- Arrest van 27 februari 2014

27/02/2014 - 37/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- schorst artikel III.81, eerste lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII, in zoverre het voorziet in de inwerkingtreding, op 1 september 2013, van artikel III.20 van dat decreet, waarbij in de Codex Secundair Onderwijs een artikel 110/30, § 1, wordt ingevoegd;

- verwerpt de vorderingen voor het overige.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût en T. Giet, en, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus voorzitter M. Bossuyt,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging

a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 15 november 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 november 2013, hebben Petronella Nellissen en Adri De Brabandere, wonende te 2920 Kalmthout, Max Temmermanlaan 32, een vordering tot schorsing ingesteld van artikel III.20 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII (invoeging van een artikel 110/30 over het huisonderwijs in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 augustus 2013.

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepaling.

b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 november 2013 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 november 2013, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen II.1, 1°, II.9, II.10, II.45, III.2, 1°, III.19, III.20 en III.81 van voormeld decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2013 door de vzw « Mojsdis Chaside Belze », met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Van Spangenstraat 6, de vzw « Bais Rachel », met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Lamorinièrestraat 26-28, de vzw « Bais Chinuch Secundair », met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Lamorinièrestraat 83, de vzw « Jeshiwah Ketane D'Chasside Wiznitz », met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Jacob Jacobstraat 37, de vzw « School Wiznitz », met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Belgiëlei 32, de vzw « Jeschiwah-Etz-Chayim, Hoger Theologisch Instituut voor Joodse Wetenschappen », met maatschappelijke zetel te 2610 Wilrijk, Steytelincklei 22, de vzw « Talmud Torah Antwerpen », met maatschappelijke zetel te 2018 Antwerpen, Simonsstraat 50, de vzw « Satmar Cheider », met maatschappelijke zetel te 1020 Brussel, Sint-Annadreef 68b, Isaac Wajsman en Rachel Zelman, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Israel Wajsman, wonende te 2018 Antwerpen, Helenalei 22, Samuel Stroli en Malka Gross, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Eli Stroli, wonende te 2018 Antwerpen, Marialei 24, Yehoshua Kohen en Rachel Galitzky, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kinderen Israel Kohen en Moshe Kohen, wonende te 2018 Antwerpen, Van Leriusstraat 19, Yaacov David Meirovitz en Rachel Herczl, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kinderen Chaim Meirovitz en Aron Meirovitz, wonende te 2140 Borgerhout, Oedenkovenstraat 7, Isaac Friedman en Chaya Klein, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kinderen Miryom Friedman, Chave Friedman, Esther Friedman en Malkeh Friedman, wonende te 2018 Antwerpen, Terliststraat 43, Avraham Katina en Esther Stauber, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Frimet Katina, wonende te 2018 Antwerpen, Consciencestraat 18, Yisroel Hollander en Chaja Steinbach, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Esther Hollander, wonende te 2018 Antwerpen, Lange Leemstraat 175, Erwin Aftergut en Esther Sara Schachter, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Bracha Aftergut, wonende te 2018 Antwerpen, Lange Leemstraat 196, Oscar Roth en Lea Roth Sheindel, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Chaim Roth, wonende te 2018 Antwerpen, Van Den Nestlei 14, Abraham Weiss en Shoshana Wertheim, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Jakob Weiss, wonende te 2018 Antwerpen, Lange Leemstraat 40, Mozes Klein en Yocheved Berlinger, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Jacov Klein, wonende te 2018 Antwerpen, Lamorinièrestraat 155, Naftali Geldzahler en Freda Veg, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kinderen Sruli Geldzahler en Moishe Geldzahler, wonende te 2018 Antwerpen, Lange Leemstraat 351, Victor Dresdner en Esther Berger, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kinderen Mozes Dresdner, Jozef Dresdner en Abraham Dresdner, wonende te 2018 Antwerpen, Charlottalei 34, Abraham Noe en Sylvia Herskovic, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kinderen Jakov Noe en Naftali Noe, wonende te 2018 Antwerpen, Lange Leemstraat 283, Samuel Roth en Ester Luria, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Moishi Roth, wonende te 2018 Antwerpen, Mercatorstraat 16, en Israel Sobel en Shoshana Schaechter, handelend uit eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun kind Jacov Sobel, wonende te 2018 Antwerpen, Haringrodestraat 12.

Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5746 en 5756 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

II. In rechte

(...)

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5746 vorderen, in hoofdorde, de schorsing van artikel III.20 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII, waarbij een artikel 110/30 over het huisonderwijs in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs (hierna : de Codex Secundair Onderwijs), wordt ingevoegd. In ondergeschikte orde vorderen zij de schorsing van dat artikel III.20 in zoverre het een artikel 110/30, § 1, tweede lid, in die Codex invoegt.

B.1.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5756 vorderen de schorsing van de artikelen II.1, 1°, II.9, II.10, II.45, III.2, 1°, III.19, III.20 en III.81 van hetzelfde decreet van 19 juli 2013.

B.2.1. De bestreden artikelen II.1, 1°, II.9, II.10 en II.45, opgenomen in hoofdstuk II (« Basisonderwijs ») van het decreet van 19 juli 2013, bepalen :

« Art. II.1. In artikel 3 van het decreet Basisonderwijs van 25 februari 1997, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° punt 24° wordt vervangen door wat volgt :

`24° huisonderwijs :

- het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school;

- onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van de toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan;' ».

« Art. II.9. In hetzelfde decreet wordt een artikel 26bis/l ingevoegd, dat luidt als volgt :

`Art. 26bis/l. § 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap.

De informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :

1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;

2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;

3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;

4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;

5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;

6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;

7° en, de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.

In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland.

§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs en bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :

1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.' ».

« Art. II.10. In hetzelfde decreet wordt een artikel 26bis/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :

`Art. 26bis/2. § 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie met het oog op het verkrijgen van een getuigschrift Basisonderwijs als vermeld in artikel 56, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige elf jaar is geworden voor 1 januari.

Als de leerplichtige zich niet tijdig aandient bij de examencommissie of na maximaal twee pogingen en uiterlijk in het schooljaar waarin hij of zij dertien jaar is geworden voor 1 januari het getuigschrift Basisonderwijs niet verkrijgt, moeten de ouders de leerplichtige inschrijven, hetzij in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders van de volgende leerplichtigen, de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :

1° leerplichtigen aan wie een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor het examen, vermeld in paragraaf 1;

2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van het basisonderwijs;

3° leerplichtigen die ingeschreven zijn in één van volgende scholen :

a) Europese scholen;

b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

d) scholen gelegen in het buitenland.' ».

« Art. II.45. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2013.

Artikel II.4, II.5, II.19, 2° en II.20 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2012.

Artikel II.2, II.3, II.7, II.14 en II.22 treden in werking op 1 september 2014 ».

B.2.2. De bestreden artikelen III.2, 1°, III.19, III.20 en III.81, opgenomen in hoofdstuk III (« Secundair onderwijs ») van het decreet van 19 juli 2013, bepalen :

« Art. III.2. In artikel 3 van [de Codex Secundair Onderwijs], gewijzigd bij de decreten van 1 juli 2011, 25 november 2011 en 21 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° er wordt een punt 15° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt :

`15° /1 huisonderwijs :

- het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school of centrum;

- onder huisonderwijs wordt eveneens verstaan het onderwijs dat aan een leerplichtige wordt verstrekt in het kader van één van volgende regelingen :

1° het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder in bepaalde gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra, ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand aan de leerplicht kan worden voldaan;

2° het koninklijk besluit van 1 maart 2002 tot oprichting van een Centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;

3° het koninklijk besluit van 12 november 2009 tot oprichting van een gesloten federaal centrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;' ».

« Art. III.19. In dezelfde codex wordt in hoofdstuk 1/3 een artikel 110/29 ingevoegd, dat luidt als volgt :

`Art. 110/29. § 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs moeten uiterlijk op de derde schooldag van het schooljaar waarin de leerplichtige huisonderwijs volgt, een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs, indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap. Die informatie over het huisonderwijs moet minstens de volgende elementen bevatten :

1° de persoonsgegevens van de ouders en de leerplichtige die het huisonderwijs volgt;

2° de gegevens van wie het huisonderwijs zal geven, met inbegrip van het opleidingsniveau van de lesgever(s) van het huisonderwijs;

3° de taal waarin het huisonderwijs zal worden verstrekt;

4° de periode wanneer het huisonderwijs zal plaatsvinden;

5° de onderwijsdoelen die met het huisonderwijs zullen worden nagestreefd;

6° de afstemming van het huisonderwijs op de leerbehoeften van de leerplichtige;

7° de bronnen en leermiddelen die zullen worden gebruikt voor het huisonderwijs.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap zullen hiertoe een document ter beschikking stellen.

In afwijking van het eerste lid dienen ouders die hun leerplichtige kinderen inschrijven in één van volgende scholen, geen verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie in te dienen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen in het buitenland.

§ 2. In afwijking van de termijn, vermeld in paragraaf 1, kunnen de ouders van volgende leerplichtigen steeds een verklaring van huisonderwijs met bijhorende informatie over het huisonderwijs indienen bij de bevoegde diensten van de Vlaamse Gemeenschap :

1° leerplichtigen die zich in de loop van een schooljaar domiciliëren in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

2° leerplichtigen die in de loop van een schooljaar naar het buitenland gaan, maar gedomicilieerd blijven in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of het Vlaamse Gewest;

3° leerplichtigen die begeleid worden door een centrum voor leerlingenbegeleiding en indien dat centrum voor leerlingenbegeleiding na de nodige informatie door de ouders, geen gemotiveerd bezwaar indient tegen het starten met huisonderwijs, binnen de tien werkdagen nadat het betrokken centrum voor leerlingenbegeleiding op de hoogte werd gesteld van de verklaring.' ».

« Art. III.20. In dezelfde codex wordt in hoofdstuk 1/3 een artikel 110/30 ingevoegd, dat luidt als volgt :

`Art. 110/30. § 1. Ouders die opteren voor huisonderwijs zijn verplicht de leerplichtige in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs.

Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij de leeftijd van vijftien jaar bereikt, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap of Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° scholen gelegen in het buitenland.

Hiertoe heeft de leerplichtige maximaal twee pogingen. Met maximaal twee pogingen wordt bedoeld dat voor elk onderdeel van het examenprogramma, zijnde een vak of een cluster van vakken, de leerplichtige tweemaal aan het examen mag deelnemen en er bijgevolg één herkansing is.

§ 2. In afwijking van paragraaf 1 moeten ouders de leerplichtige niet inschrijven bij de examencommissie :

1° indien een centrum voor leerlingenbegeleiding uitdrukkelijk een vrijstelling geeft voor de examens, vermeld in paragraaf 1;

2° indien de leerplichtige in het bezit is van een individuele gelijkwaardigheidsbeslissing met minstens het niveau van de eerste graad secundair onderwijs;

3° indien de leerplichtige ingeschreven is in één van de volgende scholen :

a) Europese scholen;

b) internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

c) internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

d) scholen gelegen in het buitenland.' ».

« Art. III.81. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2013.

Artikel III.1, III.11, 1°, III.12, III.14, 2° en III.15 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2012.

Artikel III.2, 4°, 5°, 6°, 8°, III.24, III.27, III.28, III.29, III.32, III.34 tot en met III.53, III.57, III.58, III.63, III.66, III.67, III.69 en III.72 treden in werking op 1 september 2014 ».

B.3.1. In de memorie van toelichting van het ontwerp dat het bestreden decreet is geworden, wordt de nieuwe regelgeving inzake huisonderwijs als volgt toegelicht :

« Ouders kunnen in functie van hun kind voor een bepaalde vorm van huisonderwijs kiezen. Om een helder kader te schetsen en de kwaliteit van het huisonderwijs te waarborgen, is het noodzakelijk de regelgeving op een aantal punten te verduidelijken en nieuwe elementen toe te voegen. De aanpassingen situeren zich op het vlak van terminologie, instapdatum, controle op het huisonderwijs en een kwaliteitscontrole via de Vlaamse examencommissie.

Het huisonderwijs wordt nu duidelijk gedefinieerd als het onderwijs dat verstrekt wordt aan leerplichtigen van wie de ouders beslist hebben om hen niet in te schrijven in een door een Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde school » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2012-2013, nr. 2066/1, pp. 10-11).

De artikelsgewijze toelichting vermeldt :

« Vanuit de Vlaamse Overheid worden ouders aangemoedigd om hun kinderen in te schrijven in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap. In België bestaat echter geen schoolplicht maar leerplicht. Ouders kunnen met andere woorden in functie van hun kind voor een bepaalde vorm van huisonderwijs kiezen. Cijfers in dit verband tonen aan dat steeds meer leerlingen op deze manier voldoen aan de leerplicht. [...]

Huisonderwijs kan georganiseerd worden in individueel verband, maar ook privéscholen vallen onder het stelsel van huisonderwijs. Dit zijn ook alle scholen, andere dan deze die door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap erkend, gefinancierd of gesubsidieerd zijn. In dit geval spreken we van collectief huisonderwijs. Tussen deze twee uitersten zijn heel wat tussenvormen mogelijk, zoals bijvoorbeeld een feitelijke vereniging van ouders die huisonderwijs organiseert of bekostigt voor een beperkte groep kinderen » (ibid., p. 19).

B.3.2. Wat inzonderheid de « kwaliteitscontrole » betreft, meer bepaald de toetsing via de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap, vermeldt de memorie van toelichting :

« De inhoudelijke toetsing van de kwaliteit van huisonderwijs is vandaag erg beperkt.

De minimale vereisten die door de leerplichtwet en het decreet basisonderwijs opgelegd worden zijn de volgende :

`1° het onderwijs is gericht op de ontplooiing van de volledige persoonlijkheid en de talenten van het kind en op de voorbereiding van het kind op een actief leven als volwassene;

2° het onderwijs bevordert het respect voor de grondrechten van de mens en voor de culturele waarden van het kind zelf en van anderen.'.

Naar aanleiding van het decreet van 25 april 2008 van de Franse Gemeenschap tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het gefinancierd of gesubsidieerd onderwijs, bevestigde het Grondwettelijk Hof dat de vrijheid van onderwijs beperkt wordt door het hogere recht van het kind op kwalitatief onderwijs. (Arrest 168/2009, 29 oktober 2009, Arrest 107/2009, 9 juli 2009).

[...]

Bovenvermelde rechtspraak opent nieuwe mogelijkheden om ook in Vlaanderen de kwaliteit van het huisonderwijs effectiever en efficiënter op te volgen, onder meer via de examencommissie en de onderwijsinspectie.

Ouders die kiezen om hun kinderen huisonderwijs te laten volgen en hen dus niet inschrijven in een school die erkend, gefinancierd of gesubsidieerd is door de Vlaamse Gemeenschap, Franse Gemeenschap, Duitstalige Gemeenschap, of in een Europese school of in sommige internationale scholen, dienen :

- uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige 11 jaar is geworden voor 1 januari, die in te schrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Bovendien dient de leerplichtige ook te slagen voor dit toetsingsmoment. Dit betekent concreet het getuigschrift basisonderwijs verkrijgen. Indien de leerling niet slaagt voor de examencommissie dan kan hij zich nog een tweede keer inschrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap;

- de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin die de leeftijd van 15 jaar bereikt, aan te melden bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. Bovendien dient de leerplichtige ook te slagen voor dit toetsingsmoment. Dit betekent concreet slagen voor vakken die leiden tot een getuigschrift of een diploma van het secundair onderwijs, zoals vastgelegd in een examenprogramma van de examencommissie. Er wordt aan de leerplichtige de ruimte gelaten met het oog op welk getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs hij of zij zich aanmeldt bij de examencommissie. Dit heeft tot gevolg dat men minstens het getuigschrift van de eerste graad van het secundair onderwijs dient te behalen, maar ook een hoger getuigschrift of het diploma van het secundair onderwijs kan nastreven. Indien de leerling niet slaagt voor de examencommissie dan kan hij zich nog een tweede keer inschrijven bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap.

Ter verduidelijking wordt gesteld dat met twee pogingen bedoeld wordt, dat voor elk onderdeel van het examenprogramma (per vak of per cluster van vakken) de kandidaat tweemaal aan het examen mag deelnemen, hij heeft dus één herkansing. Dit staat los van de chronologie van de examens en het tijdstip waarop de examens plaats vinden. Daarbij is het verder zo dat de decreetgever sinds 1 oktober 2012 de werking van de examencommissies flexibeler heeft gemaakt, onder meer door continu examens in te richten.

Op de verplichting om zich aan te melden bij de examencommissie is een uitzondering voorzien voor leerlingen met bijzondere noden. Een centrum voor leerlingenbegeleiding kan oordelen dat een leerling niet in staat is om deel te nemen aan hogergenoemde examens georganiseerd door de examencommissie en hiervoor uitdrukkelijk een vrijstelling verlenen. De leerlingen die een vrijstelling kunnen krijgen via een centrum voor leerlingenbegeleiding voor deelname aan de examencommissie hoeven niet dezelfde leerlingen te zijn als de leerlingen die zouden worden doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs. Ook leerlingen met een inschrijvingsverslag voor het buitengewoon onderwijs kunnen, onder bepaalde voorwaarden, een getuigschrift halen.

Een leerplichtige die tweemaal op rij niet slaagt of die zich de eerste keer niet inschreef bij de examencommissie voor hij de leeftijd van 11 jaar bereikte op 1 januari van het schooljaar, dient zich opnieuw in te schrijven, hetzij in het onderwijs dat door de overheid erkend werd voor het vervullen van de leerplicht, hetzij in één van de volgende scholen :

1° Europese scholen;

2° Internationale scholen die door het International Baccalaureate (IB) te Genève geaccrediteerd zijn;

3° Internationale scholen waarvan de studiebewijzen, na een gelijkwaardigheidsonderzoek door het Agentschap voor Kwaliteit in het Onderwijs, als gelijkwaardig worden beschouwd;

4° Scholen gelegen in het buitenland » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2012-2013, nr. 2066/1, pp. 23, 26-27).

B.3.3. De minister van Onderwijs verklaarde in de Commissie voor Onderwijs :

« Om de kwaliteit van het huisonderwijs te waarborgen, is het noodzakelijk de regelgeving op een aantal punten te verduidelijken en nieuwe elementen toe te voegen. De aanpassingen situeren zich op het vlak van terminologie, instapdatum, controle op het huisonderwijs door de onderwijsinspectie en een verplichte kwaliteitscontrole via een inschrijving bij de Vlaamse examencommissie.

De Vlaamse Gemeenschap neemt nu maatregelen om het huisonderwijs kwalitatief te houden. Hiervoor wordt gesteund op twee arresten van het Grondwettelijk Hof over een gelijkaardige regeling van 2008 voor het huisonderwijs in de Franse Gemeenschap. Het gaat om de arresten 107/2009 van 9 juli 2009 en 168/2009 van 29 oktober 2009. Volgens het Grondwettelijk Hof kan de onderwijsoverheid optreden ter bescherming van het recht van het kind op kwalitatief onderwijs. Voor de naleving van de leerplicht kan een onderwijsoverheid controles uitvoeren om na te gaan of alle kinderen daadwerkelijk, zelfs thuis, voldoende onderwijs krijgen waardoor aan de leerplicht wordt voldaan.

Het Grondwettelijk Hof heeft geen bezwaren dat na een procedure (onderwijsinspectie, examencommissie) ouders die huisonderwijs organiseren, verplicht worden om hun kind in te schrijven in een school. Daarbij behouden de ouders hun keuzevrijheid ten aanzien van het soort school, die niet noodzakelijk georganiseerd of gesubsidieerd moet zijn. Het kan ook gaan om een erkende school » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2012-2013, nr. 2066/7, pp. 5-6).

B.3.4. In haar advies merkte de afdeling wetgeving van de Raad van State het volgende op :

« Het ontwerp bevat een aantal bepalingen met nieuwe regels voor het `huisonderwijs'. Het gaat inzonderheid om, wat betreft het basisonderwijs, de artikelen II.1, 1°, II.8, II.9, II.10 en II.11, en wat betreft het secundair onderwijs, de artikelen III.2, 1°, III.17, III.18, III.19, III.20, III.21, III.22 en III.23 van het ontwerp. Deze bepalingen hebben voornamelijk tot doel om de kwaliteit van het huisonderwijs op een meer effectieve en efficiënte wijze op te volgen, onder meer via de examencommissie (artikelen II.9 en III.20 van het ontwerp) en de onderwijsinspectie (artikel III.21 van het ontwerp).

Aangezien deze bepalingen een verdere inperking van de vrijheid van onderwijs kunnen inhouden, rijst de vraag of deze bepalingen in overeenstemming zijn met artikel 24, § 1, van de Grondwet.

In de memorie van toelichting wordt op omstandige wijze verwezen naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, inzonderheid de arresten nr. 107/2009 van 9 juli 2009 en nr. 168/2009 van 29 oktober 2009. Deze arresten hebben betrekking op het decreet van de Franse Gemeenschap van 25 april 2008 `tot vaststelling van de voorwaarden om te kunnen voldoen aan de leerplicht buiten het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap'.

Uit de beginselen vermeld in deze arresten (arrest 107/2009, B.30.2 en B.30.3; arrest 168/2009, B.5.1 en B.5.2, B.7.3, B.10.1.1 tot B.10.4, B.14.2) en de nadere toelichting in de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat de bepalingen van het ontwerp die betrekking hebben op het huisonderwijs in overeenstemming zijn met artikel 24, § 1, van de Grondwet. In geval van betwisting zal het in laatste instantie aan het Grondwettelijk Hof toekomen om te oordelen of de betrokken regeling al of niet in overeenstemming met de Grondwet is » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2012-2013, nr. 2066/1, p. 307).

Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen

B.4.1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van dat laatste, en met name wat het bestaan van het vereiste belang betreft, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden nagegaan.

B.4.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.4.3. De verzoekende partijen zijn ofwel ouders die huisonderwijs aan hun kind verstrekken (zaak nr. 5746), ofwel privéscholen die niet zijn erkend, gesubsidieerd of gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap, ofwel ouders van kinderen die collectief huisonderwijs in die privéscholen volgen (zaak nr. 5756).

B.4.4. In de zaak nr. 5756 is de Vlaamse Regering van oordeel dat het beroep tot vernietiging, in zoverre het namens een aantal van de voormelde privéscholen, opgericht in de vorm van een vzw, is ingesteld, niet ontvankelijk zou zijn omdat het bevoegde bestuursorgaan niet rechtsgeldig zou zijn samengesteld of niet rechtsgeldig zou hebben vergaderd. Bovendien zou het beroep van de verzoekende verenigingen niet ontvankelijk zijn wegens ontstentenis van een rechtstreeks en actueel belang.

B.4.5. De verzoekende partijen kunnen in beide zaken rechtstreeks en ongunstig in hun situatie worden geraakt door de bestreden bepalingen waarin, onder meer, de voorwaarden worden vastgelegd waaronder het huisonderwijs kan worden ingericht, door dat onderwijs met name te onderwerpen aan een toezicht en de leerplichtige kinderen die dat type van onderwijs volgen, ertoe te verplichten deel te nemen aan examens bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap.

B.4.6. Aangezien het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 5746 en van sommige van de verzoekende partijen in de zaak nr. 5756 vaststaat, is het niet nodig het belang en de procesbekwaamheid te onderzoeken van de andere verzoekende verenigingen in de zaak nr. 5756.

B.4.7. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing heeft kunnen overgaan, blijkt, in het huidige stadium van de procedure, niet dat het beroep tot vernietiging - en dus de vordering tot schorsing - niet-ontvankelijk moet worden geacht.

Ten aanzien van de tussenkomende partijen

B.5.1. Moshe Friedman en Lea Rosenzweig hebben bij aangetekende brief van 2 december 2013 een « verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst » in de zaak nr. 5756 ingediend, en zulks zowel in de schorsings- als in de vernietigingsprocedure. Bij aangetekende brief van 6 januari 2014 hebben zij een memorie ingediend, waarin zij het Hof verzoeken de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging te verwerpen.

B.5.2. Bij aangetekende brief van 7 januari 2014 vragen de verzoekende partijen in de zaak nr. 5756 het Hof om de memorie van 6 januari 2014 uit de debatten te weren en het verzoek tot tussenkomst niet ontvankelijk te verklaren, onder meer wegens ontstentenis van belang van de tussenkomende partijen, vermits de kinderen van de tussenkomende partijen sinds het einde van het vorige schooljaar in een officiële en gesubsidieerde onderwijsinstelling zouden zijn ingeschreven.

B.5.3. Noch in hun schriftelijke stukken, noch ter terechtzitting, hebben de tussenkomende partijen aangegeven waaruit hun belang bestaat. Bijgevolg tonen de tussenkomende partijen, althans in de huidige stand van de procedure, niet aan dat zij rechtstreeks en ongunstig zouden worden geraakt door de inwilliging of de verwerping van de vordering tot schorsing.

Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing

B.6. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :

- de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn;

- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld, tot de verwerping van de vordering tot schorsing.

Wat het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft

B.7. De schorsing van een wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partij, een ernstig nadeel voortvloeit uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden normen, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een vernietiging van die normen.

B.8. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.

Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen.

B.9. Als risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voeren de verzoekende partijen de nadelige gevolgen aan van de verplichte inschrijving van de leerplichtige kinderen in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde inrichting, wanneer zij niet slagen voor de bij het bestreden decreet opgelegde examens voor de examencommissie.

De verzoekende partijen in de zaak nr. 5746 wijzen erop dat hun jongste zoon, die huisonderwijs volgt, op 9 november 2013 veertien jaar is geworden. De bestreden regeling legt hem voortaan op korte termijn de verplichting op om aan examens voor de eerste graad secundair onderwijs deel te nemen. De belangen van de leerlingen van het huisonderwijs die op korte termijn en zonder overgangsregeling aan verplichte examens worden onderworpen, zouden volgens die verzoekende partijen ernstig en blijvend kunnen worden geschaad. Aangezien het studietraject in het geding is, zou het nadeel volgens hen ernstig en moeilijk herstelbaar zijn.

De verzoekende partijen in de zaak nr. 5756 zijn van oordeel dat het nadeel ernstig is en dat een reëel risico bestaat dat het zich zal voordoen. Als sanctie op het niet of niet-tijdig behalen van het getuigschrift basisonderwijs respectievelijk secundair onderwijs geldt dat de betrokken kinderen in een door de overheid erkende, gefinancierde of gesubsidieerde instelling dienen te worden ingeschreven. In het bijzonder gelet op het gebrek aan enige overgangsmaatregel, zouden de termijnen binnen welke de voormelde getuigschriften dienen te worden behaald, in de meeste gevallen onhaalbaar blijken.

Het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt door de verzoekende partijen afgeleid uit de ontstentenis van een overgangsmaatregel, wat de artikelen II.10 en III.20 betreft. Door de inwerkingtreding van die bepalingen op 1 september 2013 vast te stellen, zou de decreetgever de betrokken kinderen, ouders en verzoekende verenigingen onvoldoende tijd hebben gelaten om zich op de nieuwe regelgeving inzake het huisonderwijs voor te bereiden dan wel de nodige maatregelen te nemen om eraan te voldoen.

B.10.1. Het bestreden artikel II.10, opgenomen in hoofdstuk II (« Basisonderwijs ») van het decreet van 19 juli 2013, treedt krachtens het eveneens bestreden artikel II.45, eerste lid, op 1 september 2013 in werking. Op grond van dat artikel II.10 zijn de ouders die opteren voor huisonderwijs, verplicht de leerplichtige bij de examencommissie in te schrijven met het oog op het verkrijgen van een getuigschrift basisonderwijs, uiterlijk in het schooljaar waarin de leerplichtige elf jaar is geworden vóór 1 januari. Als de leerplichtige zich niet tijdig aandient bij de examencommissie of na maximaal twee pogingen en uiterlijk in het schooljaar waarin hij dertien jaar is geworden vóór 1 januari het getuigschrift basisonderwijs niet behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven, hetzij in een school die is erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van de in artikel II.10 vermelde scholen. In afwijking daarvan dienen ouders van bepaalde leerplichtigen, de leerplichtige niet bij de examencommissie in te schrijven.

Het bestreden artikel III.20, opgenomen in hoofdstuk III (« Secundair onderwijs ») van het decreet van 19 juli 2013, treedt krachtens het eveneens bestreden artikel III.81 op 1 september 2013 in werking. Op grond van dat artikel III.20 zijn de ouders die opteren voor huisonderwijs, verplicht de leerplichtige bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap van het secundair onderwijs in te schrijven. Als de leerplichtige uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij de leeftijd van vijftien jaar bereikt, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, dienen de ouders de leerplichtige in te schrijven hetzij in een school, centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs of centrum voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, die zijn erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van de in artikel III.20 vermelde scholen. In afwijking daarvan dienen ouders, in bepaalde gevallen, de leerplichtige niet bij de examencommissie in te schrijven.

B.10.2. De gevolgen die de artikelen II.10 en III.20 aan het niet of niet-tijdig behalen van het getuigschrift basisonderwijs respectievelijk secundair onderwijs verbinden, zijn ingrijpend : de betrokken kinderen dienen alsdan te worden ingeschreven hetzij in een school die is erkend, gefinancierd of gesubsidieerd door de Vlaamse, de Franse of de Duitstalige Gemeenschap, hetzij in één van de in die bepalingen vermelde scholen. Het niet of niet-tijdig slagen voor het examen van de examencommissie dreigt aldus het schooltraject dat de betrokken kinderen tot nu volgden, in voorkomend geval, ernstig te verstoren. Om dat risico te beperken dienen de betrokken kinderen over de nodige tijd te beschikken om zich behoorlijk op die examens voor te bereiden. Hetzelfde geldt ten aanzien van de betrokken ouders en scholen die individueel respectievelijk collectief huisonderwijs verstrekken. Ook aan hen moet een redelijke termijn worden gelaten om de betrokken kinderen op het verplichte examen van de examencommissie voor te bereiden en daartoe in voorkomend geval de nodige organisatorische maatregelen te nemen.

B.11.1. Zoals in B.10.1 is aangegeven, verschilt de regeling voor het basisonderwijs van die voor het secundair onderwijs.

B.11.2. Wat het basisonderwijs betreft, dient de leerplichtige uiterlijk in het schooljaar waarin hij elf jaar is geworden vóór 1 januari bij de examencommissie te worden ingeschreven. De leerplichtige dient uiterlijk in het schooljaar waarin hij dertien jaar is geworden vóór 1 januari het getuigschrift basisonderwijs te behalen, zo niet dient hij in een andere school dan een privéschool te worden ingeschreven.

De termijn tussen de inschrijving bij de examencommissie en het behalen van het getuigschrift is redelijkerwijze voldoende om, enerzijds, de leerplichtige in de gelegenheid te stellen zich behoorlijk op dat examen voor te bereiden en, anderzijds, de verstrekker van huisonderwijs toe te laten de nodige maatregelen daartoe te nemen. Daarbij komt dat de leerplichtige over twee pogingen beschikt en in afwijkingen van de verplichting tot inschrijving bij de examencommissie is voorzien.

Bijgevolg is het aangevoerde nadeel niet dermate ernstig dat het een schorsing van de inwerkingtreding van het bestreden artikel II.10 zou kunnen verantwoorden.

B.11.3. Wat het secundair onderwijs betreft, dient de leerplichtige wanneer hij uiterlijk binnen het schooljaar waarin hij de leeftijd van vijftien jaar bereikt, via de examencommissie geen enkel getuigschrift of diploma van het secundair onderwijs behaalt, in het door de Vlaamse Gemeenschap erkende onderwijs of in een erkend vormingscentrum te worden ingeschreven. Weliswaar beschikt de leerplichtige over twee pogingen en is in afwijkingen van de verplichting tot inschrijving bij de examencommissie voorzien, doch kan de termijn die de betrokken leerplichtige wordt gelaten om zich behoorlijk op het examen voor te bereiden, evenals de termijn waarover de betrokken verstrekker van huisonderwijs beschikt om daartoe de nodige maatregelen te nemen, in bepaalde gevallen onvoldoende blijken. Dat geldt inzonderheid voor de leerplichtigen die in het schooljaar 2013-2014 de leeftijd van vijftien jaar bereiken.

Doordat artikel III.20, krachtens artikel III.81, eerste lid, van het decreet van 19 juli 2013 op 1 september 2013 vrijwel onmiddellijk in werking treedt, namelijk vijf dagen na de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad van 27 augustus 2013, dreigen sommige leerplichtige kinderen die huisonderwijs volgen een ernstig nadeel te ondergaan dat moeilijk herstelbaar is, vermits het schooltraject dat zij tot nu volgden, in voorkomend geval, zo al niet dreigt te worden onderbroken dan wel grondig gewijzigd.

De onmiddellijke uitvoering van het bestreden artikel III.81, eerste lid, in zoverre het de inwerkingtreding van artikel III.20 op 1 september 2013 vaststelt, kan in de hiervoor aangegeven mate, een aantal verzoekende partijen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkenen.

Wat de middelen betreft

B.12.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 5746 voeren drie middelen aan, afgeleid uit de schending, door artikel III.20 van het decreet van 19 juli 2013, van de artikelen 10 en 24, §§ 1, 3 en 4, van de Grondwet.

De verzoekende partijen in de zaak nr. 5756 voeren zes middelen aan, afgeleid uit de schending, door de artikelen II.1, 1°, II.9, II.10, II.45, III.2, 1°, III.19, III.20 en III.81 van hetzelfde decreet, van de artikelen 10, 11, 19, 22, 23, derde lid, 5°, 24, §§ 1 en 4, en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 22bis en 24, § 3, van de Grondwet, met een aantal internationale verdragsbepalingen en met een aantal algemene beginselen.

B.12.2. Zoals in B.11 is vermeld, vloeit het risico van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitsluitend voort uit artikel III.81, eerste lid, in zoverre het in de inwerkingtreding, op 1 september 2013, van artikel III.20 voorziet.

Vermits aan de twee grondvoorwaarden waarin artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 voorziet, cumulatief dient te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten, en vermits de tweede voorwaarde niet ten aanzien van alle bestreden bepalingen is vervuld, beperkt het Hof zijn onderzoek van het ernstige karakter van de middelen tot het onderdeel van het middel dat is gericht tegen de bepalingen waarvan is gebleken dat de onmiddellijke uitvoering ervan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan de verzoekende partijen zou kunnen berokkenen, namelijk het derde onderdeel van het derde middel dat in de zaak nr. 5756 is aangevoerd.

Dat beperkte onderzoek, in dit stadium van de procedure, behelst geenszins een beoordeling van het al dan niet ernstige karakter, a fortiori van het al dan niet gegronde karakter, van de andere middelen die door de verzoekende partijen worden aangevoerd.

B.12.3. Het ernstig middel mag niet worden verward met het gegrond middel.

Opdat een middel als ernstig wordt beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, volstaat het niet dat het kennelijk niet ongegrond is in de zin van artikel 72, maar moet het ook gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover het Hof beschikt in dit stadium van de procedure.

B.13. Het derde onderdeel van het derde middel dat in de zaak nr. 5756 wordt aangevoerd, is afgeleid uit de schending, door het bestreden artikel III.81, eerste lid, van de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, in zoverre het voormelde artikel III.81 in de inwerkingtreding, op 1 september 2013, van artikel III.20 voorziet.

Volgens de verzoekende partijen zou er geen redelijke verantwoording voor het niet voorzien in een overgangsperiode bestaan. Zij zouden zich onmogelijk tijdig aan de nieuwe regels kunnen aanpassen : enerzijds, zou het voor de verzoekende verenigingen praktisch onmogelijk zijn om hun actuele leerplan volledig te herzien, opdat alle leerlingen die vóór het einde van het lopende schooljaar een examen bij de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap zullen moeten afleggen, in staat zijn om te slagen; anderzijds, zou het voor de betrokken kinderen praktisch onmogelijk zijn, gelet op de specifieke en van de eindtermen afwijkende vorm van onderwijs die zij tot op heden genoten, om zich dermate om te scholen dat zij de examens tijdig en met vrucht zouden kunnen afleggen. Door met onmiddellijke ingang en zonder enige overgangsperiode te voorzien in een verplichte deelname aan examens van de examencommissie en een verplichte inschrijving in het reguliere onderwijs, wanneer de betrokken leerlingen niet tijdig voor die examens slagen, zouden volgens hen hun rechtmatige verwachtingen zijn geschonden.

B.14.1. Indien de decreetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij te oordelen dat zij met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan. Dat laatste is het geval wanneer de rechtmatige verwachtingen van een bepaalde categorie van rechtsonderhorigen worden miskend zonder dat een dwingende reden van algemeen belang voorhanden is die het ontbreken van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden.

Het vertrouwensbeginsel is nauw verbonden met het - tevens door de verzoekende partijen aangevoerde - rechtszekerheidsbeginsel, dat de decreetgever verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien.

B.14.2. Artikel III.20 van het decreet van 19 juli 2013 voorziet, op het niveau van het secundair onderwijs, in een grondige hervorming van het huisonderwijs waarbij aan de betrokken leerplichtigen en ouders die huisonderwijs volgen respectievelijk verstrekken, een aantal zware verplichtingen worden opgelegd. Door die hervorming van het huisonderwijs, zonder overgangsperiode en binnen vijf dagen na de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad, op 1 september 2013 in werking te doen treden, heeft de decreetgever een maatregel genomen die onevenredige gevolgen heeft, doordat de invoering van de nieuwe regeling onvoldoende voorzienbaar was voor diegenen op wie zij van toepassing is, zodat zij hun handelen om zich met de nieuwe eisen in overeenstemming te brengen, daar niet tijdig op konden afstemmen. Het bestreden artikel III.81, eerste lid, doet aldus op buitensporige wijze afbreuk aan de rechtmatige verwachtingen van sommige leerplichtigen en van hun ouders, zonder dat een dwingende reden van algemeen belang de ontstentenis van een te hunnen voordele ingestelde overgangsregeling kan verantwoorden.

B.14.3. Binnen het beperkte kader van het onderzoek waartoe het Hof bij de behandeling van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, moet het middel dat is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, als ernstig worden beschouwd in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

B.15. Aan de voorwaarden voor de schorsing is voldaan, doch enkel wat artikel III.81, eerste lid, van het decreet van 19 juli 2013 betreft en enkel in zoverre die bepaling voorziet in de inwerkingtreding, op 1 september 2013, van artikel III.20 van hetzelfde decreet.

Om die redenen,

het Hof

- schorst artikel III.81, eerste lid, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII, in zoverre het voorziet in de inwerkingtreding, op 1 september 2013, van artikel III.20 van dat decreet, waarbij in de Codex Secundair Onderwijs een artikel 110/30, § 1, wordt ingevoegd;

- verwerpt de vorderingen voor het overige.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 februari 2014.

De griffier,

F. Meersschaut.

De voorzitter,

M. Bossuyt.

Vrije woorden

  • Vorderingen tot schorsing van artikel III.20 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 19 juli 2013 betreffende het Onderwijs XXIII (invoeging van een artikel 110/30 over het huisonderwijs in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2010 houdende de codificatie betreffende het secundair onderwijs), en van de artikelen II.1, 1°, II.9, II.10, II.45, III.2, 1°, III.19, III.20 en III.81 van hetzelfde decreet, ingesteld respectievelijk door Petronella Nellissen en Adri De Brabandere, en door de vzw « Mojsdis Chaside Belze » en anderen. Onderwijs

  • Vlaamse Gemeenschap

  • Huisonderwijs

  • 1. Voorwaarden

  • Slagen voor het examen van de examencommissie

  • Wijziging van de wetgeving

  • Onmiddellijke toepassing

  • 2. Basisonderwijs

  • 3. Secundair onderwijs. # Rechten en vrijheden

  • 1. Recht op onderwijs

  • 2. Vrijheid van onderwijs.