- Arrest van 12 april 2011

12/04/2011 - 2007AR3333

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Arrest - Integrale tekst

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

A.R. Nr.: 2007/AR/3333 - 2008/AR/982 - 2008/AR/2056

A.R. Nr.: 2007/AR/3333

INZAKE VAN:

C. P., huisarts, ,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. PEERENBOOM M. loco Mr. DE SMET Jean-Marie, advocaat te 1180 BRUSSEL, W. Churchilllaan 251 B1 ;

TEGEN:

1. B. M., ,

2. B. G., ,

3. NATIONAAL VERBOND van SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Sint-Jansstraat 32, ingeschreven met KBO-nummer 0411.724.220,

eerste tot derde geïntimeerde,

allen vertegenwoordigd door Mr. LOOS R. loco Mr. LIBEER Stephane, advocaat te 1040 BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55 Bus 10 ;

4. FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V., thans de AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V., met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II laan 9, ingeschreven met KBO-nummer 0416.056.358,

vierde geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. WECKHUYSEN W. loco Mr. CLIJMANS Eric, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Schemersstraat 30 ;

5. MONICA V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Florent Pauwelslei 1, ingeschreven met KBO-nummer 0459.768.815,

vijfde geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VANLOUWE M. loco Mr. BORRE Denis, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr. Schweitzerplein 18 ;

A.R. Nr.: 2008/AR/982

INZAKE VAN:

MONICA V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Florent Pauwelslei 1,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VANLOUWE M. loco Mr. BORRE Denis, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr. Schweitzerplein 18 ;

TEGEN:

1. B. M., wonende te 2900 SCHOTEN, Jan Van Puyenbroecklaan 97,

2. B. G., wonende te 2960 BRECHT, Dremelheidebaan 28,

3. NATIONAAL VERBOND van SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, St.-jansstraat 32-38,

eerste tot derde geïntimeerde,

allen vertegenwoordigd door Mr. LOOS R. loco Mr. LIBEER Stephane, advocaat te 1040 BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55 Bus 10 ;

4. FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V., thans de AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V., met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II laan 9,

vierde geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. WECKHUYSEN W. loco Mr. CLIJMANS Eric, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Schemersstraat 30 ;

5. C. P., wonende te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Waalhofstraat 62,

vijfde geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. PEERENBOOM M. loco Mr. DE SMET Jean-Marie, advocaat te 1180 BRUSSEL, W. Churchilllaan 251 B1 ;

EN A.R. Nr.: 2008/AR/2056

INZAKE VAN:

1. B. M., wonende te 2900 SCHOTEN, Jan Van Puyenbroecklaan 97,

2. B. G., wonende te 2960 BRECHT, Dremelheidebaan 28,

3. NATIONAAL VERBOND van SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Sint-Jansstraat 32-38,

appellanten,

allen vertegenwoordigd door Mr. LOOS R. loco Mr. LIBEER Stephane, advocaat te 1040 BRUSSEL, Sint-Michielslaan 55 Bus 10 ;

TEGEN:

1. FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V., thans de AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V., met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II laan 9,

eerste geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. WECKHUYSEN W. loco Mr. CLIJMANS Eric, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Schemersstraat 30 ;

2. C. P., huisarts, wonende te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Waalhofstraat 62,

tweede geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. PEERENBOOM M. loco Mr. DE SMET Jean-Marie, advocaat te 1180 BRUSSEL, W. Churchilllaan 251 B1 ;

3. MONICA V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Florent Pauwelslei 1,

derde geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VANLOUWE M. loco Mr. BORRE Denis, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr. Schweitzerplein 18 ;

SAMENVATTING

1. Bij toepassing van artikel 34,§4 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst wordt de vijfjarige verjaringstermijn gestuit van zodra de verzekeraar kennis krijgt van de vraag van de benadeelde om tot vergoeding over te gaan en eindigt deze stuitingsperiode van zodra de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk ter kennis brengt dat hij ofwel zal vergoeden ofwel weigert tussen te komen in het schadegeval. Voornoemd artikel 34 heeft het nadrukkelijk over de stuiting van de verjaring en niet over de schorsing ervan. Onderscheid tussen de stuiting en de schorsing van een verjaringstermijn.

2. Wanneer een patiënt een beroep doet op een medische instelling zonder persoonlijk een behandelende geneesheer te kiezen waardoor hij zich impliciet toevertrouwt aan de geneesheren die met die instelling verbonden zijn, contracteert hij met de medische instelling. Dergelijk contract heeft betrekking op zowel de toezicht - als de verzorgingsplicht

Gelet op de procedurestukken:

n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 26 oktober 2007, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 19 december 2007 (= A.R. nr. 2007/AR/3333);

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 10 april 2008 (= A.R. nr. 2008/AR/982);

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 25 juli 2008 (= A.R. nr. 2008/AR/2057);

n de conclusie van de heer C. neergelegd ter griffie op 24 november 2008;

n de conclusie van de VZW Monica neergelegd ter griffie op 16 januari 2009;

n de syntheseconclusie van de consorten B. en de Socialistische Mutualiteiten neergelegd ter griffie op 13 maart 2009;

n de syntheseconclusie van Fortis neergelegd ter griffie op 23 juli 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

De hogere beroepen en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van de consorten B. en de Socialistische Mutualiteiten strekte ertoe (1) FORTIS te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 10.000 euro , (2) de heer C. te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 10.000 euro en (3) MONICA te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 1 euro .

In ondergeschikte orde vroegen zij de neerlegging van het ganse medische dossier van mevrouw Anna E. en de aanstelling van een deskundige met een welomschreven opdracht.

De VZW MONICA stelde een tussenvordering in vrijwaring in tegen FORTIS en Dr. C..

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering ontvankelijk verklaard , (2) vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde Dr. Luc E. aangesteld als deskundige met o.a. als opdracht na kennisname van het ganse medische dossier van het slachtoffer, de door Dr. C. en Dr. C., vastgestelde diagnose en uitgevoerde behandelingen en eventuele opvolging sedert 9 mei 1999 te beschrijven en o.a. een advies te geven over de "Tetanus - preventie" die nageleefd diende te worden en (3) de zaak voor het overige naar de bijzondere rol verzonden.

1.3. Het hoger beroep van de heer C. beoogt, alvorens recht te doen, een college van deskundigen te horen aanstellen bestaande uit een universiteitsprofessor gespecialiseerd in spoedopnames, een universiteitsprofessor die zich bezighoudt met de opleiding van huisartsen en een derde arts bedrijvig in expertisezaken om de pen te houden.

Hij vraagt tevens de door de eerste rechter omschreven opdracht te heromschrijven. Hij meent dat het niet gepast is aan de deskundige te vragen een advies te geven over de tetanuspreventie die diende nageleefd te worden maar dat de vraag erin moet bestaan te bepalen welke de schade van mevrouw E. zou geweest zijn indien zij zich aangeboden zou hebben aan het Onze - Lieve - Vrouw Middelares zoals gevraagd door Dr. C..

De heer C. verzoekt tenslotte te bevelen dat de artsen en/of de verplegers van de spoedongevallendienst van OLV Ziekenhuis Middelares door het college van deskundigen zullen kunnen verhoord worden.

1.4. Het hoger beroep van de consorten B. en de SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN beoogt (1) te horen zeggen dat hun vordering t.o.v. FORTIS niet verjaard is en (2) de expertisemaatregel tegensprekelijk te stellen t.a.v. FORTIS.

1.5. In hoger beroep vraagt de VZW MONICA (1) in hoofdorde de vordering van de oorspronkelijke eisers in zoverre tegen haar gericht niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en (2) in ondergeschikte orde de door haar ingestelde tussenvordering in vrijwaring tegen FORTIS en Dr. C. ontvankelijk en gegrond te verklaren.

1.6. Bij wijze van incidenteel beroep vraagt FORTIS de oorspronkelijke vordering van appellanten (= consorten B. en de MUTUALITEIT) lastens haar ontoelaatbaar minstens ongegrond te verklaren en haar derhalve buiten zake te stellen.

Ondergeschikt verzoekt zij de vordering in vrijwaring van MONICA ontoelaatbaar minstens ongegrond te verklaren.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat mevrouw E., moeder van de consorten B., op 9 mei 1999 een "diepe" schaafwonde opliep aan haar scheenbeen . De Heer C. werpt hiertegen op dat het integendeel om een "oppervlakkige en zuivere" schaafwonde zou gaan.

Mevrouw E. werd door haar echtgenoot naar het ziekenhuis MONICA - campus O.L.V. Middelares Ziekenhuis Deurne - gebracht waar zij op de dienst spoed behandeld werd door Dr. C., zijnde de geneesheer die van wacht was.

Het slachtoffer bleef pijn hebben en riep op 12 mei 1999 haar huisarts, Dr. C. op - die toevallig die dag ook van wacht was - en deze schreef haar toen een zalf voor en verwees haar - naar eigen zeggen - door naar het ziekenhuis, wat zij blijkbaar niet deed.

Op 17 mei 1999 kreeg het slachtoffer plots schuim op haar mond en verstijfde haar hele lichaam.

Na contactname verwees haar huisarts haar naar de Eeuwfeestkliniek in Antwerpen - waar ze recentelijk cardiaal was nagezien - en aldaar werd tetanus vastgesteld.

Niettegenstaande de haar toegediende verzorging overleed het slachtoffer op 8 juni 1999.

2.3. De consorten B. menen dat in de spoeddienst van het O.L.V. Middelares Ziekenhuis fouten werden begaan door de spoedarts die haar behandelde alsmede door haar huisarts.

FORTIS CORPORATE INSURANCE is de verzekeraar van het Universitair Ziekenhuis te Antwerpen.

III. Discussie.

3.1. FORTIS werpt op dat zij in de dagvaarding van 14 juli 2005 aangesproken wordt als verzekeraar van het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS ANTWERPEN (= UZA), aansteller van Dr. C. doch dat deze arts in dienst was van het U.I.A., zijnde de UNIVERSITAIRE INSTELLING ANTWERPEN.

Zij meent dat om deze reden de vordering ontoelaatbaar is minstens ongegrond.

3.2. Uit de stukken blijkt dat de NV FORTIS CORPORATE INSURANCE, met ondernemingsnummer 0416.056.358, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53 zowel de verzekeraar is van de UNIVERSITAIRE INSTELLING ANTWERPEN als van het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS ANTWERPEN.

Het feit dat de oorspronkelijke eisers aanvankelijk de mening toegedaan waren dat Dr. C. in dienst was van de UZA i.p.v. de U.I.A. maakt op zich hun vordering niet ontoelaatbaar en nog minder ongegrond.

De bedoeling van de dagvaarding was immers om de verzekeraar van de aansteller van Dr. C. in het geding te betrekken wat zij op een rechtsgeldige wijze gedaan hebben.

De eerste rechter heeft dit middel terecht verworpen.

3.3. FORTIS CORPORATE INSURANCE werpt tevens de verjaring in en beroept zich op artikel 34,§2 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst.

Mevrouw B. bood zich op de spoedongevallendienst aan op 9 mei 1999, de dag dat zij haar verwondingen opliep, en zij overleed op 8 juni 1999. Bij exploot betekend op 13 juli 2005 werd tot dagvaarding overgegaan.

Bij toepassing van artikel 34,§4 van voornoemde wet wordt de vijfjarige verjaringstermijn gestuit van zodra de verzekeraar kennis krijgt van de vraag van de benadeelde om tot vergoeding over te gaan en eindigt deze stuitingsperiode van zodra de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk ter kennis brengt dat hij ofwel zal vergoeden ofwel weigert tussen te komen in het schadegeval.

De oorspronkelijke eisers betwisten niet dat FORTIS werd aangemaand om tussen te komen in het schadegeval op 29 januari 2001 en dat deze verzekeraar op 27 maart 2001 reeds liet weten dat zij haar verzekerde niet aansprakelijk achtte en bijgevolg niet zou tussenkomen in het schadegeval. De verjaring werd bijgevolg gestuit van 29 januari 2001 t.e.m. 27 maart 2001.

Zij menen echter dat de eerste rechter de begrippen stuiting en schorsing van de verjaring door elkaar haalt en dat ingeval van stuiting van de verjaring de verstreken tijd verloren is en na het beëindigen van de stuiting een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen (= 27 maart 2001 + 5 jaar).

3.4. Voornoemd artikel 34 heeft het nadrukkelijk over de stuiting van de verjaring en niet over de schorsing ervan.

De schorsing van de verjaring heeft tot gevolg dat de termijn met de duur van de schorsing wordt verlengd.

Zij komt neer op het niet in aanmerking nemen van een bepaalde tijdsduur bij de berekening van de verjaringstermijn.

De stuiting van de verjaring ontneemt integendeel elk gevolg aan de reeds verlopen termijn, en doet er een nieuwe lopen. Deze termijn is in beginsel gelijk aan de oude, d.w.z. in deze 5 jaar.

3.5. Terecht wordt opgeworpen dat de eerste rechter beide begrippen door elkaar haalde.

Gezien het in deze om een stuiting van de verjaring gaat, houdt dit in dat na de schriftelijke mededeling van de verzekeraar dat hij niet tot vergoeding zal overgaan (= op 27 maart 2001) een nieuwe termijn van 5 jaar een aanvang neemt .

De oorspronkelijke eisers hadden bijgevolg tot 27 maart 2006 de tijd om tot dagvaarding over te gaan.

In deze gingen zij over tot dagvaarding bij exploot betekend op 13 juli 2005 wat binnen de geldende verjaringstermijn is.

3.6. Hierbij is het irrelevant wat in de conclusies van 6 juni 2006 staat gelet op wat uiteengezet werd in punt 3.2. van huidig arrest.In die conclusie werd geen "nieuwe vordering" gesteld gezien FORTIS CORPORATE INSURANCE van in den beginne gedagvaard werd in haar hoedanigheid van verzekeraar van de aansteller van Dr. C..

3.7. Er dient evenmin een onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds eerste en tweede appellanten (= consorten B.) en anderzijds derde appellante (= MUTUALITEIT).

In tegenstelling met wat wordt opgeworpen, vraagt het NVSM niet enkel de terugbetaling van haar tussenkomsten in de kosten van gezondsheidszorgen doch treedt zij tevens op als gesubrogeerde verzekeringsinstelling in de rechten van de benadeelden .

Het NVSM stelt derhalve geen andere rechtsvordering dan die van de getroffenen en de stuiting loopt bijgevolg tegen alle appellanten.

3.8. De vordering van appellanten is derhalve niet verjaard opzichtens FORTIS CORPORATE INSURANCE.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd.

3.9. De VZW MONICA werpt tevens de verjaring in.

Zij houdt voor dat er geen ziekenhuiscontract tot stand kwam tussen mevrouw E. en haarzelf maar dat de rechtsverhouding tussen de patiënt en het ziekenhuis buitencontractueel van aard is.

Zij leidt hieruit af dat bij toepassing van artikel 2262bis B.W. de vordering verjaard is gezien zij eerst gedagvaard werd in gedwongen tussenkomst en vrijwaring bij exploot betekend op 19 juni 2006.

3.10. Mevrouw E. begaf zich op 9 mei 1999 naar de spoeddienst van Onze - Lieve - Vrouw Middelares Ziekenhuis, deel uitmakende van de VZW MONICA, waar zij behandeld werd door een voor haar onbekende geneesheer en onbekend verplegend personeel.

Wanneer een patiënt een beroep doet op een medische instelling zonder persoonlijk een behandelende geneesheer te kiezen waardoor hij zich impliciet toevertrouwt aan de geneesheren die met die instelling verbonden zijn, contracteert hij met de medische instelling.

Dergelijk contract heeft betrekking op zowel de toezicht - als de verzorgingsplicht .

3.11. De verhouding tussen mevrouw E. en het ziekenhuis was bijgevolg van contractuele aard en de vordering die appellanten instellen enerzijds in hun hoedanigheid van erfgenamen van mevrouw E. en anderzijds als gesubrogeerde verzekerinstelling is bijgevolg gegrond op de contractuele aansprakelijkheid van het ziekenhuis.

De (contractuele) verjaringstermijn bedraagt 10 jaar en was derhalve niet verlopen op het ogenblik dat de VZW MONICA gedagvaard werd in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.

3.12. Dr. C. roept in tegenstelling met wat hij deed voor de eerste rechter thans de verjaring niet meer in wat hem betreft.

3.13. Appellanten (= consorten B. en de MUTUALITEIT) vorderen voorlopig enkel de aanstelling van een deskundige.

Vooraleer een deskundige wordt aangesteld, moeten deze appellanten het bestaan van een fout, schade en oorzakelijk verband aannemelijk maken. In tegenstelling met wat voorgehouden wordt, moeten zij, in huidige fase van het geding, het bestaan niet bewijzen van een effectieve fout, schade en oorzakelijk verband.

In deze zaak worden twee medische verslagen neergelegd, de ene van Dr. Zegers, raadsgeneesheer van de mutualiteiten, de andere van Dr. Heylen, aangesteld door de verzekeraar van Dr. Ceurvits, die beiden tegenstrijdig zijn.

Het hof beschikt niet over de nodige vaardigheden om de hierin vervatte medische gegevens te analyseren en hieruit gevolgen te trekken.

Verder staat vast dat mevrouw E. overleed aan de gevolgen van Tetanus en uit de medische literatuur blijkt, op het eerste gezicht, dat zeker bij oudere personen voorzichtigheid is geboden qua tetanuspreventie en dat hierbij snel dient gehandeld te worden.

Uit de voorhanden zijnde gegevens is niet uit te maken of de huisarts, Dr. C., die tot twee maal toe geconsulteerd werd, of de spoedongevallenarts, Dr. C., desbetreffend de nodige maatregelen genomen hebben.

De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist, vooraleer verder recht te doen, om een deskundigenonderzoek te bevelen.

3.14. Dr. C. vraagt de aanstelling van een college van deskundigen.

De eerste rechter stelde Dr. Luc E. aan als deskundige.

Deze deskundige heeft steeds de mogelijkheid om te vragen zich te laten bijstaan door specialisten indien hij dit nodig zou achten.

Er is derhalve geen reden voorhanden om thans een college van deskundigen aan te stellen.

3.15. Dr. C. vraagt ook om de expertiseopdracht anders te formuleren.

Hij is van oordeel dat het niet past te vragen aan de deskundige zijn advies te geven over de "tetanuspreventie" die diende nageleefd te worden omdat dit een oriëntering zou zijn van de expertiseopdracht.

Hij vraagt dit deel van de oorspronkelijke opdracht weg te laten en aan de deskundige de bijkomende vraag te stellen te bepalen welke de schade van Mevrouw E. zou geweest zijn indien zij zich zou hebben aangeboden aan het Onze - Lieve - Vrouw Middelaresziekenhuis zoals gevraagd door Dr. C. en het derde onderdeel van de expertiseopdracht zoals omschreven in het bestreden vonnis te herformuleren als de door huisarts C. uitgevoerde behandeling en opvolging van de schaafwonde en de gezondheidstoestand van mevrouw E. te beschrijven.

De bijkomende vraag die Dr. C. wenst te stellen, is impliciet vervat in de opdracht zoals omschreven door de eerste rechter onder de vraag zijn advies te geven over de door Dr. C. vastgestelde diagnose en uitgevoerde behandeling en opvolging van de gezondheidstoestand van mevrouw E. sedert 9 mei 1999 (= derde onderdeel van de expertiseopdracht). Het hof ziet verder niet in om welke reden dit deel van de opdracht zou moeten geherformuleerd te worden.

De vraag over de tetanuspreventie is wel degelijk pertinent gezien het overlijden van mevrouw E. gekoppeld wordt aan tetanus en de te nemen voorzorgsmaatregelen om een dergelijk ziekteverschijnsel te vermijden.

Op dit punt wordt het bestreden vonnis ook bevestigd.

3.16. Dr. C. vraagt ten slotte in zijn verzoekschrift in hoger beroep te bevelen dat de artsen en/of de verplegers van de spoedongevallendienst van het OLV Ziekenhuis Middelares door het college van deskundigen zullen kunnen verhoord worden.

Hij herneemt deze vraag echter niet in zijn conclusie neergelegd op 24 november 2008.

Ten overvloede wordt hierbij opgemerkt dat een deskundigenonderzoek (in burgerlijke zaken) geen gerechtelijk onderzoek is en dat het aan de deskundige zelf toebehoort te bepalen welke gegevens nuttig zijn om zijn expertiseopdracht tot een goed einde te brengen.

3.17. Partijen vragen een bedrag van 1.200 euro wat het basisbedrag is voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Dit bedrag wordt na de indexatie van kracht sedert 1 maart 2011 1.320 euro .

Dit bedrag komt toe aan de consorten B. en het NVSM samen als de in het gelijk gestelde partijen die vertegenwoordigd worden door dezelfde raadsman en is verschuldigd door de overige inzake zijnde partijen in solidum.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Voegt de zaken gekend onder de A.R. nummers 2007/AR/3333, 2008/AR/982 en 2008/AR/2056 samen.

Verklaart de hogere beroepen en het incidenteel beroep allen ontvankelijk.

Verklaart het hoger beroep ingesteld door de consorten B. en het NVSM gegrond.

Verklaart de hogere beroepen ingesteld door Dr. C. en de VZW MONICA ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ingesteld door de NV FORTIS CORPORATE INSURANCE, thans de NV AMLIN CORPORATE INSURANCE ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijziging dat de vordering van de consorten B. en het NVSM ontvankelijk (= niet verjaard) wordt verklaard in zoverre gericht tegen de NV FORTIS CORPORATE INSURANCE , thans de NV AMLIN CORPORATE INSURANCE .

Zegt voor recht dat de bevolen expertisemaatregel tegenstelbaar zal zijn aan de NV FORTIS CORPORATE INSURANCE, thans de NV AMLIN CORPORATE INSURANCE.

Verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, 2e lid Ger.W. opnieuw naar de eerste rechter.

Veroordeelt Dr. C., de VZW MONICA en de NV FORTIS CORPORATE INSURANCE, thans NV AMLIN CORPORATE INSURANCE, in solidum in de kosten van hoger beroep, begroot

- in hoofde van Dr. C. op 186 euro rolrechten + 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van M. B., G. B. en NATIONAAL VERBOND van SOCIALISTISCHE MUTULAITEITEN op 186 euro rolrechten + 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de VZW MONICA op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de NV FORTIS CORPORATE INSURANCE, thans de AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V. op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 12 april 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • 1. wet inzake landverzekeringsovereenkomst. Verjaring. Vif jaar Onderscheid tussen stuiting en schorsing van de verjaring. 2. Opname inziekenhuis. Soeddienst. Contractuele verhouding tussen de patiënt en het ziekenhuis. Toepassing van de verjaringstermijn voor contractuele varjaringstermijng van tien jaar.