- Arrest van 22 maart 2011

22/03/2011 - 2008AR16

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.


Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/16

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. De N.V. MORTIER, gefailleerde, vertegenwoordigd door de curatoren

- Meester Els LEENKNECHT, die optreedt voor Meester Johan DECADT, kantoorhoudende te 8630 VEURNE, Duinkerkestraat 34, en

- Meester Els LEENKNECHT, kantoorhoudende te 8600 DIKSMUIDE, Fabriekstraat 4 bus 1,

appellante,

2. De N.V. MORTIER CATERING, met maatschappelijke zetel te 8630 VEURNE, Ondernemingenstraat 7, ingeschreven met KBO-nummer 0428.896.089,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. ROELS E. loco Mr. DECLERCK Chris, advocaat te 8530 HARELBEKE, Kortrijksesteenweg 387 ;

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, met kantoren te 1060 BRUSSEL, Eurostation II, Victor Hortaplein 40 bus 20,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. JOSEPH Ronny, advocaat te 9000 GENT, Onderbergen 57 ;

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 27 juli 2007.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt:

"

Op 29 januari 1999 werd het veevoederbedrijf D. uit Roeselare geconfronteerd met diverse klachten, gegroepeerd in een tijdspanne van enkele dagen, van houders van moederdieren die in de periode van 20 januari 1999 - 28 januari 1999 beleverd werden met foktoomlegmeel.

Aan dit bedrijf werd de raad gegeven om onverwijld een grondig onderzoek te laten instellen door de dienst grondstoffeninspectie van het Ministerie van Landbouw.

Omstreeks 22 februari 1999 kwamen de eerste klachten binnen van de broeierijen, waar een plotse en zeer sterke terugval van het uitkippingspercentage werd vastgesteld bij de eieren die afkomstig waren van de probleembedrijven waar aanvankelijk een forse legdaling werd geregistreerd.

Enkele dagen later kwamen de eerste klachten binnen van diverse vetmesters, doordat de uitval van de geleverde kuikens abnormaal hoog lag.

In deze periode was volgens eisers [NV MORTIER en NV MORTIER CATERING] op basis van anamnese reeds een dioxinevergiftiging als mogelijke werkhypothese gekend. Bovendien waren in ieder geval meerdere bedrijfsdierenartsen in de pluimveesector op de hoogte van de problematiek van legdaling, uitkippingsdaling, verhoogde sterfte van kuikens en dergelijke. DG4 van het Ministerie Van Landbouw was bovendien op de hoogte gesteld door zowel de industrie als door de verzekeringsexpert met de vermelding dat er een vermoeden van dioxinevergiftiging was.

In april 1999 kwam volgens eisers het sluitende bewijs dat dioxines werden teruggevonden in de voederstalen en in het vet van de moederdieren. In tussentijd was er een periode van drie maanden verstreken tussen de eerste vaststellingen en de diagnose van het schadegeval.

Op grond van de bestaande richtlijn 98/662/EC van de E.G. was de Belgische overheid verplicht om de Europese instanties onmiddellijk te verwittigen van de problematiek, ook al was er nog maar sprake van een vermoeden. Deze berichtgeving ten overstaan van de E.G. diende volgens eisers zeker te gebeuren rond 21 of 26 april 1999, aangezien de uitslagen toen bekend waren van twee monsters welke bevestigden dat er een dioxinevergiftiging was.

De Belgische Overheid heeft volgens eisers zeer lang gewacht om officieel in te grijpen en de EG van de dioxinebesmetting op de hoogte te brengen ten gevolge waarvan de Europese autoriteiten zeer wantrouwig hebben gereageerd en draconische maatregelen hebben opgedrongen.

De NV MORTIER werd volgens de curatoren als producent en groothandelaar van paté en aanverwante producten, het slachtoffer van de dioxine- problematiek. De groep Mortier die hoofdzakelijk werkte voor de export, werd naar haar zeggen veel zwaarder getroffen dan andere bedrijven uit andere voedingsbranches of bedrijven uit dezelfde vleessector welke voornamelijk hun producten afzetten in het binnenland.

Zij werd geconfronteerd met het noodgedwongen stilleggen van de productie en haar stocks en voorraden werden geblokkeerd in de koelhuizen en opslagplaatsen. Ingevolge de algemene malaise werden alle niet verkochte goederen uit de handel genomen en teruggestuurd.

De NV MORTIER CATERING van haar kant, opgericht in 1971, houdt zich bezig met de behandeling, verwerking en bereiding van voedingswaren, hun basisgrondstoffen, en hulpstoffen van welke aard, samenstelling, vorm en toestand ook, tot basisgrondstof, halffabricaat, afgewerkt of gereed product in verse, diepgevroren, gedroogde, geconserveerde of gelijk welke bewaringstoestand, dit zowel voor eigen rekening als voor rekening van derden, met in het bijzonder de bereiding van traditionele pasteien met beperkte houdbaarheid, de verpakking en het transport ervan.

De NV MORTIER is daarbij voor 85% actief op de buitenlandse markten en kent als exportgerichte onderneming een opmerkelijke groei. Zij behaalt in 1982 reeds een omzet van 130 miljoen BEF. Het accent ligt voornamelijk op de Engelse, Duitse en Nederlandse markt.

Volgens de NV MORTIER was de directe schade door de verplichte massale terugname van geleverde producten en daaropvolgende vernietiging voor de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING enorm. De gevolgen op het vlak van de rentabiliteit en de omzet waren ronduit desastreus, en werden voor de NV MORTIER nog versterkt door het feit dat 85 % van de totale productie voor export is bestemd. De NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING behoren tot de zwaarst getroffen bedrijven.

Het herstel van de Franse, Nederlandse en vooral Duitse markten zou bijzonder moeizaam verlopen.

Vermits de vooral buitenlandse klanten geen Belgische producten meer wensten aan te kopen, werden allerhande maatregelen genomen om de dioxinecrisis het hoofd te kunnen bieden en de enorme schade die de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING lijden in de mate van het mogelijke te beperken.

Zo werd de microwavelijn die bij de NV MORTIER CATERING stond, overgebracht naar Frankrijk en worden grondstoffen en basisproducten uit het buitenland aangekocht. Tevens werden de bedrijfskosten in de mate van het mogelijke beperkt.

De NV MORTIER meent dat bij een vroeger ingrijpen vanwege de Belgische Staat geen onrechtstreekse schade zou geleden zijn en de handelsrelaties van de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING met voornamelijk buitenlandse klanten niet verstoord zouden zijn.

Gelet op de aanzienlijke commerciële schade die eisers leden en nog zouden lijden, werd dagvaarding van 7 juni 1999 uitgebracht voor de Heer Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, zetelend in Kortgeding lastens de Belgische Staat, waarbij om dringende aanstelling van een college van deskundigen werd verzocht teneinde de schade van NV MORTIER en NV MORTIER CATERING te begroten.

Bij beschikking van 18 juni 1999 van de Heer Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne, in kortgeding, werd een college van deskundigen aangesteld, met als opdracht:

"Kennis te nemen van de stukken en bescheiden welke hen door partijen zullen worden overhandigd. Partijen bij aangetekend schrijven op te roepen op plaats, dag en uur, door de deskundigen vast te stellen, en hun respectievelijke raadslieden te verwittigen teneinde meer in het bijzonder:

- zich ter plaatse te begeven in de ondernemingen van eisers, gelegen te Veurne, resp. Pannestraat 225 en Ondernemingstraat nr. 7

- alle aanwezige basis- en bereidingsproducten voorkomende op de door de Belgische Staat bepaalde lijsten van verdachte producten te inventariseren en te controleren, alsmede de door eisers reeds geleverde doch door klanten terug gestuurde goederen en de afgewerkte producten aanwezig in de opslagruimten;

- na te gaan of deze goederen aangetast zijn door dioxine of P.C. B. 's;

- hun advies te geven omtrent de oorzaak van de eventuele vastgestelde besmetting;

- de door eisers geleden materiële schade te beschrijven en te begroten, mede rekening houdende met de bijkomstige administratie-, stockerings- en vernietigingskosten van besmette producten en de verhoogde kostprijs voor aankopen van buitenlandse basisproducten;

- het geleden en te lijden commercieel en economisch verlies te ramen.

Zeggen voor recht dat bij het onderzoek rekening zal worden gehouden met de aanbevelingen geformuleerd door de bijzondere expertgroep die in de schoot van de Hoge Gezondheidsraad werd opgericht omtrent dioxines in voedingsmiddelen. "

Het eindverslag van de deskundigen werd op 08 januari 2002 neergelegd.

In het voorverslag werd het geleden en te lijden commercieel en economisch verlies geraamd op:

· commercieel verlies: 44.323.980 BEF of 1.098.762,7 euro ;

· economisch verlies: 215.616.022 BEF of 5.344.981,56 euro ;

Na bespreking van de opmerkingen van de raadslieden van de betrokken partijen en na bestudering van de resultaten en de zakencijfers van eisers en hun balansen van voor de dioxinecrisis, [meenden] de experten uiteindelijk dat:

· de N.V. MORTIER CATERING geen economisch verlies kan aangerekend worden

· de N.V. MORTIER in 1999 en 2000 door de dioxinecrisis een commercieel en economisch verlies hebben geleden van 80.000.000 BEF of 1.983.148,20 euro .

Volgens de NV MORTIER CATERING wordt de schade geleden door de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING voor de jaren 1999 en 2000 door het door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne aangestelde expertencollege begroot op 167.769.611 BEF of 4.158.900,02 EUR, terwijl ook in de daaropvolgende jaren de gevolgen nog voelbaar zullen zijn.

De schade geleden door de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING enkel voor de jaren 1999 en 2000 werd door het deskundigencollege aanvankelijk begroot op 260.000.000 BEF. Volgens diezelfde experten en rekening houdend met alle opmerkingen van de partijen wordt het commerciële en economisch verlies voor de NV MORTIER geraamd op 80.000,000 BEF of 1.983.148,20 EUR, enkel en alleen voor de jaren 1999 en 2000.

Uiteindelijk zou de door de NV MORTIER geleden schade finaal op 16.04.2003 tot haar faillissement geleid hebben.

In het kader van het KB van 25 januari 2000 tot instelling van een vergoedingsregeling voor sommige voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong die zich op het Belgisch grondgebied bevinden ontvingen eisers een totaalbedrag van 1.413.906,55 EUR (= 57.036.849,- BEF); bij ontvangst van deze bedragen hebben eisers een definitieve en onvoorwaardelijke afstand gedaan van elk verhaal in rechte tegen de Belgische Staat zodat de vorderingen vermeld in het voorverslag op p. 344 nr. I 1 en 3 en II 1, 2, 4, 5, 6 en 7 kwamen te vervallen.

Het college van experten was het echter niet eens met de stelling dat het indienen van dossiers bij het dioxineloket diende beschouwd te worden als een schadebeperkende maatregel. Het college stelt op p. 357 van het verslag:

"Immers tot heden toe is er voor bepaalde schadeposten slechts sprake van een 80%- vergoedingsregeling (kostprijs van de grondstoffen en eindproducten, en transport voor goederen die waren geëxporteerd). Mortier N. V. en Mortier Catering N. V. menen dat zij recht hebben op minstens 100% vergoeding van de verkoopwaarde. Dit is immers de grondslag van het Kort Geding.

Een echte schadebeperkende maatregel is dat er echt minder schade geleden wordt bij toepassing van die maatregel, en niet dat de kosten van deze schadepost door een derde partij (in casu de Belgische Staat) zou gedragen worden. "

Deze dadingsovereenkomst strekte zich volgens eisers niet uit tot het economische en commercieel verlies dat door de experten op 1.983.148,20 euro werd begroot. Dit bedrag maakt thans het voorwerp van onderhavige procedure uit.

Daarnaast vordert de NV MORTIER de door de gefailleerde voorgeschoten expertisekosten, groot 62.989,74 euro , terug.

"

Partijen kwamen niet tot een minnelijke oplossing, en NV MORTIER en

NV MORTIER CATERING dagvaardden op 10 mei 2002 de BELGISCHE STAAT op twee ministeries. Na het faillissement van 16 april 2003 hervatten de curatoren het geding.

3. Het onderwerp van de vordering

3.1. Voor de eerste rechter vorderden de curatoren van de NV MORTIER de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling van 2.046.137,94 EUR plus de vergoedende intresten vanaf 27 mei 1999 tot 10 mei 2002 waarna de gerechtelijke intresten.

De NV MORTIER CATERING vorderde de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling van:

· 1.037.403,65 EUR, plus de gerechtelijke intresten vanaf 27 mei 2004;

· 2.929.845,20 EUR plus de gerechtelijke intresten vanaf 27 mei 2004 op 2.786.223,23;

De BELGISCHE STAAT concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vorderingen.

3.2. De eerste rechter verklaarde de vorderingen ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde de curatoren en MORTIER CATERING tot betaling van de kosten.

3.3. In hoger beroep hernemen de curatoren hun oorspronkelijke vordering. Daaraan voegen zij het volgende toe:

"Akte te nemen van dezelfde uitbreiding van concluante q.q. als ter zitting voor de Eerste Rechter.

Dienvolgens eerste geïntimeerde bijkomend te veroordelen tot het resterende bedrag uit hoofde van materiële schade ten belope van 761.845,26 euro meer de vergoedende intresten vanaf 27.05.1999 tot 10.05.2002 en vanaf dan meer de gerechtelijke intresten tot de dag der volledige betaling."

De NV MORTIER CATERING stelt dat zij incidenteel hoger beroep instelt strekkende tot de toekenning van haar oorspronkelijke vordering. In hoger beroep vraagt zij de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling van:

· 1.318.127,92 EUR, plus de gerechtelijke intresten vanaf 6 juni 2008;

· 3.431.199,41 EUR plus de gerechtelijke intresten vanaf 6 juni 2008;

De verhoging van de gevorderde bedragen in hoofdsom vindt zijn verklaring in de toepassing door MORTIER CATERING van de kapitalisatie van de intresten.

De BELGISCHE STAAT concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De NV MORTIER richt haar hoger beroep luidens haar akte van hoger beroep uitdrukkelijk tegen de BELGISCHE STAAT en tegen de NV MORTIER CATERING. Tussen de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING bestond nochtans geen vordering in eerste aanleg; de NV MORTIER vraagt ook niets van de NV MORTIER CATERING in hoger beroep. De NV MORTIER CATERING werpt niet op dat dit tegen haar gerichte hoger beroep niet ontvankelijk is. Het is in elk geval zonder voorwerp.

Daarom kan de NV MORTIER CATERING niet beschouwd worden als geïntimeerde. Haar hoger beroep kan dus niet beschouwd worden als een incidenteel hoger beroep, maar als een hoofdberoep ingesteld bij conclusie. Zoals boven vermeld, is er geen betekening geweest; ook het hoofdberoep van de NV MORTIER CATERING is dus tijdig.

Het hof vindt geen spoor van een uitbreiding van vordering die de curatoren stellen te hebben gedaan ter zitting voor de eerste rechter. De BELGISCHE STAAT betwist de mogelijkheid van de uitbreiding van de vordering in hoger beroep evenwel niet.

Zoals vermeld hebben de eisende partijen de BELGISCHE STAAT gedagvaard aan het adres van de ministers van MIDDENSTAND en LANDBOUW en van SOCIALE ZAKEN en VOLKGEZONDHEID. De BELGISCHE STAAT vermeldt dat de bevoegdheden van de minister van MIDDENSTAND en LANDBOUW met betrekking tot de dioxinecrisis in 2003 werden overgedragen aan de minister van SOCIALE ZAKEN en VOLKGEZONDHEID. De NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING betwisten niet dat die laatste de BELGISCHE STAAT vertegenwoordigt.

4.2. De grond van het hoger beroep

Anders dan het verweer van de NV MORTIER CATERING suggereert, werpt de BELGISCHE STAAT niet op dat het beroep van de NV MORTIER CATERING op de vergoedingsregeling van het Koninklijk Besluit 25 januari 2000 huidige vordering belet als gevolg van de in die regeling begrepen afstand van verhaal.

De NV MORTIER herneemt haar stelling dat de BELGISCHE STAAT te lang heeft gewacht om maatregelen te nemen om verdere verspreiding te voorkomen en om de Europese Commissie in te lichten. Zij stelt dat daardoor de besmetting zo groot is geworden dat een crisis onafwendbaar was en dat vervolgens daardoor de Europese Commissie wantrouwig heeft gereageerd en draconische maatregelen heeft opgedrongen.

De NV MORTIER CATERING stelt dat de Europese Commissie verregaande maatregelen heeft getroffen onder meer omdat de BELGISCHE STAAT niet snel genoeg duidelijke, concrete en sluitende inlichtingen kon verstrekken over de ondernemingen die bij de besmetting betrokken waren en dat zo de dioxinecrisis is ontstaan. Zij meent dat daardoor in de buurlanden een wantrouwen is ontstaan ten aanzien van vlees en afgeleide producten uit België.

De vorderingen van de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING zijn gesteund op onrechtmatige daad; zij zijn als eisende partijen dus gehouden het bewijs te leveren van het bestaan van fout, schade en oorzakelijk verband (artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 1315 en 1382 van het Burgerlijk Wetboek).

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.

Het wegdenken van de (beweerde) fout, om te zien of de concrete schade zich dan ook zou hebben voorgedaan, leidt in huidig geval tot volgende conclusie.

De NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING stellen nadeel te hebben geleden door de maatregelen die zijn genomen door de Europese Commissie, of door de BELGISCHE STAAT op aangeven van de Europese Commissie, of door de nalatigheid van de BELGISCHE STAAT.

De beweegredenen van de Europese Commissie bij de door haar genomen of opgelegde maatregelen blijken uit de motivering van de betreffende beschikkingen, en in het bijzonder uit de motivering van volgende beschikkingen die de NV MORTIER CATERING in conclusie weergeeft.

Bij beschikking 1999/363 overweegt de Commissie dat dringende maatregelen getroffen moeten worden om de volksgezondheid te beschermen om de volgende redenen:

· "De oorsprong van de verontreiniging is nog niet vastgesteld;

· Niettegenstaande de beperkende maatregelen van de Belgische autoriteit en de invoering van een slachtverbod van pluimvee, kunnen er nog steeds voor menselijk consumptie of voor veevoedering bestemde producten, afkomstig van voor 1 juni 1999 in de betrokken bedrijven gehouden dieren op de markt zijn; de Belgische autoriteiten zouden nog niet alle dienstige maatregelen getroffen hebben om te garanderen dat die producten uit de markt zouden worden genomen;

· Voeder, de daarmee gevoerde levende dieren en producten van die dieren blijken aan andere lidstaten geleverd te zijn; bovendien is het mogelijk dat het besmette voeder ook aan andere diersoorten gevoederd werd;

· Het Internationaal Agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie heeft aanbevolen dat de dagelijkse inname voor dioxine 1,4 pg/kg lichaamsgewicht niet mag overschrijden. De gegevens over de achtergrondniveaus van de dioxineverontreiniging dienen derhalve volgens de Commissie als referentiewaarden te worden gehanteerd, aangezien er noch internationaal, communautair of nationaal maximumdioxinegehalten vastgesteld zijn."

Bij de beschikking 1999/390 overweegt de Commissie:

· "dat bij gebrek aan een uniforme certificeringsregeling, bij de lidstaten en derde landen verwarring lijkt te ontstaan als gevolg van de uiteenlopende rapporteringsmethoden die door de Belgische autoriteiten worden gebruikt; dat het, teneinde het vertrouwen in de door de Belgische autoriteiten gegeven garanties te vergroten, aangewezen is modellen vast te stellen voor de officiële verklaring en voor de officiële certificaten waarvan levende dieren en van producten van oorsprong van België, waarop deze beschikkingen van toepassing zijn, vergezeld moeten gaan".

Bij de beschikking 1999/419 overweegt de Commissie:

· " ... Dat het evenwel moeilijk is gebleken de exacte oorsprong te traceren van bepaalde Belgische producten, met name van als huisdier gehouden pluimvee verkregen producten die zijn vervaardigd tussen 15 januari 1999 en 1 juni 1999, en van runderen en varkens verkregen producten die zijn vervaardigd tussen 15 januari 1999 en 3 juni 1999; dat de Belgische autoriteiten hebben ingestemd met de terugzending van die producten uit andere lidstaten, overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 89/662/EEG; dat stringente en specifieke voorschriften moeten worden vastgesteld betreffende de procedure die moet worden gevolgd wanneer de producten naar België worden teruggezonden, teneinde te garanderen dat zij niet opnieuw in de voedsel- of de voederketen worden gebracht voordat zij terdege op hun veiligheid zijn gecontroleerd".

Bij de beschikking 1999/449 overweegt de Commissie:

· "dat de Belgische autoriteiten ten aanzien van varkens en runderen en daarvan afgeleide producten soortgelijke maatregelen hebben vastgesteld als voor pluimvee en dat zij met name voor runderen en varkens een slachtverbod hadden ingesteld met ingang van 3 juni 1999;

· dat het onderzoek naar de verantwoordelijkheid van de verontreiniging nog steeds aan de gang was;

· dat bij een communautair inspectieonderzoek aan België van 8 tot en met 11 juni 1999 en met name op basis van de beschikbare analyseresultaten is geconcludeerd dat zich een massale verontreiniging had voorgedaan in een beperkte periode en dat het niet zou gaan om een terugkerend probleem;

· dat voor het onderzoek op dioxines gesofisticeerde methoden vereist zijn die slechts in een beperkt aantal laboratoria in de lidstaten voorhanden zijn."

Uit de vermelde motiveringen blijkt voldoende dat de maatregelen zijn ingegeven door de bezorgdheid om de veiligheid van de voedselketen en om de volksgezondheid. Uit de motiveringen blijkt geenszins dat de maatregelen bedoeld zijn om te remediëren aan tekortkomingen van de BELGISCHE STAAT, en blijkt evenmin dat de Europese Commissie het handelen of mogelijk nalaten van de BELGISCHE STAAT als laattijdig of anderszins onzorgvuldig aanmerkt. Dat de Europese Commissie de behandeling van de dioxinecrisis door de BELGISCHE STAAT niet als foutief heeft beoordeeld, blijkt overigens, zoals de eerste rechter opmerkt, uit het niet voortzetten door de Europese Commissie van een procedure tegen de BELGISCHE STAAT met toepassing van artikel 226 van EG-Verdrag (naar luid waarvan de Europese Commissie kan vaststellen dat een lidstaat de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen).

Nu de motivering van de beslissingen niet steunt op een fout van de BELGISCHE STAAT, moet aangenomen worden dat de Europese Commissie die zelfde beslissingen zou hebben genomen indien de BELGISCHE STAAT de (beweerde) fout niet zou hebben begaan. In geval van een snellere verwittiging door de BELGISCHE STAAT van de Europese Commissie zou de Europese Commissie zonder twijfel dezelfde beweegredenen hebben aangenomen in verband met de volksgezondheid en de veiligheid van de voedselketen, en het kan niet worden verondersteld dat zij dan andere maatregelen zou hebben genomen.

De zelfde redenering moet gevolgd worden met betrekking tot het optreden van de BELGISCHE STAAT bij het onderzoek van de dioxinebesmetting en bij het nemen van maatregelen. Een sneller optreden van de BELGISCHE STAAT en snellere maatregelen zouden de schade van de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING (uit die maatregelen) spoediger hebben doen optreden. Daaraan kan toegevoegd worden dat het onveiligheidsgevoel en de paniekreactie van de consument en van de (Belgische en buitenlandse) markten en van derde staten bij een snellere reactie op aanvankelijk onvolledige en niet geheel zekere gegevens mogelijk nog groter zou zijn geweest dan nu het geval is geweest.

Anders dan de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING voorhouden, kan niet volgehouden worden dat de BELGISCHE STAAT de dioxinecrisis heeft veroorzaakt die de ernstige maatregelen heeft uitgelokt. De besmetting en verspreiding zijn gebeurd door de daad van derden, en de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING bewijzen niet dat de BELGISCHE STAAT door zijn handelen of nalaten van die besmetting en verspreiding een crisis heeft gemaakt (waarbij crisis kan worden begrepen als een "periode van ernstige stoornis") . Uit niets blijkt dat de BELGISCHE STAAT de besmetting (door derden) had kunnen vermijden, of dat hij de verspreiding van de besmetting sneller of efficiënter had kunnen bestrijden zonder de maatregelen te nemen die hij nu heeft genomen, en die er mogelijk toe geleid hebben de onderneming van de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING te schaden.

Voor zoveel als nodig merkt het hof op dat de schade waarvoor de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING vergoeding vorderen inderdaad niet rechtstreeks volgt uit de dioxinebesmetting, maar uit de maatregelen die de overheden na die besmetting hebben genomen. Dit vindt overigens bevestiging in een overweging van het college van deskundigen waarop de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING zich beroepen, met name dat de economische en commerciële schade door de verstoorde handelsrelaties met de voornamelijk buitenlandse klanten tientallen keren groter was dan de schade veroorzaakt door al of niet aanwezige dioxines of pcb's in voor de volksgezondheid gevaarlijke concentraties .

Uit het voorgaande volgt overigens opnieuw dat de door de Europese Commissie genomen maatregelen ook niet beschouwd kunnen worden als noodzakelijk voor de volksgezondheid en de veiligheid omwille van een door de BELGISCHE STAAT niet op gepaste wijze behandelde dioxinebesmetting of -crisis.

De NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING leveren dus niet het bewijs van het verband tussen de beweerde fouten van de BELGISCHE STAAT en de in concreto geleden schade. Gelet op het bovenstaande zijn de overige middelen van partijen zonder belang voor de beoordeling van het hoger beroep.

De vorderingen zijn dus ongegrond en het hoger beroep is ongegrond.

5. De kosten

Ten onrechte vraagt de BELGISCHE STAAT twee maal de rechtsplegingsvergoeding, of één rechtsplegingsvergoeding voor elk, van de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING. De NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING stellen weliswaar afzonderlijke vorderingen, maar zij doen dat in een enkel geding, en met grotendeels gelijke middelen.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag (geïndexeerd) 16.500,00 EUR.

6. Het beschikkend gedeelte

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart het hoger beroep van de NV MORTIER tegen de NV MORTIER CATERING zonder voorwerp,

En verklaart de hogere beroepen voor het overige ontvankelijk en ongegrond.

Het veroordeelt de NV MORTIER en de NV MORTIER CATERING tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van de N.V. MORTIER, gefailleerde op 186,00 EUR rolrechten,

- in hoofde van NV.V. MORTIER CATERING op 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de de BELGISCHE STAAT, SOCIALE ZAKEN en VOLKSGEZONDHEID op 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 22 maart 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • Dioxine

  • Dioxinecrisis

  • Overheidsaansprakelijkheid?

  • Beweerde fout in hoofde van de overheid wegens het te lang wachten met het nemen van overheidsmaatregelen. Beweerd oorzakelijk verband tussen de beweerde fout en de daadwerkelijk geleden schade. Impact van het KB 25 januari 2000 (vergoedingsregeling).