- Arrest van 27 maart 2014

27/03/2014 - 54/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

- Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een op grond van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld beroep tegen zijn weigeringsbeslissing om een huwelijk te voltrekken.

- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

Bij arrest van 3 juni 2013 in zake de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Moeskroen tegen L.V en Y.M., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juni 2013, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld :

« Schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals geformuleerd vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010 en in samenhang gelezen met de artikelen 1017 en 1018 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het ertoe leidt een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de ambtenaar van de burgerlijke stand wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een beroep dat tegen hem is ingesteld op grond van artikel 167, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek, terwijl de Belgische Staat niet kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding wanneer het openbaar ministerie een strafvordering instelt die eindigt met een buitenvervolgingstelling of een vrijspraak ?

In zoverre artikel 5 van de wet van 21 februari 2010 bepaalt dat het nieuwe achtste lid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zal zijn op de zaken die hangende zijn op het ogenblik dat het in werking treedt, en in de veronderstelling dat het in werking treedt voordat de huidige bij het Hof van Beroep aanhangig gemaakte procedure is beëindigd, schendt artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in de nieuwe formulering ervan, in samenhang gelezen met de artikelen 1017 en 1018 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het ertoe zou leiden een rechtsplegingsvergoeding ten laste te leggen van de ambtenaar van de burgerlijke stand wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een beroep dat tegen hem is ingesteld op grond van artikel 167, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek, terwijl geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ten laste van de Belgische Staat wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, of wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

B.1.1. Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010, bepaalde :

« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.1.2. Artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering » bepaalt :

« In artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 21 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

[...]

3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :

' Wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, of wanneer alle in het ongelijk gestelde partijen op de inleidende zitting zijn verschenen maar de rechtsvordering niet hebben betwist, of wanneer zij uitsluitend uitstel van betaling vragen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding.

Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat :

1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1;

2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2. ' ».

B.1.3. Artikel 5 van dezelfde wet bepaalt :

« De artikelen 2, 3 en 4 zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden ».

B.1.4. Krachtens artikel 6 van die wet staat het aan de Koning de dag te bepalen waarop artikel 2 ervan in werking treedt. Een koninklijk besluit in die zin werd nog niet genomen.

B.2. De verwijzende rechter stelt het Hof twee prejudiciële vragen over de bestaanbaarheid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie ervan vóór (eerste prejudiciële vraag) en na (tweede prejudiciële vraag) de wet van 21 februari 2010, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een beroep op grond van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek, dat is gericht tegen zijn weigering om een huwelijk te voltrekken, terwijl zulks niet het geval is wanneer het openbaar ministerie een strafvordering instelt die eindigt met een buitenvervolgingstelling of een vrijspraak.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, kan de omstandigheid dat in de motivering van de verwijzingsbeslissing het arrest nr. 43/2012 van het Hof van 8 maart 2012 wordt vermeld, niet ertoe leiden dat de prejudiciële vragen onontvankelijk worden verklaard. Niets verbiedt een verwijzend rechtscollege immers de rechtspraak van het Hof die het relevant acht, te vermelden om zijn eigen beslissing te motiveren.

De exceptie wordt verworpen.

Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.3. Bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 met betrekking tot de beroepen tot vernietiging van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft het Hof geoordeeld dat de fundamentele verschillen tussen het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen verantwoorden dat de in de wet van 21 april 2007 bedoelde forfaitaire vergoedingsregeling niet wordt toegepast ten laste van de Staat. Door het openbaar ministerie en de burgerlijke partij verschillend te behandelen, heeft de wetgever het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie bijgevolg niet geschonden.

B.4. Bij zijn arrest nr. 83/2011 van 18 mei 2011 heeft het Hof op een prejudiciële vraag geantwoord dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld bij zijn rechtsvordering ingesteld op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek.

Het Hof is met name van oordeel dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist dat die rechtsvorderingen, die in naam van het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid door een publiek orgaan zijn ingesteld, op dezelfde wijze worden behandeld als de strafvorderingen.

Bij zijn arrest nr. 43/2012 van 8 maart 2012 heeft het Hof zich in soortgelijke bewoordingen uitgesproken over de herstelvordering die door de stedenbouwkundig inspecteur, op grond van artikel 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, voor de burgerlijke rechtbank wordt ingesteld.

Bij zijn arrest nr. 36/2013 van 7 maart 2013 is het Hof tot dezelfde conclusie gekomen wat de herstelvordering betreft die door de gemachtigde ambtenaar, op grond van artikel 157 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, voor de burgerlijke rechtbank wordt ingesteld.

Bij zijn arrest nr. 42/2013 van 21 maart 2013 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer de procureur des Konings in het ongelijk wordt gesteld bij zijn op grond van artikel 184 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vordering tot nietigverklaring van een huwelijk.

Bij zijn arrest nr. 57/2013 van 25 april 2013 heeft het Hof geoordeeld dat, om soortgelijke redenen als die in het arrest nr. 135/2009 van 1 september 2009 en het voormelde arrest nr. 83/2011, aan de overheid die herstelmaatregelen inzake stedenbouw vordert, geen rechtsplegingsvergoeding kan worden opgelegd, maar ook geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend.

B.5. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 februari 2010 blijkt dat de wetgever een aantal tekortkomingen van de voormelde wet van 21 april 2007, die aanleiding geven tot een aantal onbillijke situaties, heeft willen rechtzetten (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2313/004, p. 4), en dat hij rekening heeft willen houden met het voormelde arrest nr. 182/2008. Hij heeft onder meer in twee nieuwe vrijstellingen voorzien « om het openbaar ministerie [en het arbeidsauditoraat] toe te staan [hun] rechtsvordering uit te oefenen in volle onafhankelijkheid, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan het proces » (Parl. St., Kamer, 2009-2010, DOC 52-2313/001, p. 6).

B.6. Wanneer de ambtenaar van de burgerlijke stand tot het besluit komt dat de huwelijkskandidaten een schijnhuwelijk pogen aan te gaan, dient hij op grond van artikel 167, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek de voltrekking van het huwelijk te weigeren, gelet op artikel 146bis van hetzelfde Wetboek.

Bij het nemen van die weigeringsbeslissing treedt de ambtenaar van de burgerlijke stand op in het kader van de uitoefening van zijn ambt en streeft hij geen enkel persoonlijk belang na, maar treedt hij uitsluitend op in het algemeen belang met het oog op het vrijwaren van de openbare orde.

Wanneer de huwelijkskandidaten op grond van artikel 167, laatste lid, van het Burgerlijk Wetboek bij de rechtbank van eerste aanleg beroep tegen de weigeringsbeslissing aantekenen, wordt de ambtenaar van de burgerlijke stand daardoor partij in een gerechtelijke procedure.

Door zich te verweren tegen het beroep dat tegen zijn weigeringsbeslissing is ingesteld, verdedigt de ambtenaar van de burgerlijke stand evenwel steeds het algemeen belang en de vrijwaring van de openbare orde, zodat het niet is verantwoord dat hij in de rechtsplegingsvergoeding kan worden verwezen.

B.7. Het verschil in statuut van de ambtenaren van de burgerlijke stand en van de leden van het openbaar ministerie kan niet volstaan om het in het geding zijnde verschil in behandeling te verantwoorden.

Zoals de leden van het openbaar ministerie hun vordering in volle onafhankelijkheid moeten kunnen uitoefenen, zonder rekening te houden met het financiële risico verbonden aan het proces, dienen de ambtenaren van de burgerlijke stand de beslissingen die zij uit hoofde van hun functie dienen te nemen, te kunnen nemen zonder rekening te houden met het financiële risico verbonden aan een procedure die tegen zulke beslissingen wordt ingesteld.

B.8. De eerste prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.9. Met zijn tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 2 van de voormelde wet van 21 februari 2010 tot wijziging van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

B.10. Het staat in beginsel aan de verwijzende rechter om na te gaan of het nuttig is aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over een bepaling die hij van toepassing acht op het geschil. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof de vraag onontvankelijk verklaren.

Te dezen noopt de tweede prejudiciële vraag het Hof tot een toetsing van de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van een wetsbepaling die, zoals in B.1.4 is opgemerkt, nog niet in werking is getreden.

Aangezien de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft op een wetsbepaling die de verwijzende rechter in de geldende stand van het recht niet kan toepassen, is zij niet relevant voor de oplossing van het bodemgeschil en bijgevolg onontvankelijk.

B.11. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

- Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld in een op grond van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld beroep tegen zijn weigeringsbeslissing om een huwelijk te voltrekken.

- De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 27 maart 2014.

De griffier,

P.-Y. Dutilleux

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen betreffende artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (vóór en na de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010), gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Gerechtelijk recht

  • Verhaalbaarheid van kosten en honoraria van een advocaat

  • Toepassingsgebied

  • Ambtenaar van de burgerlijke stand

  • Beroep tegen de beslissing tot weigering om een huwelijk te voltrekken.