- Arrest van 3 april 2014

03/04/2014 - 62/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers schendt niet artikel 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en A. Alen, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging

a. Bij arresten nrs. 223.240 en 223.241 van 23 april 2013 in zake de nv « Brussels Oral Implant Center » en Mina Behzadnia tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 29 april 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 8, § 1, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers artikel 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, in zoverre het de Koning ertoe machtigt de categorieën alsmede de voorwaarden tot toekenning, geldigheid, verlenging, vernieuwing, weigering en intrekking van de arbeidsvergunningen en de arbeidskaarten te bepalen bij een in Ministerraad overlegd besluit, terwijl artikel 191 van de Grondwet aan de wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om te voorzien in de verschillen in behandeling die de vreemdelingen benadelen met betrekking tot de bescherming verleend aan personen en aan goederen ? ».

b. Bij arrest nr. 223.729 van 5 juni 2013 in zake Mohammed Bouanane tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 juni 2013, heeft de Raad van State dezelfde prejudiciële vraag gesteld.

c. Bij arrest nr. 223.737 van 5 juni 2013 in zake de bvba « Ximus » en Mohamed Hedi Jouini tegen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 13 juni 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 8 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers de artikelen 10, 11, 23 en 191 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen, in zoverre het de Koning ertoe machtigt de categorieën alsmede de voorwaarden tot toekenning, geldigheid, verlenging, vernieuwing, weigering en intrekking van de arbeidsvergunningen en de arbeidskaarten te bepalen, terwijl de bevoegdheid om uitzonderingen te bepalen op het genot, door de vreemdeling, van de bescherming verleend aan personen en aan goederen, aan de wet toekomt en terwijl alleen die laatste op dat gebied een verschil in behandeling tussen Belgen en vreemdelingen kan creëren ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 5631, 5632, 5654 en 5661 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

(...)

III. In rechte

(...)

B.1. Artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 « betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers » bepaalt :

« De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de categorieën alsmede de voorwaarden tot toekenning, geldigheid, verlenging, vernieuwing, weigering en intrekking van de arbeidsvergunningen en de arbeidskaarten ».

B.2. Uit de motivering van de verwijzingsarresten en uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid van de bij artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 aan de Koning verleende machtiging met artikel 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, in zoverre die laatste bepaling het recht van eenieder op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid erkent.

B.3.1. Artikel 191 van de Grondwet bepaalt :

« Iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ».

De bescherming verleend aan personen betreft met name de rechten die worden vermeld in artikel 23 van de Grondwet, dat bepaalt :

« Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.

Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.

Die rechten omvatten inzonderheid :

1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, [...] ».

B.3.2. Artikel 191 van de Grondwet vereist dat elk verschil in behandeling dat een vreemdeling ten aanzien van Belgen benadeelt in de bescherming verleend aan personen, bij een wetskrachtige norm moet worden ingevoerd.

Artikel 23, tweede lid en derde lid, 1°, van de Grondwet legt de bevoegde wetgever evenwel de verplichting op om het recht op arbeid te waarborgen en om de voorwaarden voor de uitoefening van dat recht te bepalen. Die grondwetsbepaling verbiedt echter die wetgever niet machtigingen te verlenen aan een uitvoerend orgaan, voor zover die machtigingen betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de bevoegde wetgever het onderwerp heeft aangegeven.

B.4.1. De in het geding zijnde bepaling maakt deel uit van een geheel van wetsbepalingen die ertoe strekken de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op arbeid van vreemdelingen te bepalen.

B.4.2. Artikel 3 van de wet van 30 april 1999 bepaalt :

« Deze wet is van toepassing op de buitenlandse werknemers en op de werkgevers.

Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld :

1° met buitenlandse werknemers : de buitenlandse onderdanen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;

2° met werkgevers : de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen.

Voor de toepassing van deze wet worden de schouwspelartiesten vermoed te zijn aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor bedienden, tenzij het tegendeel wordt bewezen ».

B.4.3. Artikel 4 van dezelfde wet bepaalt :

« § 1. De werkgever die een buitenlandse werknemer wenst tewerk te stellen moet vooraf een arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid.

De werkgever mag de diensten van deze werknemer enkel gebruiken binnen de perken van deze vergunning.

De Koning kan, in de gevallen door Hem bepaald, afwijken van het eerste lid.

§ 2. De arbeidsvergunning wordt niet toegekend wanneer de buitenlandse onderdaan België is binnengekomen om er te worden tewerkgesteld vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.

De Koning kan, in de gevallen door Hem bepaald, afwijken van het voorgaande lid.

§ 3. De Koning kan bepalen op welke voorwaarden een gemeenschappelijke arbeidsvergunning aan een werkgever kan worden toegekend. Deze gemeenschappelijke arbeidsvergunning mag de drie maanden niet overschrijden.

Onder ' gemeenschappelijke arbeidsvergunning ' dient te worden verstaan een arbeidsvergunning die aan een werkgever kan worden toegekend voor de tewerkstelling van meerdere buitenlandse werknemers tegelijk voor arbeidsprestaties van korte duur.

§ 4. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepalen op welke voorwaarden een voorlopige arbeidsvergunning kan worden toegekend aan een werkgever ».

B.4.4. Artikel 5 van de wet van 30 april 1999 bepaalt :

« Om arbeid te verrichten, moet de buitenlandse werknemer vooraf een arbeidskaart hebben verkregen van de bevoegde overheid.

Hij mag deze arbeid enkel verrichten binnen de perken van deze arbeidskaart ».

B.4.5. Artikel 6 van de wet van 30 april 1999 bepaalt :

« De in artikel 5 bedoelde arbeidskaart is niet vereist wanneer de werkgever één der volgende documenten heeft bekomen :

1° een gemeenschappelijke arbeidsvergunning zoals bepaald in artikel 4, § 3;

2° een voorlopige arbeidsvergunning zoals bepaald in artikel 4, § 4 ».

B.4.6. Artikel 7 van de wet van 30 april 1999 bepaalt :

« De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit de categorieën van buitenlandse werknemers die Hij bepaalt, vrijstellen van de verplichting een arbeidskaart te verkrijgen.

De werkgevers van de buitenlandse werknemers bedoeld in het voorgaande lid worden vrijgesteld van de verplichting een arbeidsvergunning te verkrijgen ».

B.5. In de artikelen 4 tot 7 worden de « algemene principes [...] i.v.m. de arbeidsvergunning en de arbeidskaart » uiteengezet (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2072/3, p. 4) :

« Het uitgangspunt is dat wanneer een werkgever een buitenlandse werknemer wenst tewerk te stellen, hij vooraf een arbeidsvergunning moet bekomen van het betrokken Gewest. Wordt die arbeidsvergunning toegekend, dan krijgt die buitenlandse werknemer een arbeidskaart.

Deze regel kent een aantal afwijkingen of bijzondere nadere regels :

* De arbeidsvergunningen kunnen in bepaalde gevallen verleend worden zonder dat er een arbeidskaart zal vereist zijn voor de werknemer.

Dit zal met name het geval zijn bij de uitreiking van :

- een gemeenschappelijke arbeidsvergunning voor een groep i.p.v. voor een individuele werknemer.

- een voorlopige arbeidsvergunning in bepaalde gevallen waarin er geen duidelijkheid bestaat over het definitief verblijfsstatuut van de betrokken buitenlandse onderdaan.

* Anderzijds is het ook mogelijk dat aan de werknemer een arbeidskaart wordt uitgereikt zonder dat de werkgever een arbeidsvergunning nodig heeft. Dit is het geval bij de zgn. arbeidskaart ' A ' die voor onbepaalde duur geldt en voor tewerkstelling bij alle werkgevers.

* Tenslotte is er nog de situatie waarbij noch de werkgever, noch de buitenlandse werknemer respectievelijk een arbeidsvergunning en een arbeidskaart nodig hebben. Dit is het geval wanneer het gaat om buitenlandse onderdanen die vrijgesteld zijn van de verplichting een arbeidskaart te bekomen (bijvoorbeeld onderdanen van een EU-lidstaat) » (ibid., pp. 4-5).

B.6. Artikel 8 van de wet van 30 april 1999 wordt als volgt toegelicht :

« Teneinde maximaal rekening te kunnen houden met de soms uitermate snel veranderende situaties wordt aan de Koning in de praktijk, de bevoegdheid verleend :

* de verschillende categorieën van arbeidskaarten (bijvoorbeeld A en B) en arbeidsvergunningen te bepalen,

* en de voorwaarden en de procedure van toekenning, weigering en intrekking ervan vast te stellen.

Een forfaitaire vergoeding van maximum 500 BEF. kan worden voorzien voor het dekken van de kosten van de behandeling van de aanvragen en de aflevering van de arbeidsvergunningen en -kaarten » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2072/3, p. 5).

B.7. De in B.4 aangehaalde wettelijke bepalingen, alsook de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 april 1999, maken het mogelijk te oordelen dat de in het geding zijnde bepaling, door de Koning ertoe te machtigen de categorieën van arbeidsvergunningen en de categorieën van arbeidskaarten alsmede de voorwaarden tot toekenning, geldigheid, verlenging, vernieuwing, weigering en intrekking van die vergunningen en kaarten te bepalen, aan de Koning machtigingen verleent met betrekking tot de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan het onderwerp in de wet is aangegeven.

B.8. De in het geding zijnde bepaling is bestaanbaar met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet en met het in artikel 191 van de Grondwet neergelegde wettigheidsbeginsel.

B.9. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 8, § 1, eerste lid, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers schendt niet artikel 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 3 april 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vragen over artikel 8, § 1, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gesteld door de Raad van State. Publiek recht

  • Vreemdelingenrecht

  • Arbeid

  • Arbeidskaart / Arbeidsvergunning

  • 1. Categorieën

  • 2. Voorwaarden inzake toekenning, geldigheid, verlenging, vernieuwing, weigering en intrekking. # Rechten en vrijheden

  • Economische, sociale en culturele rechten

  • Recht op arbeid

  • Wettigheidsbeginsel

  • Delegatie aan de uitvoerende macht.