- Arrest van 23 januari 2014

23/01/2014 - 10/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 42, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt de artikelen 10, 11, 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet niet.

Aldus


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit emeritus voorzitter M. Bossuyt, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, voorzitter J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest van 12 december 2012 in zake de Belgische Staat tegen André D'Haese en in zake de Belgische Staat tegen de bvba « Avenue », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 januari 2013, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 42, § 3, tweede lid, WBTW, in zoverre het aan de minister van Financiën of aan de fiscale administratie de bevoegdheid delegeert om de perken en voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling, voorzien in artikel 42, § 3, eerste lid, 1° en 3° WBTW te bepalen, de artikelen 10, 11, 170, § 1, 172, tweede lid, van de Grondwet ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 42, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW-Wetboek) bepaalt :

« Door of vanwege de Minister van Financiën worden de perken en de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf bepaald. Er kan onder meer worden bepaald dat de in deze paragraaf bedoelde vrijstellingen worden verleend bij wijze van teruggaaf ».

B.1.2. Artikel 42, § 3, eerste lid, 1° en 3°, van het BTW-Wetboek, zoals van toepassing op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, bepaalt :

« Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen en de invoeren van goederen en de diensten in het kader van de diplomatieke en consulaire betrekkingen;

[...]

3° de leveringen en de invoeren van goederen en de diensten bestemd voor de internationale instellingen en daaraan verbonden ambtenaren, voor zover in zulke vrijstelling is voorzien door een overeenkomst waarbij België toegetreden is;

[...] ».

B.1.3. Artikel 42, § 3, eerste lid, 1° en 3°, van het BTW-Wetboek stelt bepaalde goederenleveringen en diensten vrij van belasting wanneer die zijn verricht in het kader van diplomatieke en consulaire betrekkingen of wanneer die zijn bestemd voor de internationale instellingen en daaraan verbonden ambtenaren, voor zover in zulk een vrijstelling is voorzien door een overeenkomst waarbij België is toegetreden.

De beperkingen van de vrijstellingen bedoeld in artikel 42, § 3, eerste lid, 1° en 3°, van het BTW-Wetboek en de voorwaarden waaronder ze van toepassing zijn, zijn, ter uitvoering van artikel 42, § 3, tweede lid, van het BTW-Wetboek, gepreciseerd in aanschrijving nr. 1/1978, gepubliceerd op de website van de FOD Financiën.

B.2.1. Artikel 42, § 3, van het BTW-Wetboek vormt de omzetting in het Belgisch recht van het vroegere artikel 15, punt 10, van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 « betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting », thans opgeheven en vervangen door artikel 151, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

B.2.2. Oorspronkelijk bepaalde artikel 42, § 2 (thans § 3), van het BTW-Wetboek, ingevoerd bij de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde :

« De vrijstelling van de belasting geldt ook ten aanzien van de nagenoemde handelingen, wanneer deze plaatshebben onder de door of vanwege de Minister van Financiën te stellen voorwaarden en, ten aanzien van 1°, binnen de door of namens hem te bepalen perken :

1° de leveringen en diensten aan en de invoer door ambassades, consulaten en diplomatieke of consulaire ambtenaren;

2° de leveringen en diensten aan en de invoer door internationale instellingen of daaraan verbonden buitenlandse ambtenaren, voor zover in de vrijstelling is voorzien door een overeenkomst waarbij België toegetreden is;

[...] ».

Het BTW-Wetboek vloeide voort uit de verplichting, opgelegd door de Europese Economische Gemeenschap, om uiterlijk op 1 januari 1970 de stelsels van omzetbelasting in de EEG-landen te vervangen door een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. In de parlementaire voorbereiding wordt aangegeven dat :

« [...] vrijstellingen zoveel mogelijk [dienden te worden] geweerd, omdat ze een verhoging van het normale tarief vereisen, de toepassing van het stelsel compliceren en verstoringen veroorzaken » (Parl. St., Kamer, 1968, nr. 88/1, p. 11).

« De vrijstellingen die zijn opgesomd in artikel 42, § 2, en die hun bestaansreden vinden in door België medeondertekende internationale overeenkomsten of in de biezondere aard van de bestemming der goederen en der diensten, bestaan reeds in de huidige wetgeving. Zoals thans, wordt het aan de Minister van Financiën of aan zijn afgevaardigde overgelaten de voorwaarden te bepalen die moeten worden nageleefd om misbruiken te voorkomen » (ibid., pp. 39-40).

B.2.3. Bij artikel 22 van de wet van 27 december 1977 « tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten », werd artikel 42 van het BTW-Wetboek aangepast aan de zesde richtlijn 77/388/EEG.

B.3. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 42, § 3, tweede lid, van het BTW-Wetboek de artikelen 10, 11, 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet schendt in zoverre het aan de minister van Financiën (« door ») of aan de belastingadministratie (« vanwege ») de bevoegdheid delegeert om de perken en de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling zoals bepaald in artikel 42, § 3, eerste lid, 1° en 3°, van het BTW-Wetboek vast te stellen.

B.4. Artikel 170, § 1, van de Grondwet bepaalt :

« Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet ».

Artikel 172, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :

« Geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet ».

B.5. Uit de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet kan worden afgeleid dat geen enkele belasting kan worden geheven en dat geen enkele vrijstelling van belasting kan worden verleend zonder instemming van de belastingplichtigen, uitgedrukt door hun vertegenwoordigers. Daaruit volgt dat de fiscale aangelegenheid een bevoegdheid is die te dezen door de Grondwet aan de wet wordt voorbehouden en dat elke delegatie die betrekking heeft op het bepalen van één van de essentiële elementen van de belasting, in beginsel ongrondwettig is.

De voormelde grondwetsbepalingen gaan evenwel niet zover dat ze de wetgever ertoe zouden verplichten elk aspect van een belasting of van een vrijstelling zelf te regelen. Een aan een andere overheid verleende bevoegdheid is niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.

Tot de essentiële elementen van een belasting behoren de aanwijzing van de belastingplichtigen, de belastbare materie, de heffingsgrondslag, de aanslagvoet en de eventuele belastingvrijstellingen.

B.6. Te dezen bepaalt artikel 42, § 3, eerste lid, van het BTW-Wetboek welke leveringen en invoeren van goederen en diensten een belastingvrijstelling kunnen genieten.

De delegatie aan de minister van Financiën, in artikel 42, § 3, tweede lid, van het BTW-Wetboek, heeft betrekking op de bevoegdheid voor het bepalen van « de perken en voorwaarden » van die vrijstellingen, « om misbruiken te voorkomen » (Parl. St., Kamer, 1968, nr. 88/1, pp. 39-40), hetgeen door de belastingadministratie is gebeurd in de aanschrijving nr. 1 van 3 januari 1978; die aanschrijving bepaalt wat moet worden verstaan onder « diplomatieke en consulaire betrekking » en de documenten middels welke de toepassing van de wettelijke vrijstelling kan worden aangetoond en genoten. Aanschrijving nr. 1 vormt voor de belastingplichtigen enkel een praktische leidraad.

Derhalve houdt de aan de minister van Financiën of de belastingadministratie gedelegeerde bevoegdheid niet in nieuwe vrijstellingen in te voeren of de vrijstellingen waarin artikel 42, § 3, eerste lid, voorziet, te beperken, op te heffen of enigszins te wijzigen. De in het geding zijnde delegatie van de bevoegdheid beoogt enkel de uitwerking en de tenuitvoerlegging van door de wetgever bepaalde essentiële elementen.

Hieruit vloeit voort dat de wetgever, door aan de minister van Financiën of de belastingadministratie de bevoegdheid te delegeren om de perken en voorwaarden van de vrijstellingen van artikel 42, § 3, eerste lid, 1° en 3°, van het BTW-Wetboek te bepalen, geen afbreuk heeft gedaan aan het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken, zoals gewaarborgd bij de artikelen 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet.

B.7. Voor het overige staat het aan de bevoegde rechter om te oordelen of de minister van Financiën de doelstellingen van de in het geding zijnde bepaling en de perken van de erin vervatte delegatie in acht heeft genomen.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 42, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt de artikelen 10, 11, 170, § 1, en 172, tweede lid, van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 23 januari 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

M. Bossuyt

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 42, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Fiscaal recht

  • Belasting over de toegevoegde waarde

  • Vrijstellingen

  • Goederenleveringen en diensten verricht in het kader van diplomatieke en consulaire betrekkingen of bestemd voor de internationale instellingen

  • Voorwaarden

  • Wettigheidsbeginsel

  • Delegatie aan de minister van Financiën.