- Arrest van 24 april 2014

24/04/2014 - 69/2014

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof

- beveelt de heropening van de debatten in de zaak nr. 5621;

- beslist de zaken nrs. 5814 en 5818 samen te voegen met de zaak nr. 5621;

- zal, bij de ingereedheidbrenging van de gevoegde zaken, de partijen uitnodigen een aanvullende memorie en een aanvullende memorie van antwoord in te dienen.


Arrest - Integrale tekst

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen,

wijst na beraad het volgende arrest :

I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging

Bij arrest nr. 222.969 van 25 maart 2013 in zake Paul Vervloet en anderen tegen de Belgische Staat, met als tussenkomende partijen de cvba « Arcofin », de cvba « Arcopar » en de cvba « Arcoplus » - alle drie in vereffening -, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 maart 2013, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl dit artikel 36/24 niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet voor vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen in de zin van het voornoemde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschap is ? ».

(...)

II. In rechte

1. Met de prejudiciële vraag gesteld in de zaak nr. 5621, ondervraagt de Raad van State het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 « tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België » in zoverre die bepaling de Koning de mogelijkheid biedt de staatswaarborg toe te kennen voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl die bepaling niet voorziet in een dergelijke mogelijkheid van terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen erkende coöperatieve vennootschap is.

2. Met de prejudiciële vragen gesteld in de zaken nrs. 5814 en 5818, samengevoegd bij beschikking van het Hof van 5 februari 2014, ondervraagt de Raad van State het Hof over hetzelfde artikel 36/24 in de volgende bewoordingen :

« 1. Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, terwijl het eerste lid, 3°, de Koning de bevoegdheid verleent in een systeem te voorzien van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die financiële holdings zijn die zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gemengde financiële holdings, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of verzekeringsondernemingen, alsook hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochtervennootschappen, of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen, Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de vennoten of de aandeelhouders van elke andere vennootschap die in de financiële sector actief is, inzonderheid een kredietinstelling ?

2. Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het, terwijl het eerste lid, 3°, de Koning de bevoegdheid verleent in een systeem te voorzien van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn van hun deel in het kapitaal van coöperatieve vennootschappen, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 januari 1962 tot vaststelling van de voorwaarden tot erkenning van de nationale groeperingen van coöperatieve vennootschappen en van de coöperatieve vennootschappen, die financiële holdings zijn die zijn ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, gemengde financiële holdings, kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of verzekeringsondernemingen, alsook hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochtervennootschappen, of waarvan minstens de helft van het vermogen is geïnvesteerd in dergelijke instellingen, Hem niet een dergelijke bevoegdheid verleent ten voordele van de instellingen voor de financiering van pensioenen, en van de aangeslotenen en rechthebbenden ervan, of ten voordele van de gemeenten die verenigd zijn binnen de Gemeentelijke Holding ? ».

En :

« Schendt artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Koning kan voorzien in een systeem van toekenning van de staatswaarborg voor de terugbetaling aan vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van de in artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschappen, terwijl dit artikel 36/24 niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet voor vennoten die natuurlijke personen zijn, van hun deel in het kapitaal van een vennootschap die geen in de zin van het voornoemde artikel 36/24, § 1, eerste lid, 3°, erkende coöperatieve vennootschap is ? ».

3. Gelet op de terechtzitting gehouden over de zaak nr. 5621 en in het belang van een behoorlijke rechtsbedeling is het aangewezen om, met toepassing van artikel 107 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de debatten te heropenen in de zaak nr. 5621, teneinde de zaken nrs. 5814 en 5818 ermee samen te voegen, zodat de drie zaken tegelijkertijd kunnen worden behandeld.

Om die redenen,

het Hof

- beveelt de heropening van de debatten in de zaak nr. 5621;

- beslist de zaken nrs. 5814 en 5818 samen te voegen met de zaak nr. 5621;

- zal, bij de ingereedheidbrenging van de gevoegde zaken, de partijen uitnodigen een aanvullende memorie en een aanvullende memorie van antwoord in te dienen.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 24 april 2014.

De griffier,

F. Meersschaut

De voorzitter,

A. Alen

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag betreffende artikel 36/24 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, gesteld door de Raad van State Financieel recht

  • Staatswaarborg

  • Vennoten van bepaalde coöperatieve vennootschappen. # Rechtspleging

  • Prejudiciële vraag

  • Tussengeschil

  • 1. Heropening van de debatten

  • 2. Samenvoeging van zaken.