- Advies van 25 januari 2011

25/01/2011 - 2008AR2356

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De betaling van de meerwaardebelasting voor niet-verblijfhouders, door de notaris aan de ontvanger der registratierechten, bij de registratie van de verkoopakte, vormt geen beletsel voor het indienen van een bezwaarschrift door de verkopers tegen deze meerwaardebelasting. De notaris kan de door hem voorgeschoten meerwaardebelasting terugvorderen vanwege de verkopers.


Advies - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2356

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

V. S. en zijn echtgenote S. H. M. beiden samenwonende te Abu Dhabi, United Arab Emirates,...

keuze van woonst doende ten kantore van hun raadsman Mr. SEGERS Herman, advocaat te 3580 BERINGEN, Hasseltsesteenweg 136,

appellanten,

beiden vertegenwoordigd door Mr. SUFFELEERS Ch. loco Mr. SEGERS Herman, advocaat te 3580 BERINGEN, Hasseltsesteenweg 136 ;

TEGEN:

X. J., notaris, kantoorhoudende te ...,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. LEMMENS Alex, advocaat te 3440 ZOUTLEEUW, Grote Steenweg 54 ;

____________________________

VERKOOP - BELASTINGEN - MEERWAARDEBELASTING - NIET-VERBLIJFHOUDERS - VERPLICHTINGEN VAN DE NOTARIS - ART 35 W. REG. - ART. 177 WIB 92

De betaling van de meerwaardebelasting voor niet-verblijfhouders, door de notaris aan de ontvanger der registratierechten, bij de registratie van de verkoopakte, vormt geen beletsel voor het indienen van een bezwaarschrift door de verkopers tegen deze meerwaardebelasting. De notaris kan de door hem voorgeschoten meerwaardebelasting terugvorderen vanwege de verkopers.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

§ het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (7de kamer), op 10 juni 2008 na tegenspraak uitgesproken, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

§ het verzoekschrift tot hoger beroep, op 2 september 2008 ter griffie neergelegd;

§ de conclusie en syntheconclusie van appellanten;

§ de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 29 november 2010 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Antecedenten

1. Appellanten stellen een beperkt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde gegrond verklaart en appellanten veroordeelt tot betaling aan geïntimeerde van 1.000 euro, vermeerderd met moratoire interesten vanaf 29 november 2005 en van 2.457,80 euro, vermeerderd met moratoire interesten vanaf 6 februari 2006 en van alle gerechtskosten.

Appellanten vorderen voor het hof, met de hervorming van het vonnis, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde, strekkend tot betaling van 2.457,80 euro + interest, als ongegrond af te wijzen en hem tot alle gerechtskosten te veroordelen.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

2. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert zijn gerechtskosten.

II. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS

3. Notaris X. heeft op 29 november 2005 een akte verleden tussen appellanten, als verkopers, en de echtgenoten D.-F. als kopers. De verkoop betrof een handelshuis en woonhuis, eigendom van appellanten, gelegen te V...., voor de prijs van 210.000 euro.

Notaris Z. te T. trad als notaris voor de verkopers (appellanten) op.

Appellanten hadden zelf het goed voor de prijs van 136.350 euro aangekocht, zulks bij akte van 4 maart 2003.

4. Bij de afrekening van de te betalen som werd een telfout gemaakt ("210.000 euro - commissie makelaar 7.623 euro = 203.377 euro" in plaats van 202.377 euro), zoals blijkt uit de brief van 14 november 2005 van geïntimeerde aan notaris Z.. Er werd dus 1.000 euro teveel betaald aan de verkopers. De eerste rechter veroordeelde appellanten tot terugbetaling van deze som.

Op dit punt is er geen hoger beroep ingesteld.

5. Het tweede luik van de vordering heeft betrekking op de meerwaardebelasting.

De gerealiseerde meerwaarde bij een overdracht ten bezwarende titel van een gebouwd onroerend goed binnen de vijf jaar na aanschaffing door een niet-verblijfhouder wordt belast. Het wordt niet betwist dat, ten tijde van de verkoop, appellanten niet-inwoners waren; zij hadden zich in 2005 in Abu Dhabi gevestigd.

Notaris Z. trachtte in een eerste stap de meerwaarde te betwisten.

De inspecteur van de registratie berekende de verwezenlijkte meerwaarde op 14.895,75 euro en de belasting erop (aan 16,5 %) op 2.457,80 euro. De inspecteur zette zijn standpunt bij brief van 26 januari 2006 uiteen.

Geïntimeerde heeft bij cheque van 1 februari 2006 (zie rekeninguittreksel 2 februari 2006) de meerwaardebelasting voorgeschoten. Hij verzocht appellanten om deze som terug te betalen, wat niet gebeurde, ondanks uitnodiging van notaris Z..

De vordering werd bij dagvaarding van 30 maart 2007 ingesteld.

III. Bespreking

6. De eerste rechter heeft geoordeeld dat de geïntimeerde als notaris verplicht was de akte ter registratie aan te bieden (artikel 35 van het Wetboek van Registratie) en, dat hij meteen ook persoonlijk gehouden was bij de registratie van die akte de belasting van niet-inwoners op de meerwaarde (artikel 177 WIB 92) te betalen.

De appellanten, die niet tijdig een bezwaar tegen deze belasting hebben ingediend, zijn dan ook ertoe gehouden zowel het teveel ontvangene als de voorgeschoten belasting aan de notaris terug te betalen.

De eerste rechter wees daarentegen de vordering van de notaris i.v.m. dossierkosten (1.300 euro) af, welk punt thans evenmin ter discussie staat.

7. Het enige punt dat dus het voorwerp van de betwisting voor het hof uitmaakt, is of appellanten wel degelijk gehouden zijn aan geïntimeerde het bedrag van de door de hem aan de ontvanger van de registratie voorgeschoten belasting op de meerwaarde, ten bedrage van 2.457,80 euro, terug te betalen.

8. Appellanten houden voor dat de notaris hen voor een voldongen feit heeft geplaatst doordat hij, zonder hun akkoord, is overgegaan tot de betaling van de meerwaardebelasting en daarmee de facto elke betwisting van de belasting onmogelijk heeft gemaakt.

9. Vooreerst stellen appellanten dat zij, op de dag van het verlijden van de akte (29 november 2005), geen kennis hadden van de door het fiscale bestuur gevorderde meerwaardebelasting. Zij verwijten aan geïntimeerde dat hij tot het verlijden van de akte is overgegaan zonder hen te wijzen op de mogelijkheid van verschuldigde meerwaarde.

Verder zou geïntimeerde zonder contactname met notaris Z. en zonder voorbehoud de betaling van de eenzijdig door de Registratie berekende meerwaardebelasting hebben gedaan, wat een fout in zijn hoofde uitmaakt en zou hij zich pas na de betaling tot de geïntimeerden hebben gewend.

10. Uit de stukken blijkt dat notaris Z., bij brief van 22 november 2005 een verklaring overeenkomstig artikel 170bis, eerste paragraaf, van het K.B. tot uitvoering van het Wetboek der Inkomstenbelasting aan de ontvanger der Registratie heeft verstuurd. In een brief gedateerd op een week vόόr het verlijden van de akte heeft de eigen notaris van appellanten dus zijn berekening gegeven met de stelling dat zijn cliënten geen meerwaardebelasting verschuldigd waren, o.m. na aftrek van de "kostprijs voor de gedane verbouwingswerken" t.b.v. 20.706,26 euro.

De inspecteur van de registratie heeft echter de verwezenlijkte meerwaarde op 14.895,75 euro berekend en de belasting op deze meerwaarde op 2.457,80 euro (eigenhandige berekening gedateerd op 29 november 2005 , datum van de akte.) Op deze berekening staat al vermeld dat er "geen aftrekbare kosten" worden aanvaard; de reden is "geen geregistreerde aannemer".

De akte werd in december 2005 ter registratie aangeboden.

Bij brief van 20 januari 2006 heeft de administratie van de Registratie aan notaris Z. geschreven niet akkoord te gaan "met het feit dat er door de verkopers geen meerwaardebelasting verschuldigd is" omdat kosten voor werken slechts in aanmerking komen "in zover die werken aan het vervreemde gebouw, tussen de datum van verkrijging en de datum van vervreemding, zijn uitgevoerd door een geregistreerde aannemer" wat te dezen niet het geval was.

Op 1 februari 2006 betaalde geïntimeerde de meerwaardebelasting (2.457,80 euro) .

Bij telefax van 10 februari 2006 bevestigde geïntimeerde aan zijn confrater, notaris Z., de inhoud van zijn mondeling onderhoud dat hij de belasting voorgeschoten had en verzocht hij de verkopers om hem deze som terug te betalen. Notaris Z. bevestigde op 14 februari 2006 dat zijn cliënten "op de hoogte (werden) gebracht van de te betalen belasting op de meerwaarde" .

Appellanten stuurden een mailbericht naar de administratie van de Registratie op 7 maart 2006 en kregen hierop een omstandig antwoord bij mailbericht van 13 maart 2006 uitgaande van inspecteur ... , met melding dat zij eventueel bezwaarschrift konden indienen op de Gewestelijke Directie van de Registratie Hasselt en later een bezwaar indienen bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

11. Uit het chronologisch overzicht van de feiten leidt het hof af dat appellanten tijdig op de hoogte werden gesteld van de vordering van de administratie van de registratie en van haar gemotiveerde weigering om rekening te houden met de kostprijs der werken aan het vervreemde onroerend goed. Zij hadden de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen tegen de aanslag van de meerwaardebelasting, en zulks binnen een termijn van drie maanden ingaande op 1 februari 2006 . Appellanten hebben geen fiscaal beroep ingesteld.

De betaling van de meerwaardebelasting door geïntimeerde gedaan, vormde geen beletsel voor het indienen van een bezwaarschrift. Appellanten stellen ten onrechte dat, na deze betaling, zij geen mogelijkheid meer hadden om de belasting te betwisten.

12. De omstandigheid dat geïntimeerde zelf tot de betaling van de meerwaardebelasting is kunnen overgaan wordt thans niet meer betwist.

Het hof stelt overigens vast dat, na ontvangst van het mailbericht van 13 maart 2006 uitgaande van inspecteur ..., appellanten geen kritiek hebben uitgedrukt op de handelwijze van geïntimeerde, tenzij na de dagvaarding .

13. Ten slotte houden appellanten voor dat de meerwaardebelasting eigenlijk niet verschuldigd was. Zij betwisten de verwerping van de kosten wegens gebrek aan registratie van de aannemer.

Deze vraag is eigenlijk in huidig geschil niet aan de orde. Het kwam appellanten toe om deze betwisting in het kader van een fiscaal beroep voor te dragen. Indien zij gelijk hadden, dan hadden zij terugbetaling bekomen van de betwiste belasting, vermeerderd met verwijlinterest.

Het behoort thans niet aan het hof om deze vraag te beslechten. Het hof dient wel vast te stellen dat geïntimeerde de meerwaardebelasting voor rekening van appellanten heeft voorgeschoten en dat appellanten terugbetaling ervan aan de notaris verschuldigd zijn.

Het hoger beroep is ongegrond.

(...)

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

(...)

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

(...)

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 25 januari 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Vrije woorden

  • Net-verblijfhouders. Meerwaardebelasting. Verkoop van een onroerend goed. Artikel 35 W. Reg.

  • Artikel 117 WIB92