- Arrest van 6 februari 2014

06/02/2014 - 26/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof zegt voor recht :

Artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 « houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit voorzitter J. Spreutels, emeritus voorzitter M. Bossuyt, overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en P. Nihoul, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij vonnis van 8 april 2013 in zake Damien Mink tegen de vzw « Partena - Sociale verzekeringen voor zelfstandigen », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 3 mei 2013, heeft de Arbeidsrechtbank te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen in geval van faillissement, bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997, inzonderheid artikel 4 ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het recht op de financiële uitkering gelijk aan het minimumpensioen van zelfstandigen, bepaald in artikel 7 ervan, onderwerpt aan de voorwaarde dat de failliet verklaarde zelfstandige geen aanspraak kan maken op enig vervangingsinkomen, en bijgevolg in zoverre het erin voorziet dat die uitkering hem zonder meer wordt ontzegd, zonder na te gaan of het vervangingsinkomen waarop hij aanspraak kan maken minstens gelijk is aan het bij artikel 7 bepaalde minimum en zonder te voorzien in de toekenning van het verschil wanneer het inkomen lager ligt dan dat minimum, ten opzichte van de failliet verklaarde zelfstandige aan wie de inning van een minimale financiële uitkering wordt gewaarborgd die aanzienlijk hoger ligt dan het vervangingsinkomen dat hij zou kunnen genieten indien hij recht had op de werkloosheidsuitkeringen ? ».

(...)

III. In rechte

(...)

Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling

B.1.1. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 « houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », dat de voorwaarden vaststelt waaronder de gefailleerde zelfstandigen, alsook de zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten van een handelsvennootschap die failliet werd verklaard, aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van hetzelfde besluit beoogde financiële uitkering.

B.1.2. Het voormelde artikel 4, § 2, bepaalde in de versie ervan die van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil :

« De in artikel 7 bedoelde uitkering wordt toegekend onder de volgende voorwaarden :

1° voldoen aan de in § 1, 1°, 2° en 5°, bedoelde voorwaarden;

2° geen beroepsactiviteit uitoefenen of geen recht op een vervangingsinkomen kunnen laten gelden vanaf de eerste werkdag die volgt op deze in de loop waarvan het vonnis van faillietverklaring werd uitgesproken ».

Die bepaling is gewijzigd bij de wet van 16 januari 2013 tot wijziging van het voormelde koninklijk besluit van 18 november 1996. Die wijziging heeft geen gevolgen voor het onderwerp van de prejudiciële vraag.

B.1.3. De prejudiciële vraag beoogt meer bepaald het 2° van die bepaling, namelijk de voorwaarde dat geen beroepsactiviteit wordt uitgeoefend en geen aanspraak kan worden gemaakt op een vervangingsinkomen teneinde de in artikel 7 van hetzelfde besluit beoogde financiële uitkering te ontvangen.

Ten aanzien van de prejudiciële vraag

B.2. Het Hof wordt verzocht na te gaan of artikel 4, § 2, 2°, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling, door de failliet verklaarde zelfstandigen die aanspraak kunnen maken op een vervangingsinkomen, uit te sluiten van het voordeel van de in artikel 7 van hetzelfde besluit bepaalde financiële uitkering, zonder erin te voorzien dat, wanneer het vervangingsinkomen in kwestie lager ligt dan die uitkering, de zelfstandige recht heeft op het verschil tussen beide bedragen, een discriminatie zou invoeren onder failliet verklaarde zelfstandigen naargelang zij al dan niet recht hebben op een vervangingsinkomen. Het verwijzende rechtscollege merkt immers op dat, in sommige gevallen, het bedrag van het vervangingsinkomen aanzienlijk lager ligt dan het bedrag van de financiële uitkering waarin artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 voorziet.

B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van zelfstandigen voldoende vergelijkbaar, aangezien het in beide gevallen gaat om zelfstandigen die failliet zijn verklaard en bijgevolg aanspraak zouden kunnen maken op het ontvangen van de financiële uitkering voor gefailleerde zelfstandigen.

B.4. Het in het geding zijnde koninklijk besluit van 18 november 1996, bekrachtigd bij de voormelde wet van 13 juni 1997, gaat uit van de wil van de wetgever « om actief werk te maken van een grotere doelmatigheid van het sociaal statuut van de zelfstandigen » door hen te beschermen tegen de risico's die specifiek voor hen zijn (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 925/6, p. 5).

In de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 januari 2002 « tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels » wordt aangegeven dat « de sociale verzekering in geval van faillissement werd ingevoerd om te verhelpen aan de rampzalige sociale toestand waarin failliete zelfstandigen zich kunnen bevinden » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1338/001, p. 4). Die wet breidt met name de duur van de financiële uitkering die de gefailleerde zelfstandigen kunnen genieten, duur die aanvankelijk tot twee maanden was beperkt, uit tot zes maanden, « teneinde de zelfstandige te laten beschikken over een langere periode met het oog op het reorganiseren van zijn beroepsleven » (ibid.).

Bij artikel 53 van de programmawet van 27 april 2007 verhoogt de wetgever het bedrag van de uitkering tot dat van het minimumpensioen voor de zelfstandigen en brengt hij de maximumduur van de toekenning ervan op twaalf maanden. Die maatregel past « in het kader van de strijd tegen de armoede » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-3058/001, p. 15).

De wet van 24 juli 2008 wijzigt overigens artikel 5, vierde lid, van hetzelfde besluit, teneinde misbruiken als gevolg van die tekst in de vorige versie ervan, onmogelijk te maken, meer bepaald teneinde « het cumuleren van de financiële uitkering die toegekend wordt in het kader van deze verzekering met een beroeps- of vervangingsinkomen [te] verhinderen » (Parl. St., Kamer, 2007-2008, DOC 52-1200/001, p. 65).

B.5. De maandelijkse financiële uitkering die gedurende hoogstens twaalf maanden wordt toegekend aan de failliet verklaarde zelfstandigen, alsook aan de zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten van een failliet verklaarde handelsvennootschap, met toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 november 1996, vormt een maatregel van tijdelijke bescherming van die personen om hen in staat te stellen zich te reorganiseren teneinde opnieuw inkomsten te verkrijgen.

B.6. Gelet op dat doel, is het niet onredelijk de failliet verklaarde zelfstandigen die aanspraak kunnen maken op een vervangingsinkomen in een ander stelsel dat hen eveneens in staat stelt hun bestaan te verzekeren en zich te reorganiseren, van het voordeel van die uitkering uit te sluiten.

B.7. Bovendien zou de wetgever niet kunnen worden verweten geen rekening te hebben gehouden met het bedrag van het vervangingsinkomen waarop de betrokkene recht heeft, en niet te hebben voorzien in een maatregel om het vervangingsinkomen aan te vullen wanneer dat lager zou liggen dan het bedrag van de financiële uitkering voor de gefailleerde zelfstandigen. De maandelijkse financiële uitkering voor de zelfstandigen is immers beperkt in de tijd, hetgeen niet noodzakelijk het geval is voor het vervangingsinkomen. Dat verschil in duur van de toekenning van de uitkering belet in het merendeel der gevallen de bedragen die de failliet verklaarde zelfstandigen werkelijk ontvangen, op exacte wijze te berekenen naargelang zij een vervangingsinkomen dan wel een bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 bepaalde maandelijkse financiële uitkering genieten.

B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen,

het Hof

zegt voor recht :

Artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit van 18 november 1996 « houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 6 februari 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

J. Spreutels

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 « houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Nijvel. Sociaal recht

  • Sociale zekerheid

  • Sociaal statuut van de zelfstandigen

  • Maandelijkse financiële uitkering toegekend aan de failliet verklaarde zelfstandigen

  • Voorwaarden

  • Geen recht op een vervangingsinkomen.