- Arrest van 22 juni 2011

22/06/2011 - 2009AR2983

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

1) De invulling van een vragenlijst door de verzekeringstussenpersoon ontneemt aan de verzekeraar niet het recht om zich op een schending van de informatieplicht en risicobeschrijving ten aanzien van de verzekeringnemer te beroepen. Wel kan de verzekeringnemer de aansprakelijkheid voorhouden van de verzekeringstussenpersoon. Dit verweer van de verzekeringsnemer dat niet hij maar zijn verzekeringsmakelaar het verzekeringsvoorstel foutief heeft ingevuld is zodoende niet relevant in de verhouding tot eerste geïntimeerde.

2) Het gegeven dat de vraag naar deze gegevens (m.n. naar vroegere veroordelingen of procedures met een verzekeraar) niet is gesteld, doet niet besluiten dat deze gegevens niet zouden moeten medegedeeld worden door de kandidaat verzekerde. Het is aan de verzekerde om te boordelen of deze gegevens van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

Onterecht stelt de verzekeringsnemer dat indien de verzekeraar bepaalde vragen niet stelt, dit doet besluiten dat de verzekeraar in deze gegevens niet geïnteresseerd is zodat zij niet voor de verzekeraar van belang zijn in de beoordeling van het risico.

Het criterium is of de door de verzekerde mede te delen gegevens, gegevens betreffen die de kandidaat verzekerde redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

3) Gelet op de aard van het verzekerde risico gedekt onder de polis, met name het brandrisico, acht het hof het niet melden van deze omstandigheid met name een veroordeling m.b.t. de vergunningsplicht voor ontplofbare stoffen (vuurwerk) een schending van zijn mededelingplicht conform artikel 5 WLVO, nl. het niet mededelen van omstandigheden die de verzekerde redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

4) Enkel wanneer deze gegevens opzettelijk verzwegen zijn en wanneer de verzekeraar aantoont dat hij door de verzwijging misleid is bij de beoordeling van het risico, is de polis nietig (artikel 6 WLVO). De verzekeraar dient niet het oorzakelijk verband tussen deze verzwijging en het schadegeval aan te tonen. Deze voorwaarde wordt niet gesteld in artikel 6 WLVO.


Arrest - Integrale tekst

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen:

In zake: 2009/AR/2983

AC, wonende te ...,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. SMETS Johan, advocaat te 3700 TONGEREN, Wijkstraat 35

en door Mr. BOUTS Peter, advocaat te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5

tegen het vonnis gewezen op 18 september 2009 door de Rechtbank van koophandel te Tongeren

tegen

1. AXA BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1170 WATERMAAL-BOSVOORDE, Vorstlaan 25, KBO-nummer 0404.483.367,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. WILLEMS Luc, advocaat te 3500 HASSELT, Sasputvoogdij 84

2. ZAKENKANTOOR JEAN SCHAEKERS NV, met maatschappelijke zetel te 3640 KINROOI, Natterveld 14, KBO-nummer 0438.076.447,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. K. CROMMEN loco Mr. SCHUERMANS Jean-Luc, advocaat te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112

***

Wat voorafgaat

1. Met inleidende dagvaarding van 26.1.2009 voor de rechtbank van koophandel te Tongeren hebben AC en VD, de nv Axa Belgium als hun brandverzekeraar en de nv Zakenkantoor Jean Schaekers, hun makelaar, aangesproken in betaling van een aantal bedragen en dit ingevolge de vernieling door brand van hun woning gelegen te ... tussen 3 en 4.1.2008.

Eisers spreken eerste verweerster aan om dekking te verlenen onder de verzekeringspolis (polis nummer 816.122.431 d.d. 1.7.2007) en vragen de betaling van een bedrag van euro 170.385,71 exclusief BTW, meer de vergoedende interesten vanaf datum schadegeval alsook tot een schadevergoeding wegens onterecht weigeren van de tussenkomst, provisioneel begroot op euro 5.000,00. Eerste verweerster heeft haar tussenkomst geweigerd om reden van opzettelijke verzwijging op het ogenblik van het afsluiten van de polis (artikel 5 en 6 WLVO). Zij heeft gevraagd om de polis nietig te verklaren, minstens te zeggen voor recht dat het schadegeval niet gedekt is onder de polis, uiterst ondergeschikt de eis te beperken tot euro 78.314,03. Op tegeneis vraagt zij de terugbetaling van het bedrag van euro 7.500, zijnde het bedrag dat zij om humanitaire redenen heeft betaald aan eisers toen zij nog niet op de hoogte was van de werkelijke situatie.

Eisers spreken tweede verweerster aan op basis van een professionele fout als makelaar en vragen tweede verweerster te veroordelen om elke schade, zowel de rechtstreekse als de onrechtstreekse zowel in hoofdsom, interesten als kosten ingevolge brand en de daarvoor gevoerde procedure te vergoeden, indien de rechtbank van oordeel is dat eerste verweerder zich terecht beroept op artikel 6 en 7 WLVO, provisioneel begroot op euro 170.385,71 exclusief BTW, meer de vergoedende interesten.

2. Het beroepen vonnis van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 18.9.2009 heeft de eis van eisers ten aanzien van eerste en tweede verweerster afgewezen als ongegrond. Er werd voor recht gezegd dat de polis nr. 816 122.431 van eisers bij eerste verweerster aangegaan nietig is en eisers werden veroordeeld om aan eerste verweerster het bedrag van euro 7.500,00 te betalen meer de gerechtelijke interesten.

Eisers werden verwezen in de gedingkosten van verweersters. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande ieder rechtsmiddel en zonder borgstelling.

De eerste rechter heeft de nietigheid van de polis uitgesproken op basis van de opzettelijke verzwijging van eisers bij het ondertekenen van de polis. De vraag in verband met vroegere verzekeringen werd onjuist door eisers in gevuld. Er waren eerdere bestaande verzekeringen en een eerdere polis met Axa werd wegens wanbetaling beëindigd. Daarenboven waren er ook sinisters waarbij eisers betrokken waren, rechtstreeks of onrechtstreeks. Dit werd niet geantwoord op het verzekeringsvoorstel. cfr. vragen verzekeringsvoorstel:

- is de verzekeringnemer reeds verzekerd geweest voor de voorgestelde risico's? neen

- heeft de verzekeringnemer in de laatste 5 jaar een schadegeval voor de voorgestelde risico's gehad? Neen.

De eerste rechter oordeelt dat ieder normale kandidaat verzekeringnemer geacht moet worden deze voorgeschiedenis te kennen op het ogenblik dat hij een verzekeringsvoorstel ondertekent. Hier was desbetreffend een vraag in het verzekeringsvoorstel gesteld en het onjuist beantwoorden van deze vraag werd geacht te kwader trouw te zijn. Het opnemen van deze vraag in het verzekeringsvoorstel werd door de eerste rechter beoordeeld als volstaande om aan te nemen dat de verzekeraar de juiste beantwoording van deze vraag als essentieel beschouwde voor de beoordeling van het te verzekeren risico. De taalkennis van eisers was zeker voldoende. De polis werd nietig verklaard op basis van artikel 6 WLVO. De tegeneis van eerste verweerder werd om deze redenen gegrond verklaard.

De professionele fout die eisers aan tweede verweerster verweten namelijk dat de heer S. onvolledig of onjuist het verzekeringsvoorstel zou hebben ingevuld, werd door de eerste rechter niet aanvaard.

3. Met verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof 3.11.2009 heeft AC, hierna appellant genoemd, een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en dit ten aanzien van de nv Axa Belgium en de nv Zakenkantoor Jean Schaekers, hierna eerste en tweede geïntimeerde genoemd.

Eisen in hoger beroep

4. Appellant vraagt, bij hervorming van het beroepen vonnis, de toekenning van zijn oorspronkelijke eis zowel ten aanzien van eerste als tweede geïntimeerde. Hij vraagt de tegenvordering van eerste geïntimeerde af te wijzen als ongegrond, met verwijzing van eerste geïntimeerde in zijn gedingkosten in hoger beroep.

5. Eerste en tweede geïntimeerde besluiten tot de bevestiging van het beroepen vonnis met verwijzing van appellant in hun gedingkosten.

Beoordeling in hoger beroep

6. Eerste geïntimeerde vraagt de bevestiging van het beroepen vonnis waarin de eerste rechter besloot tot de nietigheid van de polis.

De eis van eerste geïntimeerde is gesteund in hoofdorde op artikel 6 van de wet van 25.6.1992 op de landverzekeringsovereenkomst (kort WLVO) bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst. Krachtens artikel 6 WLVO is de verzekeringsovereenkomst nietig wanneer het opzettelijk verzwijgen of het opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over het risico, de verzekeraar misleidt bij de beoordeling van het risico.

Verder baseert eerste geïntimeerde zijn eis op een precontractuele fout begaan door appellante in de zin van artikel 1382 van het burgerlijk wetboek, die zij omschrijft als "het voor het afsluiten van de overeenkomst bewust foute en/of bedrieglijke informatie te verstrekken of belangrijke informatie te verzwijgen en aldus kunstgrepen aan te wenden om de eigen (zware) antecedenten te verzwijgen, om de eigen prestatie (nl. het betalen van een premie) ten onrechte te beïnvloeden in zijn eigen voordeel en ten nadele van de verzekeraar en anderen en om het risico te laten aanvaarden, terwijl hij goed weet dat de verzekeraar niet met een persoon zoals CA zou contracteren indien hij had geweten met wie hij werkelijk te maken had".

Eerste geïntimeerde baseert zich tevens op het wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst van bedrog en het algemeen rechtsbeginsel van "fraus omnia corrumpit". Het herstel van deze fout bestaat erin om iedere waarborg aan appellant te ontzeggen en de nietigheid van de polis in te roepen.

Tevens baseert eerste geïntimeerde zich op het wilsgebrek bij de totstandkoming van de overeenkomst van dwaling, waarbij zij aanvoert dat zij heeft gedwaald omtrent de persoon en de eerlijkheid van haar wederpartij.

7. Eerste geïntimeerde voert in dit verband de volgende feitelijkheden/omstandigheden aan waarover zij bij het afsluiten van de verzekeringsovereenkomst niet was ingelicht door appellant:

(i) het strafrechtelijk verleden van appellant

- veroordeling als dader of mededader: inbreuk wet betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen (1 jaar gevangenisstraf) (13.06.1995 corr. Rb. Tongeren)

- zware diefstal in staat van wettelijke herhaling (2 jaar) (hof van beroep Antwerpen 10.03.2005)

- meerdere verkeersinbreuken

- valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken en oplichting (rechtbank van eerste aanleg te Hasselt 01.08.2007).

(ii) op bedrieglijke wijze vergoeding van de verzekeraar (FIDEA als verzekeraar gewaarborgd inkomen) trachten te bekomen (vonnis rechtbank koophandel te Tongeren, bevestigd door het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12.10.2005)

(iii) dat hij nalaat gegevens te verstrekken over een complex geschil over een vroegere brand op 24.5.2003 met verzekeraar ING

(iv) dat hij niet de eerste maal slachtoffer is geworden van een brand. Eerste geïntimeerde verwijst in dit verband naar de brand van het tuinbedrijf Elvi op 24.5.2003 dat weliswaar op naam van zijn vrouw stond maar waar hij achter de schermen de werkelijke zaakvoerder van was

(v) dat hij niet heeft vermeld in het verzekeringsvoorstel dat hij voorafgaandelijk verzekerd was voor het risico van brand, namelijk bij Flexia en Axa en dat hij niet heeft gemeld dat de verzekeringsovereenkomst door de verzekeraar werd opgezegd wegens wanbetaling.

Artikel 5 en 6 Wet landverzekeringsovereenkomst (kort: WLVO)

8. Eerste geïntimeerde laat haar vordering tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst steunen op de opzettelijke verzwijging van gegevens door de verzekeringnemer bij de contractsluiting, die haar hebben misleid bij de beoordeling van het risico (art. 6 wet landverzekeringsovereenkomst).

Het komt aan de verzekeraar (eerste geïntimeerde) toe het bewijs te leveren dat de verzekerde zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Deze mededelingsplicht in hoofde van de verzekerde wordt in artikel 5 WLVO als volgt omschreven: de verzekeringnemer is verplicht alle hem bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar. De verzekeringnemer moet echter geen omstandigheden meedelen die de verzekeraar kende of redelijkerwijs had moeten kennen. Het is zodoende aan de verzekeraar om aan te tonen dat het element waarover hij niet was ingelicht voor hem een beoordelingsfactor van het risico uitmaakte dat de verzekeringnemer redelijkerwijze als dusdanig kon beschouwen en dat de verzekeringnemer er kennis van had.

Het is ook de verzekeraar die de eventuele opzettelijke aard van deze tekortkoming moet aantonen (artikel 5 en 6 WLVO alsook artikel 1315, eerste lid burgerlijk wetboek en artikel 870 gerechtelijke wetboek).

Het voormelde artikel 6 WLVO vereist niet dat de verzwegen of onjuist meegedeelde omstandigheden een invloed hebben gehad op het schadegeval. Een invloed op de beoordeling van het risico door de verzekeraar volstaat. Er hoeft met andere woorden geen oorzakelijk verband te worden aangetoond tussen de verzwegen gegevens en de oorzaken van het uiteindelijke sinister waarvoor tussenkomst wordt gevraagd.

9. Eerste geïntimeerde die zich beroept op een opzettelijke verzwijgen van gegevens door appellant, dient zodoende aan te tonen (i)dat hij door appellant over een bepaald element niet is ingelicht, (ii)dat dit element voor hem een beoordelingsfactor van het risico uitmaakte en (iii)dat appellant dit redelijkerwijze als dusdanig kon beschouwen en (iv)dat dit verzwijgen bovendien opzettelijk geschiedde door de appellant.

10. Het blijkt dat eerste geïntimeerde in het verzekeringsvoorstel een aantal vragen heeft gesteld. Het betreft de volgende vragen:

Is de verzekeringnemer reeds verzekerd geweest voor de voorgestelde risico's?

zo ja, bij welke maatschappij?

welk contractnummer?

werd deze verzekering opgezegd door de maatschappij ?

zo ja, om welke reden?

heeft de verzekeringnemer in de laatste 5 jaar een schadegeval voor de voorgestelde risico's gehad?

Zo ja, wanneer? Voor welk bedrag. Schade van welke aard?

Appellant heeft op alle vragen "neen" geantwoord.

Het wordt niet betwist door appellant in huidige procedure dat dit verzekeringsvoorstel onvolledig en onjuist werd ingevuld.

Appellant verwijst daarbij naar het feit dat dit voorstel werd ingevuld door zijn verzekeringsmakelaar, tweede geïntimeerde, die zeer goed op de hoogte was van het feit dat de woning tot mei 2003 verzekerd was bij AXA en daarna vanaf mei nog kort bij FLEXIA.

Terecht betwist appellant dat hij in de laatste 5 jaar een schadegeval heeft gehad voor de voorgestelde risico's. Eerste geïntimeerde verwijst weliswaar naar schadegevallen maar het is niet aangetoond dat appellant de laatste 5 jaar voorafgaandelijk aan het afsluiten van de verzekeringspolis, ooit het slachtoffer is geworden van een brand met betrekking tot een door hem verzekerd risico.

Een beweerde fout van de verzekeringstussenpersoon wijzigt niets in de verhouding tussen de verzekeringnemer en de verzekeraar. De invulling van een vragenlijst door de verzekeringstussenpersoon ontneemt aan de verzekeraar niet het recht om zich op een schending van de informatieplicht en risicobeschrijving ten aanzien van de verzekeringnemer te beroepen. Wel kan de verzekeringnemer de aansprakelijkheid voorhouden van de verzekeringstussenpersoon. Dit verweer van appellant dat niet hij maar zijn verzekeringsmakelaar het verzekeringsvoorstel foutief heeft ingevuld is zodoende niet relevant in de verhouding tot eerste geïntimeerde.

11. Het gegeven dat de verzekeraar deze vragen stelt voorafgaandelijk aan het afsluiten van de polis doet het hof besluiten dat de verzekeraar belang hechtte om geïnformeerd te zijn door de verzekerde over de antwoorden op deze vragen. Er werd uitdrukkelijk gevraagd naar bepaalde omstandigheden (voorafgaandelijk afgesloten polissen en schadegevallen voor hetzelfde risico).

Het hof is van oordeel dat artikel 5 WLVO de verplichting oplegt aan de verzekerde om deze vragen correct te beantwoorden en de verzekeraar correct te informeren middels een juist antwoord op de vragen. Het hof is van oordeel dat het juist invullen van de vragen op de vragenlijst die de verzekeraar voorlegt bij het invullen van het verzekeringsvoorstel vallen onder de mededelingsplicht van artikel 5 WLVO. De kandidaat-verzekeringnemer is verplicht bij het sluiten van de overeenkomst alle hem bekende omstandigheden nauwkeurig mee te delen die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

Deze gegevens waren bekend in hoofde van appellant, minstens moesten door hem gekend zijn. Het hof verwijst daarbij naar de invulling door appellant van het verzekeringsvoorstel FLEXIA (stuk 5 bundel eerste geïntimeerde). In dit voorstel heeft appellant melding gemaakt van de polis AXA en de opzegging van deze polis door de verzekeraar wegens wanbetaling.

12. Eerste geïntimeerde voert aan dat appellant bovendien de spontane mededelingplicht die artikel 5 WLVO oplegt niet is nagekomen. Zij verwijst daarbij ondermeer naar het strafrechtelijk verleden van appellant en naar de procedure tegen Fidea.

H

et blijkt vooreerst dat appellant deze strafrechtelijke veroordelingen niet betwist. Hij betwist enkel dat hij iets te maken had met de brand van het tuinbedrijf "Tuindecoratie Elvi" in mei 2003 en de bewering van eerste geïntimeerde dat hij in die periode in de gevangenis heeft gezeten. Integendeel stelt appellant "er kan uiteraard niet ontkend worden dat concluant in het verleden wel eens een misstap heeft begaan".

13. In de vragenlijst in het verzekeringsvoorstel heeft eerste geïntimeerde niet gevraagd naar het strafrechtelijk verleden van de verzekerde of naar andere (burgerrechtelijke) veroordelingen en werd niet gevraagd of appellant ooit in contact is gekomen met het gerecht.

Beoordeeld dient derhalve te worden of in deze omstandigheden deze gegevens voor appellant als kandidaat verzekeringnemer "bekende omstandigheden waren die hij redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar".

Het gegeven dat de vraag naar deze gegevens (m.n. naar vroegere veroordelingen of procedures met een verzekeraar) niet is gesteld, doet niet besluiten dat deze gegevens niet zouden moeten medegedeeld worden door de kandidaat verzekerde. Het is aan de verzekerde om te boordelen of deze gegevens van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

Onterecht stelt appellant dat indien de verzekeraar bepaalde vragen niet stelt, dit doet besluiten dat de verzekeraar in deze gegevens niet geïnteresseerd is zodat zij niet voor de verzekeraar van belang zijn in de beoordeling van het risico.

Het criterium is of de door de verzekerde mede te delen gegevens, gegevens betreffen die de kandidaat verzekerde redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar.

14. Het hof stelt vast dat eerste geïntimeerde verwijst naar het strafrechtelijk verleden van appellant waaronder zijn veroordeling als dader of mededader m.b.t. een inbreuk wet betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen (vuurwerk). Zoals reeds gesteld betwist appellant niet dat hij daadwerkelijk per 13.6.1995 correctioneel werd veroordeeld voor een inbreuk op voornoemde wet die de materie regelt van de vergunningsplicht met betrekking tot het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken, onder zich hebben of dragen van voornoemde ontplofbare stoffen (vuurwerk).

Gelet op de aard van het verzekerde risico gedekt onder de polis die appellant bij eerste geïntimeerde afsloot, met name het brandrisico, acht het hof het niet melden van deze omstandigheid met name een veroordeling m.b.t. de vergunningsplicht voor ontplofbare stoffen (vuurwerk) een schending van zijn mededelingplicht conform artikel 5 WLVO, nl. het niet mededelen van omstandigheden die de verzekerde, ten deze appellant, redelijkerwijs moet beschouwen als gegevens die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar, ten deze eerste geïntimeerde.

15. Enkel wanneer deze gegevens opzettelijk verzwegen zijn en wanneer de verzekeraar aantoont dat hij door de verzwijging misleid is bij de beoordeling van het risico, is de polis nietig (artikel 6 WLVO).

Het hof beoordeelt deze verzwijging ten deze als opzettelijk, vermits het hof van oordeel is dat de precedenten van appellant in zijn hoedanigheid van verzekerde ten opzichte van zijn verzekeraar, een spanningsveld blootleggen waarbij het vertrouwen dat er tussen verzekerde en verzekeraar behoort te bestaan, terecht in vraag kan worden gesteld (o.m. de burgerlijke veroordeling van appellant wegens bedrog ten aanzien van zijn verzekeraar gewaarborgd inkomen, cfr. arrest van dit hof d.d. 12.10.2005 stuk 8 bundel eerste geïntimeerde).

Op basis hiervan is het hof van oordeel dat appellant zich bewust was, minstens behoorde te zijn, van de ontegensprekelijke noodzaak deze voorafgaandelijk aan de onderschrijving van de polis strafrechtelijke veroordeling inzake vuurwerk, te moeten mededelen aan de verzekeraar.

Het hof beoordeelt deze omstandigheid wel degelijk als relevant in hoofde van de verzekeraar bij de beoordeling van het risico op het ogenblik van de onderschrijving.

Het hof besluit tot een opzettelijke verzwijging in hoofde van appellant als kandidaat verzekerde van deze veroordeling.

16. De verzwegen gegevens moeten relevant zijn voor de risicowaardering door de verzekeraar. De verzekeraar moet derhalve bewijzen dat hij niet of minstens niet aan dezelfde voorwaarden zou hebben gecontracteerd. Het moet gaan om gegevens die een hele andere risicobeoordeling met zich zou hebben meegebracht, in die zin dat de verzekeraar met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het verzekeringsvoorstel niet zou hebben aanvaard of minstens slechts onder andere voorwaarden.

Appellant voert verweer dat het hoogst twijfelachtig is dat op grond van deze verkeerde informatie eerste geïntimeerde ertoe zou besloten hebben de woning niet te verzekeren.

Het hof is van oordeel dat deze verzwijging ontegensprekelijk de verzekeraar misleid heeft bij de beoordeling van het risico, ten deze brandrisico, dit gelet op de aard van de veroordeling die betrekking had op de vergunningsplicht van ontplofbare stoffen (vuurwerk).

Ook aan deze toepassingvoorwaarde in artikel 6 WLOV is derhalve voldaan.

17. Er geldt in hoofde van de verzekeringnemer een informatieplicht die zich niet vertaalt in een verificatieplicht van de verzekeraar. De verzekeraar is niet gehouden op het ogenblik van het afsluiten van de polis, onderzoek te verrichten naar de juistheid van de door de verzekerde verstrekte gegevens en dient evenmin na te gaan of de verzekerde voldaan heeft aan zijn mededelingplicht conform artikel 5 WLVO.

Onterecht voert appellant dan ook verweer dat eerste geïntimeerde pas nadat het schadegeval zich heeft voorgedaan, informatie is gaan inwinnen over zijn polis en zijn verleden.

18. De verzekeraar dient niet het oorzakelijk verband tussen deze verzwijging en het schadegeval aan te tonen. Deze voorwaarde wordt niet gesteld in artikel 6 WLVO.

Het hof besluit op basis van de hierboven weergegeven overwegingen, dat de verzekeraar slaagt in het bewijs van de toepassingsvoorwaarden van artikel 6 WLVO zodat het beroepen vonnis wordt bevestigd in zoverre voor recht werd gezegd dat de polis nr. 816.122.431 nietig is.

Wat de vordering van eerste geïntimeerde ten aanzien van appellant betreft tot teruggave van euro 7.500,00

19. Gelet op de hierboven weergegeven overwegingen op grond waarvan de polis nietig is wegens opzettelijke verzwijging, is deze eis gegrond. Het hof merkt desbetreffend ook geen specifiek verweer van de zijde van appellant.

Het beroepen vonnis wordt desbetreffend bevestigd. Appellant wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eerste geïntimeerde van het bedrag van euro 7.500,00 meer de gerechtelijke interesten.

Wat de vordering van appellant ten aanzien van tweede geïntimeerde betreft

20. Appellant voert de aansprakelijkheid van tweede geïntimeerde aan doordat deze laatste onvolledig en/of onjuist het verzekeringsvoorstel heeft ingevuld. Appellant voert aan dat tweede geïntimeerde kennis had van de voorgeschiedenis van de woning (vorige polissen, eerste vraag) en van de schadegevallen. Hij voert aan dat hij tweede geïntimeerde volledig hiervan op de hoogte heeft gesteld.

Dit verweer is niet terzake dienend. Het hof heeft hierboven een schending aanvaard in hoofde van appellant met betrekking tot zijn spontane mededelingsplicht en meer bepaald zijn strafrechtelijke veroordeling d.d. 13.6.1995.

Niet aangevoerd wordt, laat staan dat bewezen wordt, door appellant dat hij tweede geïntimeerde ook in kennis had gesteld van deze strafrechtelijke veroordelingen, zodat desbetreffend aan tweede geïntimeerde geen fout in het invullen van het verzekeringsvoorstel kan worden verweten.

De eis van appellant ten aanzien van tweede geïntimeerde is ongegrond.

Wat de gedingkosten betreft

21. Het hoger beroep van appellant is ongegrond ten aanzien van eerste en tweede geïntimeerde.

Appellant wordt verwezen in de gedingkosten van eerste en tweede geïntimeerde in hoger beroep, begroot op elk euro 5.500,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

De kosten van betekening zijn geen door de rechter te vereffenen kosten in de zin van artikel 1017 en 1018 Gerechtelijk Wetboek, nu het kosten van uitvoering betreft.

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak.

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt het beroepen vonnis.

Verwijst appellant in de gedingkosten van eerste en tweede geïntimeerde in hoger beroep, begroot voor elk op euro 5.500,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terecht¬zitting van

22 juni 2011.

waar aanwezig waren:

F. PEETERS Voorzitter

A. VERHAERT Raadsheer

R. HOBIN Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

M. GIJSEMANS R. HOBIN

A. VERHAERT F. PEETERS

Vrije woorden

  • Landverzekering

  • spontane mededelingsplicht

  • opzettelijke verzwijging

  • nietigheid polis

  • aansprakelijkheid tussenpersoon