- Arrest van 6 oktober 2011

06/10/2011 - 896P2009

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Rekening houdend met de gevorderde leeftijd van de burgerlijke partij en met het feit dat zijn echtgenote niet op de hoogte was van zijn intieme ontmoetingen met tweede beklaagde, hielden de handelingen van eerste en tweede beklaagde, die voorhielden dat zij aan zijn echtgenote zouden onthullen dat hij intieme contacten had gehad met tweede beklaagde en die verwezen naar de agressieve aard van eerste beklaagde, en naar het feit dat deze deel zou uitmaken van de Siciliaanse maffia, wel degelijk bedreigingen in in de zin van art. 483, lid 2 Sw., van aard om de burgerlijke partij te doen vrezen voor een dreigend kwaad.

Bij meerdere afgiften van geldsommen wordt wettelijk niet vereist dat deze telkens door een afzonderlijke dreiging of geweldpleging worden veroorzaakt. Een voortdurende dreiging of geweldpleging volstaat.

Voor het bestaan van het misdrijf afpersing is niet vereist dat alle daders persoonlijk geweld of bedreigingen hebben gebruikt: het volstaat dat de afgeperste gelden werden bekomen met behulp van geweld of bedreiging door mededaders van het misdrijf.


Arrest - Integrale tekst

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 6 oktober 2011

te Antwerpen, 12e kamer

(...)

II. Motivering ten gronde

Op strafrechtelijk gebied

1. Na nieuw onderzoek ter terechtzitting door het Hof, en door de stukken van het dossier, is de schuld van de beide beklaagden aan de hen ten laste gelegde feiten zoals hiervoor omschreven bewezen gebleven. De ten laste gelegde feiten werden terecht gekwalificeerd als afpersing.

Uit het strafdossier blijkt dat alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf afpersing aanwezig zijn in hoofde van zowel eerste als tweede beklaagde.

In een eerste fase heeft de burgerlijke partij H. L. vrijwillig enkele geldsommen overhandigd aan tweede beklaagde T. D. op vraag van deze laatste, en was hij in de overtuiging dat hij deze bedragen later zou terugkrijgen van tweede beklaagde.

In een tweede fase hebben beide beklaagden met bedrieglijk opzet op onrechtmatige wijze het patrimonium van de burgerlijke partij H. L. aangetast, door zich meermaals met behulp van bedreiging belangrijke geldsommen te doen afgeven door de burgerlijke partij H. L.

De bedreigingen bestonden er concreet in dat door beklaagden aan de burgerlijke partij H. L. werd voorgehouden dat zij aan de echtgenote van H. L. zouden onthullen dat hij meerdere intieme contacten had gehad met tweede beklaagde T. D. Verder werd de burgerlijke partij H. L. vaak opgebeld door tweede beklaagde T. D., waarbij werd verwezen naar de agressieve aard van haar partner S. C., en naar het feit dat deze deel zou uitmaken van de Siciliaanse maffia.

Rekening houdend met de gevorderde leeftijd van de burgerlijke partij H. L., en met het feit dat zijn echtgenote niet op de hoogte was van zijn intieme ontmoetingen met tweede beklaagde T. D., is het Hof van oordeel dat de handelingen van eerste en tweede beklaagde wel degelijk bedreigingen inhielden in de zin van art. 483, lid 2 Sw.

Deze bedreigingen waren van aard om de burgerlijke partij H. L. te doen vrezen voor een dreigend kwaad.

(...)

3. Bij meerdere afgiften van geldsommen, zoals in casu het geval is, wordt wettelijk niet vereist dat deze telkens door een afzonderlijke dreiging of geweldpleging worden veroorzaakt. Een voortdurende dreiging of geweldpleging volstaat.

Op basis van de inhoud van het strafdossier, meer bepaald de opeenvolgende afhalingen van gelden door de burgerlijke partij H. L. van zijn bankrekening op een relatief korte termijn en het groot aantal telefonische contacten en ontmoetingen tussen voornamelijk tweede beklaagde T. D. en de burgerlijke partij H. L., blijkt dat er wel degelijk sprake was van een voortdurende bedreiging door beide beklaagden.

4. Voor het bestaan van het misdrijf afpersing is niet vereist dat alle daders persoonlijk geweld of bedreigingen hebben gebruikt: het volstaat immers dat de afgeperste gelden werden bekomen met behulp van geweld of bedreiging door mededaders van het misdrijf.

(...)

5. Uit de door de burgerlijke partij H. L. voorgebrachte bankdocumenten (st. 6 t.e.m. 29 strafdossier) blijken zowel de verkoop van effecten door de burgerlijke partij, als de regelmatige geldafhalingen op een relatief korte tijdspanne.

De afgifte van de gelden door de burgerlijke partij H. L. in de tweede fase werd rechtstreeks veroorzaakt door de voortdurende bedreigingen vanwege eerste en tweede beklaagde.

6. Volgens de burgerlijke partij H. L. vermeldde tweede beklaagde T. D. regelmatig een specifieke bestemming voor de geldsommen die zij onder de voornoemde bedreiging van de burgerlijke partij H. L. eiste (huurwaarborg, stookolie, notariskosten, ...). Het feit dat uit het strafdossier niet zou blijken dat deze geldsommen daadwerkelijk de vermelde bestemming hebben gekregen, noch het feit dat de vermelde bestemming van de gelden in bepaalde gevallen onmogelijk zou zijn, neemt niet weg dat de bewuste geldsommen met bedrieglijk opzet en met bedreiging van de burgerlijke partij H. L. werden afgeperst door beide beklaagden.

De door beklaagden voorgelegde stukken betreffende hun precaire financiële toestand ten tijde van de vervolgde feiten, maken het aannemelijk dat zij hun toevlucht namen tot het afpersen van een oudere man met het oog op snel en gemakkelijk geldgewin.

(...)

Vrije woorden

  • Strafrecht

  • afpersing

  • constitutieve bestanddelen

  • begrip ‘bedreiging'

  • voortdurende dreiging

  • bedreiging door mededader