het eigendomsrecht van de houder van dat octrooi in, in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.8.1. De regel vervat in artikel 5, § 2, van de wet van 8 juli 1977 is een sanctie wegens de niet-naleving van de verplichting die artikel 5, § 1, van dezelfde wet oplegt aan de houder van een na wijziging in stand gehouden Europees octrooi om aan de Dienst voor de industriële eigendom een vertaling van dat octrooi te bezorgen binnen drie maanden na de publicatie van de vermelding van de verlening van dat octrooi in het Europees Octrooiblad.

B.8.2. Die verplichting vloeit voort uit de vaststelling dat het « aangewezen [leek] een vertaling te eisen van alle titels die op het Belgisch grondgebied dezelfde rechten verlenen als een nationaal octrooi » (Parl. St., Senaat, 1976-1977, nr. 1012/1, p. 8).

Zij vloeit voort uit de zorg uitgedrukt in artikel 65 van het Europees Octrooiverdrag (ibid., p. 8) dat, getiteld « Vertaling van het Europees octrooischrift », aanvankelijk bepaalde :

« (1) Elke Verdragsluitende Staat kan, indien de tekst waarin het Europees Octrooibureau voorstelt voor die Staat een Europees octrooi te verlenen of voor die Staat een Europees octrooi in gewijzigde vorm in stand te houden, niet is opgesteld in een van de officiële talen van de betrokken Staat, eisen dat de aanvrager of de houder van het octrooi aan de centrale dienst voor de industriële eigendom een vertaling van die tekst verstrekt in één van die officiële talen naar zijn keuze of, voor zover de betrokken Staat het gebruik van een bepaalde officiële taal verplicht heeft gesteld, in die taal. De vertaling moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na het begin van hetzij de termijn bedoeld in artikel 97, tweede lid, letter b), hetzij de termijn bedoeld in artikel 102, derde lid, letter b), tenzij de desbetreffende Staat een langere termijn toestaat.

(2) Elke Verdragsluitende Staat die voorschriften heeft gegeven krachtens het eerste lid, kan bepalen dat de aanvrager of de houder van het octrooi binnen de door die Staat vast te stellen termijn de kosten van de publicatie van de vertaling geheel of gedeeltelijk voldoet.

(3) Elke Verdragsluitende Staat kan bepalen dat, indien de krachtens het eerste en tweede lid gegeven voorschriften niet worden nagekomen, het Europees octrooi in die Staat geacht wordt van de aanvang af geen rechtsgevolgen te hebben gehad ».

B.8.3. Artikel 5, § 2, van de wet van 8 juli 1977 verwijst eveneens naar die internationale bepaling, die, sinds de vervanging ervan bij artikel 1, punt 22, van de Akte van 29 november 2000, is getiteld « Vertaling van het Europees octrooi » en bepaalt :

« (1) Elke Verdragsluitende Staat kan voorschrijven dat, indien het Europees octrooi zoals verleend, voortgezet in gewijzigde vorm, of beperkt door het Europees Octrooibureau niet is opgesteld in een van zijn officiële talen, de houder van het octrooi aan zijn centrale dienst voor de industriële eigendom een vertaling van het octrooi, zoals verleend, gewijzigd of beperkt, moet verstrekken in een van zijn officiële talen naar zijn keuze, of, voor zover de betrokken Staat het gebruik van een bepaalde officiële taal verplicht heeft gesteld, in die taal. De vertaling moet worden voorgelegd binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum waarop de vermelding van de verlening, van de voortzetting in gewijzigde vorm of van de beperking van het Europees octrooi in het Europees Octrooiblad gepubliceerd wordt, tenzij de betrokken Staat een langere termijn voorschrijft.

(2) Elke Verdragsluitende Staat die maatregelen heeft genomen krachtens het eerste lid, kan bepalen dat de houder van het octrooi binnen de door die Staat vast te stellen termijn de kosten van de publicatie van de vertaling geheel of gedeeltelijk betaalt.

(3) Elke Verdragsluitende Staat kan bepalen dat, indien de krachtens het eerste en tweede lid gegeven maatregelen niet worden nagekomen, het Europees octrooi in die Staat geacht wordt van de aanvang af geen rechtsgevolgen te hebben gehad ».

Die versie van artikel 65 van het Europees Octrooiverdrag is van toepassing op de vóór 13 december 2007 verleende Europese octrooien (artikel 7 van de Akte van 29 november 2000, in samenhang gelezen met artikel 1, punt 2, van de beslissing van de raad van bestuur van het Europees Octrooibureau van 28 juni 2001).

B.9.1. Zoals is opgemerkt in B.2.3, kent een Europees octrooi in beginsel aan de houder ervan rechten toe die identiek zijn aan die welke een nationaal octrooi hem zou toekennen in elk van de Staten waarvoor het is verleend.

Een uitvindingsoctrooi verleend met toepassing van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien verleent aan de houder ervan « een uitsluitend en tijdelijk recht van exploitatie [...] voor iedere uitvinding die nieuw is, op uitvinderswerkzaamheid berust en vatbaar is voor toepassing op het gebied van de nijverheid » (artikel 2, eerste lid, van die wet). De houder van een dergelijk octrooi beschikt over het recht om andere personen talrijke gedragingen te verbieden die verband houden met zijn uitvinding, zoals die welke zijn beschreven in artikel 27 van de wet van 28 maart 1984.

Rekening houdend met de rechten die aan een Europees octrooi zijn gekoppeld, is het van belang dat de derden ten opzichte van dat octrooi zo goed mogelijk kunnen worden ingelicht over het bestaan en de draagwijdte ervan, zelfs wanneer het in het Engels is opgesteld.

B.9.2. De omvang van de door een Europees octrooi verleende bescherming wordt bepaald door de aan dat octrooi verbonden conclusies. De beschrijving van de uitvinding en de tekeningen die daarop betrekking hebben, dienen evenwel om de conclusies uit te leggen (artikel 69, lid 1, van het Europees Octrooiverdrag, zoals vervangen bij artikel 1, punt 25, van de Akte van 29 november 2000).

Het Europees octrooischrift dat vóór 13 december 2007 is afgegeven en gepubliceerd, bevat de « beschrijving » van de uitvinding, de « conclusies » en, in voorkomend geval, de « tekeningen » waarnaar de beschrijving en de conclusies verwijzen (artikel 98 van het Europees Octrooiverdrag, in de bewoordingen vóór de vervanging ervan bij artikel 1, punt 43, van de Akte van 29 november 2000).

Het nieuwe octrooischrift van een dergelijk Europees octrooi, gewijzigd na 13 december 2007, bevat de « beschrijving », de « conclusies » en de « tekeningen » zoals die zijn gewijzigd (regel 87 van het « Reglement tot uitvoering van het Europees Octrooiverdrag 2000 zoals aangenomen door de raad van bestuur bij zijn beslissing van 7 december 2006 », Journal officiel de l'Office européen des brevets, 2007, bijzonder uitgave nr. 1, p. 91; artikel 2 van de beslissing van de raad van bestuur van 7 december 2006 « tot wijziging van het reglement tot uitvoering van het Europees Octrooiverdrag 2000 », Journal officiel de l'Office européen des brevets, 2007, p. 8).

De uitvinding wordt uiteengezet in de aanvraag voor een Europees octrooi en dit op voldoende duidelijke en volledige wijze opdat zij door een deskundige kan worden toegepast (artikel 83 van het Europees Octrooiverdrag).

De conclusies beschrijven het onderwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd. Zij dienen duidelijk en beknopt te zijn en steun te vinden in de beschrijving (artikel 84 van het Europees Octrooiverdrag).

Door aan de Dienst voor de industriële eigendom de vertaling, in het Nederlands, het Frans of het Duits, van het nieuwe octrooischrift van een Europees octrooi opgesteld in het Engels en gewijzigd na een oppositieprocedure voor het Europees Octrooibureau te bezorgen, maakt de houder van dat octrooi het de Dienst voor de industriële eigendom mogelijk die vertaling ter beschikking te stellen van het publiek dat die kan raadplegen (artikel 5, § 3, van de wet van 8 juli 1977; artikel 5 van het koninklijk besluit van 27 februari 1981 « betreffende het indienen van een Europese octrooiaanvraag, het omzetten ervan in een nationale aanvraag en het registreren van Europese octrooien met rechtsgevolgen in België », vervangen bij artikel 36, § 5, van het koninklijk besluit van 2 december 1986 « betreffende het aanvragen, verlenen en in stand houden van uitvindingsoctrooien »).

B.9.3. Wanneer, vóór 13 december 2007, het Europees Octrooibureau in het Europees Octrooiblad de vermelding van de verlening van een in het Engels opgesteld Europees octrooi publiceerde, publiceerde het tegelijk daarmee het octrooischrift ervan met de beschrijving, de conclusies en, in voorkomend geval, de tekeningen van dat octrooi (artikel 98 van het Europees Octrooiverdrag, vóór de vervanging ervan bij artikel 1, punt 43, van de Akte van 29 november 2000). Dat octrooischrift bevatte een vertaling van de conclusies in het Duits en in het Frans (artikel 14, leden 1 en 7, van hetzelfde Verdrag, vóór de vervanging ervan bij artikel 1, punt 3, van de Akte van 29 november 2000).

B.9.4. Een beslissing van het Europees Octrooibureau, genomen na 13 december 2007, om, in een gewijzigde vorm, een vóór die datum in het Engels verleend Europees octrooi in stand te houden, veronderstelt dat de houder van dat octrooi zelf wijzigingen heeft aangebracht in de beschrijving, de conclusies of de tekeningen van zijn octrooi tijdens de oppositieprocedure (artikel 101, lid 3, van het Europees Octrooiverdrag, zoals vervangen bij artikel 1, punt 46, van de Akte van 29 november 2000; regels 79, lid 1, 80 en 81, lid 3, van het Reglement tot uitvoering van het Europees Octrooiverdrag 2000, zoals aangenomen door de raad van bestuur bij zijn beslissing van 7 december 2006).

Een dergelijke beslissing kan niet worden genomen vooraleer diezelfde houder aan het Europees Octrooibureau een vertaling in het Duits en in het Frans van de gewijzigde conclusies heeft bezorgd (regel 82 van het Reglement tot uitvoering van het Europees Octrooiverdrag 2000).

Sinds 13 december 2007 worden de vertalingen in het Duits en in het Frans van de conclusies van het nieuwe octrooischrift van een Europees octrooi dat is opgesteld in het Engels en is gewijzigd na een oppositieprocedure, door het Europees Octrooibureau « zo spoedig mogelijk » gepubliceerd na de publicatie van de vermelding van de beslissing tot instandhouding van het gewijzigde octrooi in het Europees Octrooiblad (artikel 103 van het Europees Octrooiverdrag, zoals vervangen bij artikel 1, punt 48, van de Akte van 29 november 2000).

B.9.5. De wijze waarop de wetgever gebruik maakt van een mogelijkheid waarin is voorzien in een verdragsbepaling, dient verantwoord te zijn in het licht van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.9.6. Hoewel het ontbreken van een deel van de vertaling nagenoeg geen invloed heeft op de kennis die derden kunnen verwerven over het bestaan en de draagwijdte van het Europees octrooi, heeft de wetgever gekozen voor een verregaande sanctie, ongeacht de duur en de reden van de overschrijding van de termijn. Die sanctie kan zeer verregaande economische gevolgen hebben voor de houder van het Europees octrooi.

Artikel 65, lid 3, van het Europees Octrooiverdrag vereist evenwel geen dergelijke sanctie, aangezien die bepaling niet uitsluit dat de wetgever kiest voor een minder verregaande sanctie, zoals een geldboete of een niet-tegenstelbaarheid aan derden die kunnen aantonen dat zij als gevolg van de ontbrekende vertaling onvoldoende ingelicht waren over het bestaan en de draagwijdte van het Europees octrooi.

B.10. Aangezien het voormelde artikel 5, § 1bis, van de wet van 8 juli 1977 en het voormelde artikel 70bis van de wet van 28 maart 1984 niet in werking zijn getreden, beschikt de octrooihouder die niet in staat is de in de in het geding zijnde bepaling bedoelde termijn van drie maanden na te leven, niet over de mogelijkheid om die termijn te doen verlengen.

De verplichting vervat in de in het geding zijnde bepaling zou overigens vervallen indien België partij zou worden bij het Protocol van Londen van 17 oktober 2000 « inzake de toepassing van artikel 65 van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien ». Artikel 1 van dat Protocol bepaalt immers dat elke Verdragsluitende Staat die minstens een officiële taal gemeenschappelijk heeft met het Europees Octrooibureau, afziet van de vertaalvereiste bedoeld in artikel 65 van het Europees Octrooiverdrag.

B.11. De in het geding zijnde eigendomsberoving is niet evenredig met het nagestreefde doel en houdt een niet-verantwoorde aantasting in van het eigendomsrecht van de houder van het Europees octrooi.

B.12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 5, § 2, van de wet van 8 juli 1977 « houdende goedkeuring van volgende internationale akten : 1. Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht, opgemaakt te Straatsburg op 27 november 1963; 2. Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970; 3. Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), Uitvoeringsreglement en vier Protocollen, opgemaakt te München op 5 oktober 1973; 4. Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de Gemeenschappelijke Markt (Gemeenschapsoctrooiverdrag), en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Luxemburg op 15 december 1975 », in zoverre het van toepassing is op de houder van een Europees octrooi, verleend in het Engels en gepubliceerd vóór 13 december 2007, vervolgens in stand gehouden, na die datum, door het Europees Octrooibureau na een oppositieprocedure, schendt artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 januari 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag over artikel 5 van de wet van 8 juli 1977 « houdende goedkeuring van volgende internationale akten : 1. Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht, opgemaakt te Straatsburg op 27 november 1963; 2. Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970; 3. Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag), Uitvoeringsreglement en vier Protocollen, opgemaakt te München op 5 oktober 1973; 4. Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de Gemeenschappelijke Markt (Gemeenschapsoctrooiverdrag), en Uitvoeringsreglement, opgemaakt te Luxemburg op 15 december 1975 », gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Brussel. Intellectueel eigendomsrecht

  • Europees octrooi

  • Houder van een Europees octrooi verleend in het Engels en gepubliceerd vóór 13 december 2007, vervolgens in stand gehouden, na die datum, door het Europees Octrooibureau na een oppositieprocedure

  • Verplichting om een vertaling te bezorgen

  • Sanctie. # Rechten en vrijheden

  • Eigendomsrecht.