- Arrest van 10 mei 2011

10/05/2011 - 2008AR1725

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Om terugbetaling te bekomen van de uitbetaalde ongeschiktheidsuitkeringen is de Landsbond op grond van artikel 136 § 2 van de Z.I.V.-Wet van 14 juli 1994 in de plaats van zijn aangeslotene gesteld t.a.v. de aansprakelijke derde met die beperking dat het bedrag van de vordering van de verzekeringsinstelling niet hoger kan zijn dan het bedrag dat de rechthebbende op grond van het gemene recht zou toekomen voor de veroorzaakte ongeschiktheid. De verzekeringsmaatschappij die prestaties heeft verleend aan de persoon die schade heeft geleden waarvoor een derde aansprakelijk is, treedt in de plaats van die rechthebbende tot beloop van het geheel van die prestaties. Die vordering kan slechts worden uitgeoefend tot beloop van de bedragen die krachtens het gemeen recht aan de getroffene verschuldigd zijn ter vergoeding van dezelfde schade. De dubbele begrenzing heeft tot gevolg dat het effectieve verhaal zal beperkt blijven tot het laagste van beide bedragen.


Arrest - Integrale tekst

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1725

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

B. X., met maatschappelijke zetel te,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. BOSMANS F. loco Mr. BOSMANS-BROECKX Catharine, advocaat te 1600 SINT-PIETERS-LEEUW, Volsemstraat 17 ;

TEGEN:

1. De LANDSBOND der CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN OBBERGHEN Vincent, advocaat te 1800 VILVOORDE, Ridderstraat 2 b2 ;

2. V. J., wonende te,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN REYBROUCK Marijke, advocaat te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 36 en vertegenwoordigd door Mr. COLTURA Michiel, advocaat te 1850 GRIMBERGEN, O. L. Vrouwstraat 18 ;

Lichamelijke schade - subrogatoire vordering van de ziekteverzekering -

SAMENVATTING

Om terugbetaling te bekomen van de uitbetaalde ongeschiktheidsuitkeringen is de Landsbond op grond van artikel 136 § 2 van de Z.I.V.-Wet van 14 juli 1994 in de plaats van zijn aangeslotene gesteld t.a.v. de aansprakelijke derde met die beperking dat het bedrag van de vordering van de verzekeringsinstelling niet hoger kan zijn dan het bedrag dat de rechthebbende op grond van het gemene recht zou toekomen voor de veroorzaakte ongeschiktheid. De verzekeringsmaatschappij die prestaties heeft verleend aan de persoon die schade heeft geleden waarvoor een derde aansprakelijk is, treedt in de plaats van die rechthebbende tot beloop van het geheel van die prestaties. Die vordering kan slechts worden uitgeoefend tot beloop van de bedragen die krachtens het gemeen recht aan de getroffene verschuldigd zijn ter vergoeding van dezelfde schade. De dubbele begrenzing heeft tot gevolg dat het effectieve verhaal zal beperkt blijven tot het laagste van beide bedragen.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (26ste kamer) na tegenspraak uitgesproken op 20 februari 2008, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 25 juni 2008 ter griffie van het hof neergelegd;

- de conclusie en pleitnota van appellant;

- de conclusie van eerste geïntimeerde;

- de conclusie van tweede geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 maart 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellant stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat:

- de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij Verlinden lastens appellant als onontvankelijk afwijst;

- de vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten lastens appellant in de volgende mate gegrond verklaart en appellant veroordeelt tot betaling aan deze partij van een provisie van 179.524,86 euro;

- de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij V. lastens appellant in de volgende mate gegrond verklaart en appellant veroordeelt om aan V. te betalen:

1. 17.301,50 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 4 september 1993;

2. 26.458,10 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 15 december 1993;

3. 2.719,94 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 6 augustus 1993;

4. 300,00 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 1 oktober 1992;

5. 375,00 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 1 oktober 1992;

6. 58.862,50 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 10 september 2001;

7. 91.250,00 euro;

8. 79.864,64 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 10 september 2001;

9. 80.933,29 euro;

10. 7.500 euro plus vergoedende interest aan de interestvoet van 5 % vanaf 1 april 1995;

11. 10.000,00 euro;

12. 7.500,00 euro;

13. telkens te verhogen met de gerechtelijke interest vanaf 5 april 2006;

- aan de vrijwillig tussenkomende partij V. voorbehoud verleent (1) m.b.t. de fiscale repercussies van de uitbetaling van de diverse vergoedingen waarop hij ingevolge het ongeval aanspraak kan maken (2) m.b.t. de kosten van de toekomstige vervanging van zijn bril en (3) m.b.t. de kosten van eventuele toekomstige medische verwikkelingen;

- voor recht zegt dat op de definitieve bedragen waartoe appellant t.a.v. de vrijwillig tussenkomende partij V. wordt veroordeeld, de respectieve namens hem reeds uitbetaalde provisies in mindering dienen te worden gebracht, onder toerekening van creditinteresten aan 5 % per jaar vanaf de datum van uitbetaling;

- het meer gevorderde afwijst als ongegrond;

- appellant veroordeelt in de gerechtskosten, behoudens de kosten van partij Verlinden die ten haren laste blijven;

- de beslissing m.b.t. de rechtsplegingsvergoedingen aanhoudt;

- het vonnis uitvoerbaar verklaart met uitsluiting van kantonnement en dit ten belope van 100.000,00 euro.

Appellant vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten toegekende provisionele vergoeding te beperken tot 135.937,77 euro (betalingen tot en met 30 september 2006), te vermeerderen met de vergoedende interest aan de rentevoet van 5 % vanaf 2 oktober 1999 en de vordering m.b.t. de gezondheidszorgen ten beloop van 18.932,82 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest aan de rentevoet van 5 % vanaf 1 J.uari 1994, zijnde in totaal in hoofdsom 154.870,59 euro, mits aftrek van de reeds betaalde provisie van 32.787,31 euro te vermeerderen met de vergoedende interest aan de rentevoet van 5 % vanaf 19 mei 2003, datum van betaling.

Wat de vordering van partij V. betreft vordert appellant eveneens de verschillende schadeposten te herleiden, resp. af te wijzen zoals in conclusie verder uiteengezet, en de vordering aldus tot een totaal bedrag van 89.474,87 euro te beperken en voor recht te zeggen dat van dit bedrag de betaalde provisies van 30.000 en 25.000 euro in mindering dienen gebracht te worden, alsook de creditinterest aan dezelfde interestvoet als de debetinterest toegekend aan de partij V..

Appellant vraagt het incidenteel beroep als ongegrond af te wijzen en begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 10.000,00 euro.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

2. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en stellen incidenteel beroep in waarbij zij een hogere schadevergoeding vorderen, zoals hierna nader bepaald, met veroordeling van appellant alle gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

II. Relevante feitelijke gegevens

3. Het geschil heeft betrekking op de schadelijke gevolgen van een ongeval waarvan de heer J. V., op 24 oktober 1960 geboren, aangesloten bij de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, op 1 oktober 1992 omstreeks 19 uur 30' het slachtoffer werd terwijl hij samen met appellant bezig was met het rooien van aardappelen op de landbouwexploitatie van geïntimeerde V.. Tijdens de werkzaamheden is de heer V. met zijn hoofd gekneld geraakt in het hydraulisch systeem van de rooimachine.

4. De aansprakelijkheid van appellant op grond van artikelen 1382 - 1383 van het Burgerlijk Wetboek werd definitief vastgesteld bij het arrest van de eerste kamer van dit hof van 19 mei 2003 en wordt dus niet meer betwist.

5. De eerste rechter heeft bij een eerste vonnis van 5 februari 1997 een wetsdokter als deskundige aangesteld, die bij vonnis van 21 J.uari 2004 vervangen werd.

De deskundige, Dr. Gellert, legde op 14 maart 2005 zijn verslag neer en besloot dat de lichamelijke schadelijke gevolgen in hoofde van het slachtoffer de volgende waren:

Tijdelijke onbekwaamheden:

van 1 oktober 1992 tot 31 augustus 1993: 100 %

van 1 september tot 31 december 1993: 70 %

van 1 J.uari tot 30 juni 1994: 60 %

van 1 juli 1994 tot 11 J.uari 1995: 55 %

van 12 tot 19 J.uari 1995: 100 %

van 20 tot 31 J.uari 1995:60 %

van 1 februari tot 31 maart 1995: 55 %

Consolidatie op 1 april 1995.

Blijvende fysiologische invaliditeit met evenredige blijvende arbeidsongeschiktheid: 50 %.

Esthetische schade: 4/7.

Derving van levensvreugde: 2/7 (betrokkene kan zich niet meer actief met paarden bezighouden, nog enkel passief).

III. Bespreking

1°. Vordering van de Landsbond der Christelijke mutualiteiten

6. De Landsbond vordert bij incidenteel beroep in hoofdorde de veroordeling van appellant tot betaling van een provisie van 220.941,00 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest a rato van 7 % jaarlijks vanaf de onderscheiden betalingen en de gerechtelijke interest vanaf dagvaarding en onder aftrek van de ontvangen provisie van 32.787,31 euro.

In ondergeschikte orde vordert de Landbond 179.524,86 euro, te vermeerderen met de dezelfde interest en onder aftrek van de ontvangen provisie.

7. Naar aanleiding van het ongeval van 1 oktober 1992 heeft de Landsbond uitkeringen en geneeskundige zorgen betaald voor een totaal bedrag van 220.941,00 euro, bedrag dat zij thans in hoofdorde vordert, zijnde 202.008,18 euro loonverlies + 13.615,08 euro ligdagen + 5.317,74 overige zorgen. Deze uitgaven worden aan de hand van de uitgavenstaten van eerste geïntimeerde gestaafd.

8. Wat de geneeskundige zorgen betreft, is de betwisting beperkt tot de interest, waar appellant slechts vergoedende interest a rato van 5 % vanaf 2 oktober 1999 aanvaardt en de Landsbond aanspraak maakt op vergoedende interest a rato van 7 % jaarlijks vanaf de onderscheiden betalingen alsook de gerechtelijke interest vanaf de dagvaarding.

Het bestreden vonnis kent geen interest aan de Landsbond toe "in de mate dat slechts een provisioneel bedrag wordt gevorderd". De vordering van de verzekeringsinstelling is nog provisioneel; eerste geïntimeerde legt immers uit dat haar uitkeringen niet definitief zijn en dat zij aan de heer V. tot zijn pensioendatum uitkeringen zal betalen. De gedane uitgaven van de Landsbond zijn definitief en er is geen reden om eerste geïntimeerde het recht op vergoedende interest op het reeds betaalde te ontzeggen.

Wat de interestvoet voor tweede geïntimeerde betreft, oordeelde de eerste rechter dat "gezien de gemiddelde beleggingsmogelijkheden en renteopbrengsten in de relevante periode, in casu een interestvoet van 5 % dient te worden gehanteerd". Hierbij motiveerde hij: "Waar de vergoedende interest integraal deel uitmaakt van de schade, wordt de interestvoet door de rechter feitelijk en soeverein bepaald met als enige doel een zo realistisch mogelijke vergoeding van de concreet geleden schade".

In buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht dient de vergoedende rente om de bijkomende schade te vergoeden die voortvloeit (1) uit het uitstel van de betaling van de vergoeding waarop de benadeelde recht had op de datum waarop de schade is ontstaan alsook (2) uit de muntontwaarding.

De feitenrechter oordeelt soeverein over de toekenning van vergoedende interest en over de toe te passen interestvoet, zulks binnen de perken van de conclusies van partijen.

Te dezen oordeelt het hof dat de gevorderde vergoedende interest aan de rentevoet van 7 % niet overdreven maar redelijk en billijk is en aan de geïntimeerden toekomt met het oog op hun integrale schadeloosstelling.

9. Wat de uitkeringen betreft, vordert de Landsbond in hoofdorde de totaliteit van zijn uitgaven (202.008,18 euro). Hij stelt dat het verband tussen de uitkeringen en het ongeval niet te betwisten valt en berust zich op de "doorslaggevende" beslissing van de onafhankelijke adviserende geneesheer die een arbeidsongeschiktheid van meer dan 66 % vaststelde. De gehoudenheid van het ziekenfonds om deze betalingen te verrichten - en de hieruit volgende mogelijkheid van de Landsbond om zijn uitgaven te recupereren van de aansprakelijke derde - kan dan ook niet in twijfel worden getrokken door een deskundig verslag naar gemeen recht.

De Landsbond stelt verder dat het slachtoffer in gemeen recht als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd en dat er zich te dezen een correctie opdringt van de graden van arbeidsongeschiktheid nu van de heer V. onmogelijk kan verwacht worden dat hij ooit wederom actief wordt op de arbeidsmarkt.

10. Om terugbetaling te bekomen van de uitbetaalde ongeschiktheidsuitkeringen is de Landsbond op grond van artikel 136 § 2 van de Z.I.V.-Wet van 14 juli 1994 in de plaats van zijn aangeslotene gesteld t.a.v. de aansprakelijke derde met die beperking dat het bedrag van de vordering van de verzekeringsinstelling niet hoger kan zijn dan het bedrag dat de rechthebbende op grond van het gemene recht zou toekomen voor de veroorzaakte ongeschiktheid. De verzekeringsmaatschappij die prestaties heeft verleend aan de persoon die schade heeft geleden waarvoor een derde aansprakelijk is, treedt in de plaats van die rechthebbende tot beloop van het geheel van die prestaties. Die vordering kan slechts worden uitgeoefend tot beloop van de bedragen die krachtens het gemeen recht aan de getroffene verschuldigd zijn ter vergoeding van dezelfde schade. De dubbele begrenzing heeft tot gevolg dat het effectieve verhaal zal beperkt blijven tot het laagste van beide bedragen.

De krachtens de Z.I.V.-Wet verleende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dekken de schade die bestaat in het verlies of de vermindering van het vermogen om, door het verrichten van arbeid, inkomsten te verwerven die tot het levensonderhoud kunnen bijdragen . De subrogatoire vordering van de Landsbond is echter beperkt tot de schade in oorzakelijk verband met het schadegeval. Het verslag van deskundig onderzoek heeft op objectieve en overtuigende wijze de graden van arbeidsongeschiktheid in gemeenrecht bepaald en geïntimeerden laten na op grond van overtuigende en wetenschappelijk onderbouwde stukken en argumenten te bewijzen dat het hof zou moeten afwijken van het advies van de deskundige.

De adviserende geneesheer werkt op grond van een andere logica en in het kader van een ander systeem dan het gemeenrecht. De door de Landsbond geopperde correctie van de graden van arbeidsongeschiktheid wordt niet aanvaard.

11. De Landsbond laat verder gelden dat de heer V. niet alleen het hoofdberoep van werknemer (arbeider in dienst van Eternit) uitoefende maar bovendien het bijberoep van landbouwer (zelfstandige). De verzekeringsinstelling leidt uit artikel 136 § 2 van de Z.I.V.-Wet van 14 juli 1994 af dat het plafond van haar terugvordering niet enkel wordt bepaald door het basisloon van haar aangeslotene als arbeider maar ook door diens inkomsten als zelfstandige. Zo de uitkeringen van de Landsbond enkel berekend waren op basis van de inkomsten van de heer V. als arbeider en niet als zelfstandige, dan nog is de vordering van de verzekeringsinstelling begrensd door de schade (in gemeenrecht) van het slachtoffer, schade die dan berekend zou worden op basis van zijn inkomsten als arbeider en op zijn inkomsten als zelfstandige. Deze limiet zou "beduidend hoger" liggen dan de bedragen die de Landsbond aan haar aangeslotene heeft betaald met het gevolg dat zij wel recht heeft op het totaal van haar ongeschiktheidsuitkeringen (202.008,18 euro).

Het antwoord van appellant is op dit punt uiterst vaag.

Het artikel 136 § 2 van de Z.I.V.-Wet van 14 juli 1994 bepaalt:

§ 2. De bij deze gecoördineerde wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering.

Voor de toepassing van deze paragraaf is het bedrag van de door de andere wetgeving verleende prestaties gelijk aan het bruto bedrag verminderd met het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen welke op die prestaties worden ingehouden.

De prestaties worden, onder door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.

De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.

(...)

Uit de wetsbepaling "deze indeplaatsstelling geldt voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden" leidt de Landsbond af dat de inkomsten van het slachtoffer als zelfstandige tevens in aanmerking komen bij de berekening van zijn terugvordering.

De Landsbond laat echter na aan te tonen dat de heer V. effectief aanspraak had kunnen maken op vergoeding op grond van een andere wetgeving, te dezen krachtens de wetgeving over de sociale zekerheid voor zelfstandigen.

12. De ondergeschikte vordering van de Landsbond, begroot op 179.524,86 euro en berekend op basis van de werkelijke arbeidsongeschiktheid in gemeenrecht en begrensd tot het loonverlies als arbeider berust op een zeer omstandige berekening van de opeenvolgende uitkeringen per periode en in overeenstemming met de voorliggende uitgavenstaten. Deze begroting van de terugvordering van de Landsbond wordt niet ernstig door appellant betwist.

Appellant betwist het provisioneel karakter van deze vordering en doet opmerken dat het schadegeval van 1 oktober 1992 dateert zodat het de Landsbond zou behoren een definitieve schade-eis door middel van kapitalisatie te formuleren. De verzekeringsinstelling is al tot herhaalde uitkeringen overgegaan en zal tot de pensioenleeftijd van het slachtoffer gehouden zijn, wat niet impliceert dat zij ertoe verplicht zou zijn een gekapitaliseerde definitieve vordering te formuleren.

De eerste rechter heeft dan ook terecht aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten 179.524,86 euro provisioneel toegekend. Zoals hierboven uiteengezet wordt deze som vermeerderd met de vergoedende interest aan de rentevoet van 7 % vanaf de onderscheiden betalingen (zie uitgavenstaten) en, vanaf datum van huidig arrest, met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet. Op dit punt is het incidenteel beroep van de Landsbond gegrond.

Het wordt niet betwist dat de Landsbond op 19 mei 2003 een provisie van 32.787,31 euro ontvangen heeft zodat deze som in mindering moet worden gebracht, vermeerderd met creditinteresten op deze som, aan dezelfde interestvoet, vanaf de datum van uitbetaling. Op dit punt wordt het hoger beroep gegrond verklaard.

2°. Vordering van de heer V.

Hierna worden de schadeposten opeenvolgend onderzocht.

13. Morele schade gedurende de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid

De vordering van de heer V., berekend op grond van 31 euro per dag TAO met hospitalisatie en 25 euro per dag tijdens de overige periodes, hetzij een totaal van 17.301,50 euro, te verhogen met vergoedende interest vanaf 4 september 1993 werd door de eerste rechter bij gebrek aan betwisting gegrond verklaard.

Op dit punt wordt geen hoger beroep ingesteld.

14. Huishoudelijke schade gedurende de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid

De eerste rechter wees de vordering van de heer V. m.b.t. schade huishouden als ongegrond af gelet op zijn zeer drukke beroepsbezigheden en de omstandigheid dat zijn echtgenote in deze periode niet buitenhuis werkte.

Bij incidenteel beroep vordert de heer V. een totale vergoeding in hoofdsom van 8.377,77 euro, berekend op basis van een dagbedrag van 12,25 euro.

De heer V. betwist niet dat hij drukke beroepsbezigheden had nu hij tegelijkertijd het hoofdberoep van machinearbeider bij de firma Eternit voltijds uitoefende en, als bijberoep, een boerderij uitbaatte.

De echtgenoten V. - Verlinden zijn in 1985 gehuwd en hadden op de dag van het ongeval (1 oktober 1992) drie jonge kinderen.

Het is volledig aanneembaar dat de heer V., ondanks zijn drukke bezigheden, toch tijd besteedde om zijn echtgenote te helpen in het huishouden en de opvoeding van de drie kinderen.

De waarde van het huishoudelijk werk in een gezin met kinderen wordt vrijwel algemeen geschat op 25 euro per dag, waarvan een aandeel ten beloop van 65 % voor de vrouw en van 35 % voor de man.

Rekening houdend met de concrete situatie van het echtpaar, zijnde het bijzonder druk beroepsleven van de heer V. en de hogere beschikbaarheid van de echtgenote alsook met de samenstelling van het gezin, wordt de economische waarde van de huishoudelijke arbeid van de heer V. in billijkheid begroot op 5 euro per dag. Het incidenteel beroep is op dit punt deels gegrond.

De afrekening ziet eruit als volgt:

335 + 8 dagen x 5 euro / dag x 100 % = 1.715,00 euro

122 dagen x 5 euro / dag x 70 % = 427,00 euro

181 + 12 dagen x 5 euro / dag x 60 % = 579,00 euro

195 + 59 dagen x 5 euro / dag x 55 % = 698,50 euro

TOTAAL: 3.419,50 euro

15. Inkomstenverlies gedurende de periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid

De eerste rechter kende aan de heer V. een totale schadevergoeding van 26.458,10 euro toe wegens derving van inkomsten uit de landbouwactiviteit gedurende de betrokken periode. Hij achtte een inkomensverlies als arbeider niet bewezen.

Appellant vraagt deze schadepost in zijn geheel te verwerpen terwijl geïntimeerde V. aanspraak maakt op een inkomensverlies van 146.875,00 euro in hoedanigheid van landbouwer en van 154.049,43 euro in hoedanigheid van werknemer.

16. De heer V. houdt in de eerste plaats voor dat de door de deskundige geraamde arbeidsongeschiktheid van 50 % in werkelijkheid neerkomt op een totale arbeidsongeschiktheid.

Hierboven (randnummers 9 - 10) werd al beslist dat er geen reden bestond om een correctie aan de arbeidsongeschiktheidsgraden aan te brengen. De gerechtsdeskundige heeft op overtuigende wijze de werkelijke weerslag in gemeenrecht van het ongeval op de arbeidscapaciteit van de heer V. bepaald.

17. Wat de inkomsten uit de boerderij betreft, berekent tweede geïntimeerde zijn materiële schade op een forfaitair bedrag van 25 euro per dag, zulks vanaf de datum van het ongeval tot datum stopzetting van de activiteiten als landbouwer (31 oktober 2008), welke datum niet samenvalt met het einde van de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (31 maart 1995). In oktober 2008 heeft de heer V. de exploitatie aan zijn zoon overgelaten. De vordering bedraagt aldus in hoofdsom 5.875 dagen x 25 euro per dag = 146.875 euro.

De omvang van het inkomensverlies in hoofde van de heer V. moet bewezen worden aan de hand van concrete boekhoudkundige en fiscale stukken.

Voor het jaar 1990 bedroegen de winsten uit landbouwbedrijf van de heer V. 175.200 BEF (5.154,46 euro), voor het jaar 1991 3.477 BEF (86,19 euro) en voor het jaar 1992, jaar van het ongeval, nul euro (zie aanslagbiljetten).

Na het ongeval werd voor het jaar 1993 een netto winst van 247.424 BEF (7.279,32 euro) in hoofde van de heer V. aangegeven, voor het jaar 1994 een verlies van 50.834 BEF (1.495,56 euro) en voor het jaar 1995 opnieuw een verlies.

Tweede geïntimeerde verklaart dat, na het ongeval, de boerderij feitelijk gerund werd door vrouw en kinderen, zodat hij "met hulp van derden" zijn inkomen ongeveer heeft kunnen houden. Hij citeert de omzetcijfers tot in het jaar 2007 (winst 4.117,53 euro) om te poneren dat het bedrijf in 1992, jaar van het ongeval, "op weg was met een zeer bloeiend resultaat".

In werkelijkheid moet het hof uit de fiscale gegevens afleiden dat de uitbating in werkelijkheid vόόr het ongeval geen of zeer bescheiden winsten in hoofde van tweede geïntimeerde genereerde. De heer V. voert aan dat het inkomen van vόόr het ongeval volledig besteed was aan hoge investeringen, overigens niet nauwkeurig omschreven, maar bewijst dit niet aan de hand van stukken.

Volledigheidshalve benadrukt het hof dat slechts het verlies van regelmatig verworven inkomsten voor vergoeding in aanmerking komt en dat, in de veronderstelling dat het slachtoffer over niet fiscaal aangegeven inkomsten zou hebben beschikt, dergelijk inkomensverlies niet tot vergoeding zou kunnen leiden.

In de betrokken periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (1 oktober 1992 tot 31 maart 1995) wordt aan de hand van de resultaten vόόr en na het ongeval geen inkomstenverlies uit landbouwbedrijf in hoofde van de heer V. bewezen.

Volledig ten onrechte heeft de eerste rechter een aandeel van 75 % (aandeel van de prestaties van de echtgenoot in de boerderij) in de bruto omzet van de boerderij in de periode 1992 - 1995 als inkomensverlies aanvaard, slechts onder aftrek van een "forfaitaire correctie lasten" van 20 %, dan wanneer de concrete voorliggende resultaten aantonen dat de uitbating van het bedrijf in de relevante referentiejaren nauwelijks netto-inkomsten opbracht en dat zowel het aandeel van 75 % als de aangehouden 20 % forfaitaire kosten geen vaststaande gegevens zijn waarop een reëel inkomensverlies berekend kan worden.

Evenmin kan een forfaitair bedrag, in billijkheid begroot op 25 euro per dag, worden gehanteerd om het werkelijk geleden inkomensverlies te bepalen. Een netto inkomen van 9.125 (365 x 25) euro wordt immers niet aan de hand van stukken gestaafd en wordt door de voorliggende fiscale gegevens zelfs tegengesproken.

18. Wat het verlies aan inkomsten als arbeider betreft vordert de heer V. een dagvergoeding van 1.046,89 BEF (25,95 euro), berekend op het verschil tussen zijn bruto-inkomen voor het ongeval en de bruto vergoeding op jaarbasis die hij van de mutualiteit heeft ontvangen.

De heer V. berekent de verschuldigde vergoeding op 154.049,43 euro, dit is over een periode van 5.936 dagen, of tot de vermoedelijke einddatum van 31 december 2009.

De periode tussen de datum van het ongeval (1 oktober 1992) en 31 december 2009 stemt vooreerst niet overeen met de periode van TAO (tot 31 maart 1995).

De heer V. houdt bovendien ten onrechte geen rekening met de graad van arbeidsongeschiktheid.

Beide partijen aanvaarden in hoofde van de heer V. een netto-inkomen van 505.189 BEF jaarlijks, zulks uitgaande van de fiscale berekeningsnota voor het aanslagjaar 1992, inkomsten van het jaar 1991. Het bruto loon van de heer V., op basis van hetzelfde aanslagbiljet, bedroeg 839.378 BEF.

Voor de berekening van het inkomensverlies dient te worden uitgegaan van het nettoloon, tenzij precies aangetoond wordt dat op de toe te kennen vergoeding gelijkwaardige sociale en fiscale lasten rusten als die welke het inkomen bezwaren. Dit bewijs wordt in de huidige stand van het geding niet geleverd. Reserves zullen wel aan de heer V. worden toegekend voor mogelijke fiscale en sociale lasten op de aan hem toekomende vergoeding voor inkomensverlies.

Partijen aanvaarden ook dat de uitkeringen van het ziekenfonds voor het loonverlies aanvankelijk 1.664 BEF per dag bedroegen (zie uitgavenstaten van de Landsbond, a rato van zes dagen per week). De dagvergoedingen werden later geïndexeerd. De heer V. doet terecht opmerken dat het om bruto vergoedingen gaat. Het netto inkomensverlies moet berekend worden op grond van het verschil tussen het verloren nettoloon en de netto-uitkeringen van het ziekenfonds.

Voor de periode van TAO kan op grond van de voorliggende fiscale berekeningsnota's een gemiddelde taxatie van 15 % op het vervangingsinkomen worden begroot.

Het jaarlijkse inkomensverlies wordt bijgevolg berekend als volgt:

505.189 BEF - (1.664 BEF / dag x 262 dagen) x 85% =

505.189 BEF - 370.573 BEF = 134.616 BEF (3.337,05 euro)

Of 369 BEF (9,14 euro) per dag.

Het inkomensverlies als loontrekkende gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid wordt berekend als volgt:

van 1 oktober 1992 tot 31 augustus 1993:

335 dagen x 9,14 euro/ dag x 100 % = 3.061,90 euro

van 1 september tot 31 december 1993:

122 dagen x 9,14 euro / dag x 70 % = 780,56 euro

van 1 J.uari tot 30 juni 1994:

181 dagen x 9,14 euro / dag x 60 % = 992,61 euro

van 1 juli 1994 tot 11 J.uari 1995:

195 dagen x 9,14 euro / dag x 55 % = 980,27 euro

van 12 tot 19 J.uari 1995:

8 dagen x 9,14 euro / dag x 100 % = 73,12 euro

van 20 tot 31 J.uari 1995:

12 dagen x 9,14 euro / dag x 60 % = 65,81 euro

van 1 februari tot 31 maart 1995:

59 dagen x 9,14 euro / dag x 55 % = 296,60 euro,

of een totaal bedrag van 6.250,87 euro, met voorbehoud voor mogelijke fiscale en sociale lasten.

19. Geïntimeerde V. vordert als vergoeding voor de medische kosten een totaal van 4.773,61 euro, zijnde het remgeld op de apotheekkosten (201,54 euro), de medische kosten conform overzichtstaten van de LCM (288,09 euro), de ziekenhuisfacturen (1.932,26 euro) en optiekkosten (540,16 euro).

Het hof merkt al een rekenfout in de optelling van deze posten op. Het juiste totaal is 2.962,05 euro, en niet 4.773,61 euro.

Na correctie van de ziekenhuisfacturen overeenkomstig de gegronde opmerkingen van appellant (totaal teruggebracht op 68.179 BEF of 1.690,15 euro), zoals terecht door de eerste rechter beslist, wordt de vordering herleid tot 2.719,94 euro.

De heer V. vraagt ten onrechte hem voorbehoud te verlenen voor toekomstige medische kosten (optiekkosten) of voor eventuele latere complicaties. Het deskundig verslag voorziet immers geen dergelijk voorbehoud.

20. Voor de post kledijschade heeft de eerste rechter een forfaitair bedrag van 300,00 euro aan tweede geïntimeerde toegekend.

Appellant biedt een forfait van 200 euro aan terwijl de heer V. een forfaitaire vergoeding van 375 euro vordert.

Bij gebrek aan inventaris van de beschadigde kledij en van bijzondere stavingstukken en rekening houdend met de gebruikelijke waarde van de kledij die het slachtoffer tijdens landbouwwerken droeg, bekrachtigt het hof de begroting in het bestreden vonnis.

21. Voor de posten verplaatsingskosten en administratiekosten heeft de eerste rechter in billijkheid forfaitaire bedragen van 250,00 euro en 125,00 euro aan tweede geïntimeerde toegekend.

De schattingen van tweede geïntimeerde (resp. 1.000 euro en 200 euro) steunen op geen bijzondere stukken en komen overdreven voor.

De eerste rechter heeft oordeelkundig deze schadeposten begroot en het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

22. Morele schade BAO.

De eerste rechter heeft de morele schade tot op datum van uitspraak begroot op basis van een dagbedrag van 12,50 euro vanaf de consolidatie (4.709 dagen), of 58.862,50 euro. De morele schade na uitspraak (toekomstige schade) werd gekapitaliseerd op basis van een jaarbedrag van 4.562,50 euro (12,50 euro per dag x 365 dagen) en gebruik makend van de tabellen zekere annuïteit, interestvoet 3 % op een duur (overleving) van afgerond 31 jaar (dit is 4.562,50 euro x 20,000 = 91.250,00 euro).

Appellant betwist de berekeningsmethode aan de hand van "de kapitalisatie van een lukraak bepaald dagbedrag" en biedt een totaal bedrag van 60.000 euro aan, interest inbegrepen.

Bij incidenteel beroep vordert de heer V. als vergoeding voor de schade tot 31 december 2009, vermoedelijke datum van uitbetaling, 67.350,00 euro (zijnde 5.388 dagen x 12,50 euro per dag) en als vergoeding voor de toekomst, conform de tabellen Levie, interestvoet 2,5 %, 92.136,90 euro.

De kapitalisatie van een dagbedrag, in billijkheid begroot voor niet-economische schade, is voor kritiek vatbaar. Er dient immers rekening te worden gehouden met een zekere aanpassing van het slachtoffer aan zijn staat, met het evolutief karakter van de morele schade wegens bestendige invaliditeit en met het abstracte en theoretische karakter ervan.

Het hof verkiest een forfaitaire begroting van deze morele schade waarbij rekening wordt gehouden met de graad van arbeidsongeschiktheid en de leeftijd van het slachtoffer op het ogenblik van de consolidatie (en dus met zijn vermoedelijke levensduur) , alsook met de overige concrete omstandigheden van de zaak.

De heer V. was 44 jaar en half op datum van de consolidatie. De deskundige heeft een blijvende fysiologische invaliditeit met evenredige blijvende arbeidsongeschiktheid van 50 % begroot. De indicatieve tabel stelt een vergoeding van 1.650 euro x 50 % per punt voor, of een totale vergoeding voor blijvende morele schade van 41.250 euro .

Te dezen zal het hof rekening houden met de bijzondere omstandigheid dat de heer V. aan de uitbating van zijn boerderij heeft moeten verzaken, dat hij na het ongeval bijzonder afhankelijk van zijn omgeving is geworden; hij is eerder "een passieve, dependente man die zich moeilijk uitdrukt en eerder uitgeblust voorkomt" (zie verslag van psychiater Dr. I. Lindemans, expertiseverslag, bijlage 91.) De morele schade zal nog zwaarder wegen nu de echtgenoten V. - Verlinden bij vonnis van 13 september 2007 uit de echt zijn gescheiden .

Het aanbod van appellant m.b.t. een totale vergoeding van 60.000 euro, vergoedende interest tot op datum van huidige uitspraak inbegrepen, is gelet op de concrete omstandigheden van de zaak redelijk en billijk.

23. Huishoudelijke schade ten gevolge van de BAO

Zoals hierboven uiteengezet heeft de eerste rechter de vordering van de heer V. uit hoofde van huishoudelijke schade als ongegrond afgewezen, en dit zowel voor de periodes van TAO als ingevolge de BAO.

Geïntimeerde V. vordert voor deze post 12,25 euro per dag berekend tot de vermoedelijke datum van uitbetaling (31 december 2009), of een som van 66.003,00 euro, en, wat de schade voor de toekomst betreft, een gekapitaliseerde vergoeding op basis van 9 euro per dag, of een totaal van 67.995,45 euro. De begroting van het verminderde dagbedrag van 9 euro wordt gemotiveerd door de overweging "dat ondertussen de kinderen het huis zullen hebben verlaten".

Hierboven (randnummer 14) werd de huishoudelijke schade gedurende de periodes van TAO begroot op basis van een dagbedrag van 5 euro. Deze basis kan eveneens worden gehanteerd voor de berekening van deze materiële schade van de heer V., zowel tot datum uitspraak als voor de kapitalisatie met het oog op de berekening van de schade in de toekomst.

Tot datum uitspraak (van 1 april 1995 tot 10 mei 2011) bedraagt de schade: 5.884 dagen x 5 euro / dag x 50% (arbeidsongeschiktheidsgraad) = 14.710,00 euro.

Na uitspraak wordt de schade gekapitaliseerd op basis van een jaarlijks bedrag van 1.825 euro (365 dagen x 5 euro / dag). Er wordt gebruik gemaakt van de tabellen van Schrijvers (Huidige waarde van een zekere rente, per jaar te betalen, Mannen, leeftijd 45 jaar, rentevoet van 2 %).

De berekening ziet eruit als volgt: 1.825,00 euro x 25,02 x 50% (arbeidsongeschiktheidsgraad) = 22.830,75 euro.

24. Materiële schade BAO - inkomen uit de boerderij

Het hof verwijst naar de hierboven gedane uiteenzetting (randnummer 17) en naar het besluit dat er geen inkomensverlies uit het landbouwbedrijf in hoofde van tweede geïntimeerde aangetoond wordt. Deze vordering van de heer V. wordt ongegrond verklaard.

25. Materiële schade BAO - inkomen als arbeider

De eerste rechter heeft voor deze post slechts voorbehoud verleend, stellende dat een kapitalisatie diende te worden doorgevoerd op basis van het laatste netto jaarloon voor het ongeval maar dat de heer V. hierover geen gegevens bijbracht.

De eerste rechter verwierp de begroting van de schade "op basis van een beweerd verschil tussen het loon dat hij bij ontstentenis van het ongeval in de toekomst zou hebben ontvangen, en de uitkeringen van het ziekenfonds die hij thans zal ontvangen". Hij overwoog immers: "Waar echter op het ogenblik dat de schade definitief wordt begroot, een einde zal komen aan de uitkeringen door het ziekenfonds, dient in werkelijkheid voor de begroting van de materiële schade BAO op basis van het laatste netto jaarloon voor het ongeval een kapitalisatie te worden doorgevoerd".

Appellant vordert thans wegens verlies aan inkomen in hoedanigheid van werknemer enerzijds een dagvergoeding van 25,95 euro tot de vermoedelijke datum van uitbetaling (zie hierboven randnummer 18) en anderzijds, voor de toekomst, een som van 130.479,79 euro, berekend via kapitalisatie op basis van een ("om kort proces te maken" niet geherwaardeerde) dagvergoeding van 25,95 euro, tot aan de pensioenleeftijd van 65 jaar.

Tot aan de uitspraak kan het hof aanvaarden dat de Landsbond een dagbedrag uitkeert dat dicht bij 1.664 BEF / dag gelegen is. Volgens de recentste neergelegde uitgavenstaat d.d. 1 april 2010 blijkt dat de Landsbond in 2009 en 2010 een dagvergoeding uitkeerde van 43,18 euro tot 31 augustus 2009 en 43,70 euro tot 31 maart 2010 uitkeerde (= resp. 1.741,88 euro en 1.762,86 euro). Het lichte verschil met de aanvankelijke dagvergoeding wordt zeker gecompenseerd met de verhoging van het basisinkomen van de heer V..

Met verwijzing naar de uiteenzetting hierboven (randnummer 18) dient het netto inkomensverlies op basis van 9,14 euro per dag worden berekend.

De materiële schade wegens inkomensverlies na de consolidatie tot aan de uitspraak (10 mei 2011) wordt bijgevolg berekend als volgt: 5.884 dagen x 9,14 euro / dag x 50% (arbeidsongeschiktheidsgraad) = 26.889,88 euro.

Wat het inkomensverlies voor de toekomst betreft, geeft geïntimeerde V. kennelijk geen antwoord op de opmerking van de eerste rechter. Er wordt thans nog een vergoeding gevorderd op basis van het verschil tussen het loon, anno 1991, en de dagvergoeding aanvankelijk door de Landsbond betaald. Uit de stukken van de Landsbond kan echter worden afgeleid dat het ziekenfonds het dagbedrag aan de heer V. blijft uitkeren en de Landsbond stelt zelf in conclusie dat "hij de heer V. blijvend tot zijn pensioendatum uitkeringen zal betalen" .

Tweede geïntimeerde ziet af van elke herwaardering van het basisbedrag dat hij voor de kapitalisatie gebruikt. Het basisbedrag werd hierboven berekend op 3.337,05 euro (134.616 BEF).

In deze omstandigheden ziet de kapitalisatie met gebruik van de tabellen van Schrijvers (huidige waarde van een zekere rente van 1 euro per jaar, maandelijkse betalingen, duur 14 jaar, rentevoet van 2 %) eruit als volgt: 12,202 x 3.337,05 euro x 50% (arbeidsongeschiktheidsgraad) = 20.359,35 euro.

Er wordt aan de heer V. voorbehoud verleend voor mogelijke fiscale en sociale lasten wat de post inkomensverlies betreft.

26. Esthetische schade

De vergoeding voor esthetische schade, bepaald door de gerechtsdeskundige op 4/7 (middelmatig) op de schaal van Julin, werd door de eerste rechter begroot op 7.500 euro.

Geïntimeerde V. aanvaardt deze begroting terwijl appellant stelt dat 5.000 euro een correcte vergoeding van deze schade uitmaakt gelet op de leeftijd, het geslacht en de sociale activiteiten van het slachtoffer.

Partijen halen de indicatieve tabel aan die een vergoeding tussen 2.250 en 8.750 euro vooropstelt.

De esthetische schade situeert zich in het aangezicht van het slachtoffer die 42 jaar oud was op de dag van het ongeval en 44 jaar en half op de dag van de consolidatie. In de bijlagen aan het deskundig verslag wordt een foto gevoegd (bijlage 92 alsook bijlage 65 uit het rhinologisch onderzoek). De schade betreft "voornamelijk deviatie van de neus naar links" .

Rekening houdend met de huidige activiteiten van de heer V., zijn status, de plaats van de middelmatige esthetische schade (in het aangezicht), begroot het hof de esthetische schade op de som van 6.500 euro.

27. Genoegenschade

Gedragsdeskundige Gellert heeft een "derving van levensvreugde van 2/7" aangehouden met de overweging dat "betrokkene zich niet meer actief met paarden kan bezighouden, nog enkel passief".

Deze schade heeft de eerste rechter ex aequo et bono begroot op 10.000 euro.

Geïntimeerde V. maakt gewag van zijn apatische ingesteldheid en zijn teruggetrokken houding na het ongeval en angst om contacten te leggen Dit werd al ingecalculeerd in de begroting van de morele schade wegens bestendige invaliditeit.

Het verlies van de mogelijkheid om de vermelde hobby uit te oefenen dient te dezen apart te worden vergoed, zeker als de deskundige dit verlies kennelijk niet in de blijvende fysiologische invaliditeit heeft inbegrepen. Het kan aangenomen, worden dat de bestendige invaliditeit van 50 % de heer V. in werkelijkheid niet meer toelaat zijn paard te houden.

De deskundige maakte in zijn verslag gewag van de omstandigheid dat één paard op de boerderij gehouden was. Partij V. verstrekt hierover geen nadere gegevens. Er is geen sprake van sportbeoefening.

Een bijzondere vergoeding voor genoegenschade van 5.000 euro komt redelijk en billijk voor.

28. Extraprofessionele schade

De heer V. maakt hier aanspraak op een bijzondere vergoeding voor de vermindering van activiteiten, zoals herstellingen aan het huis (schilderwerken, ramen, vernissen, behangen enz.), tuinonderhoud, auto wassen enz., die hij op 125,00 euro per maand schat.

Het is geloofwaardig dat de heer V., die nog ten tijde van het ongeval en van de consolidatie jong was en gemakkelijk handarbeid kon uitvoeren, ondanks zijn drukke beroepsactiviteiten als arbeider en landbouwer, tijd zou hebben besteed aan allerlei klusjes in het huis.

Een forfaitaire vergoeding van 7.500 euro, zoals door de eerste rechter begroot, komt redelijk en billijk voor en wordt door het hof bevestigd. Deze schadepost wordt op de datum van de uitspraak begroot. Het hof heeft bij de begroting van deze post rekening gehouden met de arbeidsongeschiktheidsgraad van 50 %.

29. Postlucratieve schade

De eerste rechter heeft de vordering tot vergoeding van postlucratieve schade bij gebrek aan bewijs als ongegrond afgewezen.

De heer V. werpt terecht op dat het volledig gebruikelijk is dat landbouwers na pensioenleeftijd nog actief blijven werken en aldus de mogelijkheid hebben om nog wat inkomsten of materiële voordelen te verwerven.

De vordering t.b.v. 25.000 euro is echter totaal overdreven. Het hof begroot in billijkheid deze schadepost op de datum van de uitspraak op 5.000 euro. Het hof heeft bij de begroting van deze post rekening gehouden met de arbeidsongeschiktheidsgraad van 50 %.

30. Provisies

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de heer V. op 12 juni 2003 een provisie van 30.000 euro en op 1 oktober 2009 een provisie van 25.000 euro heeft ontvangen.

31. Afrekening

* morele schade TAO 17.301,50 euro

* huishoudelijke schade TAO 3.419,50

* inkomstenverlies TAO 6.250,87

* medische kosten 2.719,94

* kledijschade 300,00

* verplaatsingskosten en administratiekosten 375,00

* morele schade BAO 60.000,00

* huishoudelijke schade BAO tot datum uitspraak:

14.710,00

* huishoudelijke schade na datum arrest 22.830,75

* materiële schade wegens inkomensverlies BAO 26.889,88

* toekomstige materiële schade wegens inkomensverlies 20.359,35

* esthetische schade 6.500,00

* genoegenschade 5.000,00

* extraprofessionele schade 7.500,00

* postlucratieve schade 5.000,00

TOTAAL 199.156,79 euro

* af te trekken: ontvangen provisies: 55.000,00 euro

SALDO 144.156,79 euro

met voorbehoud voor mogelijke fiscale en sociale lasten wat het inkomensverlies TAO en BAO betreft.

32. Vergoedende interest

De schadeposten dienen vermeerderd te worden met vergoedende interest aan de interestvoet van 7 % (zie randnummer 8) vanaf:

- 4 september 1993 (gemiddelde datum) op de morele schade gedurende de periodes van TAO (17.301,50 euro);

- 4 september 1993 (gemiddelde datum) op de huishoudelijke schade gedurende de periodes van TAO (3.419,50 euro);

- 4 september 1993 (gemiddelde datum) op het inkomensverlies gedurende de periodes van TAO (6.250,87 euro);

- 6 augustus 1993 (gemiddelde datum) op de medische kosten (2.719,94 euro);

- 1 oktober 1992 (datum ongeval) op de kledijschade (300,00 euro);

- 1 april 1995 (consolidatiedatum) op de verplaatsingskosten en administratiekosten (375,00 euro);

- 20 april 2003 (gemiddelde datum) op de huishoudelijke schade BAO tot datum uitspraak (14.710,00 euro);

- 20 april 2003 (gemiddelde datum) op de materiële schade wegens inkomensverlies BAO tot datum uitspraak (26.889,88 euro);

- 1 oktober 1992 (datum ongeval) op de esthetische schade (6.500,00 euro);

- 1 oktober 1992 (datum ongeval) op de genoegenschade (5.000,00 euro).

Vanaf de datum van de uitspraak worden gerechtelijke interesten aan de wettelijke rentevoet toegekend.

33. De gerechtskosten:

Partijen B. en V. begroten hun rechtsplegingsvergoeding op het basisbedrag van 10.000 euro, thans na indexatie gebracht op 11.000 euro.

In hoofde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten bedraagt de rechtsplegingsvergoeding 5.500 euro gelet op het bedrag in geschil.

De kosten van het hoger beroep worden tussen partijen omgeslagen zoals hierna bepaald.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zover het de vorderingen ontvankelijk verklaarde en over de gerechtskosten besliste.

Opnieuw rechtsprekend, verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden deels gegrond.

Veroordeelt appellant tot betaling aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten van een provisie van 146.737,55 (179.524,86 - 32.787,31) euro, te verhogen met de vergoedende interest op 179.524,86 euro aan de rentevoet van 7 % vanaf de betalingen (volgens de uitgavenstaten) alsook met de gerechtelijke interest aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de uitspraak en onder aftrek van de interest aan dezelfde rentevoet op het betaalde voorschot van 32.787,31 euro vanaf 19 mei 2003.

Veroordeelt appellant tot betaling aan de heer V. van een saldo van 144.156,79 euro, te verhogen met de vergoedende interest aan de rentevoet van 7 % vanaf

- 4 september 1993 op 17.301,50 euro, 3.419,50 euro en 6.250,87 euro;

- 6 augustus 1993 op 2.719,94 euro;

- 1 oktober 1992 op 300,00 euro, 6.500 euro en 5.000 euro;

- 1 april 1995 op 375,00 euro;

- 20 april 2003 op 14.710,00 euro en 26.889,88 euro

en met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van huidig arrest, alsook onder aftrek van de interest aan dezelfde rentevoet op de betaalde voorschotten van 30.000 euro vanaf 12 juni 2003 en van 25.000 euro vanaf 1 oktober 2009.

Verleent aan de heer V. voorbehoud voor mogelijke fiscale en sociale lasten op de vergoeding van het inkomensverlies.

Verklaart de vorderingen van geïntimeerden voor het overige ongegrond.

Verwijst iedere partij in haar eigen gerechtskosten voor het hof.

Begroot de gerechtskosten van het hoger beroep

- in hoofde van partij B. op 186 euro rolrechten,

- in hoofde van partij B. en V. J. op 11.000 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten op 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding.

Begroot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op 10.000 euro in hoofde van partijen B. en V. en 5.000 euro in hoofde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 10 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. J.ssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. J.ssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • Arbeidsongeval

  • Lichamelijke schade

  • Subrogatie

  • Subrogatoire vordering van de ziekteverzekering tegen de aansprakelijke derde. Artikel 136, §2 van de wet van 14 juli 1994