- Arrest van 6 september 2011

06/09/2011 - 2004AR2406

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 931, 2de lid Ger. W. bepaalt dat bloedverwanten in neerdalende lijn niet mogen gehoord worden in zaken waarin hun bloedverwanten in opgaande lijn tegengestelde belangen hebben. Deze bepaling geldt enkel voor de procedure van het getuigenverhoor in burgerlijke zaken

Er wordt opgemerkt dat de wetgever niet zonder reden het getuigenverhoor van de kinderen heeft willen beperken omdat dit aanleiding kan geven tot gevoelsgekleurde verklaringen en bovendien kinderen blootstelt aan ernstige loyaliteitsconflicten.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2004/AR/2406

INZAKE VAN :

De heer D. V., wonende te

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 24 mei 2004,

vertegenwoordigd door Meester Elke GAREZ loco Meester Peter DE TROYER, advocaat te 9506 Z., (IDEGEM), Neerstraat 36,

1ste kamer

TEGEN :

De heer F. V., wonende te

geïntimeerde, niet verschijnende, noch iemand voor hem;

___________________________________________________

VERSCHIJNING VAN GETUIGEN. BEPERKINGEN

Artikel 931, 2de lid Ger. W. bepaalt dat bloedverwanten in neerdalende lijn

niet mogen gehoord worden in zaken waarin hun bloedverwanten in

opgaande lijn tegengestelde belangen hebben. Deze bepaling geldt enke

l voor de procedure van het getuigenverhoor in burgerlijke zaken

Er wordt opgemerkt dat de wetgever niet zonder reden het getuigenverhoor van de kinderen heeft willen beperken omdat dit aanleiding kan geven tot gevoelsgekleurde verklaringen en bovendien kinderen blootstelt aan ernstige loyaliteitsconflicten.

1. De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 mei 2004.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak. De heer V. is niet verschenen op de zitting van 21 maart 2011 waarop de zaak was vastgesteld met toepassing van artikel 747 §2 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan hem regelmatig kennis is gegeven.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

1.Uit het verhaal van eiser [appellant] en verweerder [de heer V.] over de schermutseling die zich op 25 september 1997 tussen partijen heeft afgespeeld, kunnen als door beiden bevestigde feitelijkheden in aanmerking genomen worden:

- dat eiser V. wekelijks op donderdagavond in de vooravond zijn beide kinderen, C., 11 jaar, en R., 8 jaar op het ogenblik van de feiten, bij zijn ex¬ echtgenote M., die samenwoont met verweerder V., komt ophalen en hen doorgaans rond 21 uur terugbrengt;

- dat die bewuste avond enkel R. was mogen meegaan; dat eiser om 22 uur nog niet met het kind terug was, en dat hij na 22 uur meerdere keren telefoneerde met de moeder en met verweerder, waarbij zich al aan de telefoon een woorden¬wisseling ontspon;

- dat eiser, toen hij aankwam aan de woonplaats van de kinderen, de moeder en verweerder, zijn ex-echtgenote op de oprit voorbijliep tot aan de woning;

- dat er aan de voordeur klappen en slagen gevallen zijn tussen eiser en verweerder.

2. Over de juiste omstandigheden waarin de slagen vielen, lopen de versies van beide partijen uiteen:

Volgens eiser D. V. kreeg hij aan de voordeur zonder meer een slag op zijn rechterslaap met een voorwerp ("verweerder stond met vermoedelijk een ijzeren koevoet voor hem"; aan de politie van Z. verklaarde eiser diezelfde avond dat hij slagen met mogelijk een baseball knuppel gekregen heeft).

Volgens verweerder F. V. is eiser, nadat hij zijn ex-echtgenote een duw had gegeven, de oprit opgekomen naar de woning die 30 meter verder ligt, en heeft hij de vliegendeur van de woning opengetrapt en verweerder een slag in het aangezicht verkocht. Verweerder zou dan geprobeerd hebben eiser uit de woning te ontzetten.

3. Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde de heer V. de veroordeling van de heer V. tot de betaling aan hem van 9.375,48 EUR provisioneel op een vordering geraamd op 49.578,72 EUR (2 mio BEF), plus de verwijlintresten en de gerechtelijke interesten, en de aanstelling van een deskundige voor een onderzoek van de lichamelijke schade.

De heer V. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering. Hij vroeg akte van zijn voorbehoud voor het instellen van een tegeneis.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer V. ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde hem tot betaling van de kosten. Hij verleende de heer V. voorbehoud voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding.

3.3

In hoger beroep herneemt de heer V. zijn oorspronkelijke vordering.

De heer V. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

Bij incidenteel hoger beroep vraagt hij de veroordeling van de heer V. tot betaling van een schadevergoeding van:

- 567,66 EUR voor kledingschade, economisch verlies, morele schade tijdelijke arbeidsongeschiktheid, en herstelling van vliegendeur, plus de vergoedende intresten vanaf "de gemiddelde datum"

- 5.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos procederen en als vergoeding voor advocatenkosten, plus de gerechtelijke interesten.

4. De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep

De heer V. stelt zijn vordering voor het eerst in hoger beroep; zijn voorbehoud gemaakt voor de eerste rechter doet daaraan niets af. De heer V. stelt met andere woorden niet een incidenteel hoger beroep in, maar stelt een incidentele vordering in graad van beroep. De heer V. werpt evenwel niet op dat de vordering niet ontvankelijk is.

4.2 Het hoger beroep van de heer V.

De eerste rechter heeft op grond van de hem voorgelegde stukken terecht geoordeeld dat de heer V. niet bewijst dat de verwondingen die hij naar aanleiding van de incidenten op 25 september 1997 heeft opgelopen (al dan niet uitsluitend) het gevolg zijn van een foutief optreden van de heer V..

Anders dan de eerste rechter meent het hof niet dat moet aangenomen worden dat de eerste agressie is uitgegaan van de heer V. zelf. Dat de heer V. op de heer V. is toegestapt, voorbij zijn ex, is geheel in overeenstemming met zijn beweerde bedoeling een gesprek te hebben met hem.

Uit de verschillende verklaringen en vaststellingen kan het gebeurde voor het overige niet met voldoende zekerheid gereconstrueerd worden. Wie wie eerst heeft geslagen, wie zich waarop heeft verweerd, of wie of wat het vliegenraam heeft stukgemaakt, is onduidelijk.

In hoger beroep brengt de heer V. verklaringen bij van de kinderen C. en R., die ondertussen meerderjarig zijn, uit 2006.

Ten onrechte vraagt de heer V. de wering van deze stukken met toepassing van artikel 931, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat bloedverwanten in neerdalende lijn niet mogen gehoord worden in zaken waarin hun bloedverwanten in opgaande lijn tegengestelde belangen hebben. Die bepaling geldt enkel voor de procedure van het getuigenverhoor in burgerlijke zaken .

De heer V. brengt op zijn beurt stukken voor van de kinderen van 3 februari 2008, waarin zij vragen om hun verklaringen te schrappen, "met als voornaamste motivatie het contact dat wij genieten met beide ouders en de daarbij komende belangenvermenging" .

De heer V. stelt dat de verklaringen die de heer V. neerlegt, verkregen zijn onder dwang. Hij levert daarvan echter geen bewijs, en het blijkt ook niet uit de verklaringen van 3 februari 2008. Op zijn beurt legt de heer V. trouwens weer een verklaring neer van de kinderen, gedateerd op 4 februari 2008 (een dag na de vorige), naar luid waarvan de verklaringen van 2006 oprecht waren en die van 3 februari 2008 neergeschreven onder emotionele dwang.

Ook op grond van de verklaringen van de kinderen meent het hof niet dat de vordering van de heer V. gegrond kan worden verklaard.

In de mate dat de getuigenissen vooral de gebreken van de heer V. beschrijven, vormen zij geen bewijs van de feiten waarop huidige vordering uit onrechtmatige daad is gesteund.

De verklaring van R. beschrijft wel uitvoerig de feiten. Toch kan zij geen doorslag geven in de overtuiging van het hof. Zij blijft een getuigenis van een kind dat op 8-jarige leeftijd getuige was van geweld tussen zijn vader en de partner van zijn moeder. Het kind was enerzijds uiteraard zeer betrokken en had anderzijds door zijn leeftijd ook een beperkt perspectief.

Het hof merkt op dat de wetgever niet zonder reden het getuigenverhoor van de kinderen heeft willen beperken omdat dit aanleiding kan geven tot gevoelsgekleurde verklaringen en bovendien kinderen blootstelt aan ernstige loyaliteitsconflicten. De inhoud van de verklaringen van de kinderen van 2008 gaat in dezelfde lijn.

Het hof beklemtoont dat het niet de oprechtheid van de kinderen in vraag stelt. De verklaringen lijken getuigenissen van reëel beleefde trauma's en onaangename episodes in de kindertijd, met minstens in het standpunt van de kinderen de persoonlijkheid van de heer V. als bepalende factor. De bitterheid en spijt van de kinderen over de geslagen wonden vormen het emotionele zwaartepunt in dit dossier.

Verder heeft het hof begrip voor de wens van de heer V. om deze ongelukkige episode in zijn leven en dat van zijn gezin af te sluiten met een rechterlijke uitspraak die het optreden van de heer V. sanctioneert en hemzelf zuivert van het stempel van geweldenaar, maar op grond van het voorgelegde dossier acht het hof de vordering niet bewezen.

Geheel ten overvloede: het komt het hof niet toe de opportuniteit te beoordelen van het instellen en voortzetten van huidige procedure. Toch is de vraag of een veroordeling tot schadevergoeding voor feiten van 14 jaar geleden de ergernis en de pijn van de kinderen ongedaan maakt enige reflectie waard.

4.3 De incidentele vordering van de heer V.

In dezelfde logica meent het hof dat de heer V. niet het bewijs levert dat de door hem geleden schade het gevolg is van de fout van de heer V., zodat zijn vordering ongegrond is.

Het blijkt niet dat de heer V. zijn vordering heeft ingesteld of voortgezet terwijl hij wist of behoorde te weten dat zij ongegrond was of dat hij de procedure anderszins heeft gevoerd op een wijze die niet verzoenbaar is met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. De vordering op grond van tergend en roekeloos procederen is ongegrond.

De advocatenkosten worden naar geldend recht forfaitair vergoed door middel van de rechtsplegingsvergoeding.

5. De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 990,00 EUR.

De heer V. heeft geen advocaat (meer) en kan geen aanspraak maken op de rechtsplegingsvergoeding.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van de heer V. ontvankelijk maar ongegrond.

Verklaart de incidentele vordering van de heer V. ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt de heer V. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot op

- in hoofde van hemzelf op euro 1.176 (186 rolrecht + 990 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van V. op NIHIL.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 6/9/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Raadsheer d.d. Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Rechtspleging. Getuigenverhoor. Minderjarigen. Artikel 931, tweede lid Ger. W.: draagwijdte.