- Arrest van 15 februari 2011

15/02/2011 - 2010KR165

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 584 Ger. W. Er is sprake van hoogdringendheid wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het is bovendien de gevraagde maatregel die urgent dient te zijn. Het kort geding - dat voor de rechtsonderhorige een buitengewoon rechtsmiddel moet blijven - wordt door degene die zich op blijkbaar bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel te verkrijgen, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden. Dit brengt met zich mee dat de urgentievereiste ook dient onderzocht te worden in hoger beroep op het ogenblik van de uitspraak.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2010/KR/165

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

L. R.

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. VAN BOCXLAER loco Mr. VAN STEENBRUGGE Walter, advocaat te 9820 MERELBEKE, Jozef Hebbelynckstraat 2 ;

TEGEN:

1. De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, met kantoren te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. RAYMAEKERS Carl, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Deken De Winterstraat 26 ;

2. DE NEDERLANDSE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, met kantoren te 2511 EX DEN HAAG (Nederland), Scheldhoekshaven 100,

geïntimeerde,

verstekdoende partij ;

Er is sprake van hoogdringendheid wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het is bovendien de gevraagde maatregel die urgent dient te zijn.

Het kort geding - dat voor de rechtsonderhorige een buitengewoon rechtsmiddel moet blijven - wordt door degene die zich op blijkbaar bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel te verkrijgen, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden. Dit brengt met zich mee dat de urgentievereiste ook dient onderzocht te worden in hoger beroep op het ogenblik van de uitspraak.

Gelet op de procedurestukken:

n het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelende in kort geding, op 17 maart 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 25 mei 2010;

n de syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 19 oktober 2010;

n de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 1 december en 3 december 2010.

Gehoord de advocaten van de partijen ter openbare terechtzitting van 11 januari 2011 en de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe eerste geïntimeerde te horen veroordelen om hem onmiddellijk in vrijheid te stellen (desgevallend onder de voorwaarden die de CBM oplegde bij beslissing van 2 juni 2009), minstens zolang de bodemrechter geen uitspraak heeft gedaan over de grond van de zaak, onder verbeurte van een dwangsom van 2.000 euro per dag vertraging.

Hierop ging geïntimeerde over tot het dagvaarden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de NEDERLANDSE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie.

1.2. De eerste rechter heeft (1) beide zaken samengevoegd en (2) de vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogde aanvankelijk (1) de toekenning te horen bekomen van zijn aanvankelijke vordering en (2) huidig arrest gemeen te horen verklaren aan tweede geïntimeerde.

In zijn syntheseconclusie van 19 oktober 2010 vraagt appellant thans te zeggen voor recht dat zijn vordering zonder voorwerp is.

1.4. Eerste geïntimeerde vroeg aanvankelijk de vordering niet toelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren en appellant de doeleinden van zijn vordering te ontzeggen.

In zijn laatste conclusie vraagt eerste geïntimeerde het hoger beroep zonder voorwerp te verklaren minstens het hoger beroep ongegrond te verklaren.

II. De feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellant geïnterneerd werd wegens doodslag bij arrest van de Kamer van Inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Antwerpen uitgesproken op 26 oktober 2000.

Na vele omzwervingen besliste de Commissie voor Bescherming van de Maatschappij, hierna afgekort CBM genoemd, op 21 maart 2006 appellant te plaatsen in de gevangenis van Merksplas.

De CBM besliste hierna meermaals nog tot behoud van appellant in Merksplas.

2.3. Op 2 juni 2009 besloot de CBM - tegen het advies in van het Openbaar Ministerie - appellant op proef vrij te laten onder voorwaarden.

Op verzet van het Openbaar Ministerie werd deze beslissing door de Hoge Commissie tot Bescherming van de Maatschappij te niet gedaan op 23 juli 2009.

De Hoge Commissie besloot alsdan tot het behoud van appellant in Merksplas totdat een opname in een high security - instelling zou kunnen doorgaan.

2.4. Op 20 januari 2010 besliste de CBM andermaal appellant op proef vrij te laten onder een aantal voorwaarden.

Op verzet van het Openbaar Ministerie werd deze beslissing op 11 februari 2010 te niet gedaan door de Hoge Commissie.

2.5. Bij beslissing van de Hoge CBM van 30 september 2010 werd appellant tenslotte op proef vrijgelaten.

Tegen deze beslissing werd geen verzet aangetekend wat inhoudt dat appellant thans vrij is.

III. Discussie.

3.1. Appellant vroeg aanvankelijk hem onmiddellijk in vrijheid te stellen gezien hij van oordeel was dat zijn vrijheidsberoving in de gevangenis te Merksplas sedert 2006 onrechtmatig was en in strijd met de artikelen 3 en 5 E.V.R.M., juncto artikel 68 S.U.O. en juncto de artikelen 26 en 27 van de wet van 23 mei 1990.

Appellant werd bij beslissing van 30 september 2010 op proef vrij gelaten.

3.2. Er is sprake van hoogdringendheid wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen (Cass., 11 mei 1990, R.W. 1990-91, 987). Het is bovendien de gevraagde maatregel die urgent dient te zijn (Brussel, 14 september 1998, A.J.T., 1998-99, 619).

Het kort geding - dat voor de rechtsonderhorige een buitengewoon rechtsmiddel moet blijven - wordt door degene die zich op blijkbaar bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel te verkrijgen, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden.

Dit brengt met zich mee dat de urgentievereiste ook dient onderzocht te worden in hoger beroep op het ogenblik van de uitspraak.

3.3. Ingevolge de inmiddels tussengekomen beslissing van 30 september 2010 vertoont de oorspronkelijke vordering geen spoedeisend karakter meer.

De appelrechter die in geval van kort geding het gebrek aan spoedeisend karakter vaststelt en bijgevolg vaststelt dat hij geen rechtsmacht meer heeft om in kort geding een voorlopige maatregel te bevelen, hoeft ook geen uitspraak meer te doen over de ogenschijnlijke rechten van partijen en de rechtmatigheid van de gevorderde maatregel.

De vordering is derhalve ongegrond bij gebreke aan hoogdringendheid in hoger beroep.

3.4. Beide partijen vragen de tegenpartij te veroordelen tot de gerechtskosten.

De partij die om een voorlopige maatregel vroeg zonder dat deze door de kortgedingrechter moest/kon worden opgelegd, dient veroordeeld te worden in de kosten.

Het feit dat de gevraagde maatregel spontaan tot stand kwam, doet hieraan niets af.

3.5. Appellant begroot de rechtsplegingsvergoeding op 75 euro gelet op zijn precaire financiële situatie die hem o.a. noodzaakte beroep te doen op een pro deo-advocaat terwijl eerste geïntimeerde deze begroot op 1.200 euro , zijnde het basistarief voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

De precaire situatie van appellant komt in aanmerking om de rechtsplegingsvergoeding te begroten op een verminderd tarief, zijnde 75 euro .

Dit bedrag komt enkel toe aan eerste geïntimeerde die vertegenwoordigd is door een raadsman.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden beschikking weliswaar op grond van andere motieven.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellant op 139 euro rolrechten + 75 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van eerste geïntimeerde op 75 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 15 februari 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • Kortgeding. Spoedeisendheid. Hoger beroep. Beoordeling van de spoedeisendheid in hoger beroep. Uitzonderlijk karakter van de procedure in kortgeding. Commissie voor de bescherming van de maatschappij. Invrijheidstelling.