- Arrest van 3 november 2011

03/11/2011 - 2008AR1154

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

artikel 327§1 WIB92 - inzage gerechtsdossier - uitdrukkelijk verlof van de federale procureur, de procureur-generaal of de auditeur-generaal - inzagerecht voorbehouden aan ambtenaar belast met de vestiging of de invordering van de belastingen - toelating aanwezig - de administratie kon niet meer achtehalen welke ambtenaar het gerechtsdossier had ingekeken - het is geen gekend feit dat de griffie de voorgeschreven bevoegdheid van de ambtenaar die om inzage verzocht heeft gecontroleerd - niet bewezen dat de gegevens uit het gerechtsdossier wettig zijn verkregen - nietigverklaring van de daarop gesteunde aanslag


Arrest - Integrale tekst

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2008/AR/1154

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit, Sector Directe Belastingen, in de persoon van de heer Gewestelijk directeur van Leuven, met kantoren te 3001 Leuven, Philipssite, 3A, bus 1,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester Brichaux loco Jan Houthuys, advocaat te 1500 Halle, Suikerkaai, 7.

TEGEN :

Mevrouw X, wonende te K,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester Jo Boes, advocaat te 3550 Heusden-Zolder, Pater Beckersstraat, 10.

*****

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. EINDARREST - ongegrond

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 21 september 2007, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 24 april 2008.

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

Geïntimeerde vorderde voor de eerste rechter de vernietiging van de aanvullende aanslag in de personenbelasting voor het aanslagjaar 1994, op zijn naam gevestigd volgens tekenen en indiciën onder artikel nr. 071171 van de rollen van de gemeente Leuven, na toepassing van de wijzigingsprocedure.

De gewestelijke directeur had voordien, bij beslissing van 6 februari 2003, een gedeeltelijke ontheffing van de betwiste aanslag verleend, en had het bezwaarschrift van geïntimeerde voor het overige afgewezen.

De eerste rechter oordeelde dat de voorafgaande kennisgeving van aanwijzingen inzake belastingontduiking van 7 september 1999 niet voldeed aan de nauwkeurigheidsvereiste voorgeschreven door artikel 333, derde lid, WIB (1992), en kende de vordering op die grond toe, met verwijzing van appellant in de kosten.

GRIEVEN

Appellant streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.

Hij vraagt aan het hof de vordering ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, en geïntimeerde te veroordelen in de kosten.

Geïntimeerde nodigt het hof uit het hoger beroep ontvankelijk en gegrond (het hof verstaat: ongegrond) te verklaren, en appellant te veroordelen in de kosten.

Geïntimeerde herneemt de middelen die zij in eerste aanleg voordroeg, nl. (1) de schending van artikel 333, derde lid, WIB (1992), op basis van welk middel de eerste rechter de vordering toekende, (2) de administratie bewijst haar vordering niet, (3) de schending van artikel 327, § 1 WIB (1992), (4) het gerechtelijk onderzoek waar de administratie op steunt bevat onwettig bekomen bewijzen, (5) het indiciair tekort wordt ten onrechte gecompenseerd met een belastbaar roerend inkomen, in samenhang met de schending van artikel 346 WIB (1992), (6) het indiciair tekort wordt weerlegd, (7) de strijdigheid van het stelsel van de indiciaire taxatie met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel.

Op de pleitzitting verzaakte geïntimeerde aan haar vraag tot overlegging door appellant van het volledige gerechtsdossier.

BEOORDELING

1.

Geïntimeerde was het voorwerp van een controle betreffende de aanslagjaren 1995 en 1996.

Het fiscaal onderzoek kwam er nadat de Bijzondere Belastinginspectie van Hasselt kennis had genomen van het gerechtsdossier lastens Y het zgn. KB Lux-dossier, voor het nemen van inzage en afschrift van hetwelk zij op 10 mei 1995 van de Procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel de toelating had bekomen.

De Bijzondere Belastinginspectie verzond op 7 september 1999 naar geïntimeerde een voorafgaande kennisgeving uit artikel 333, derde lid, WIB (1992), waarbij de onderzoekstermijn werd uitgebreid met twee jaar, tot de aanslagjaren 1995 en 1996.

Luidens de voorafgaande kennisgeving "(...) door de Procureur-generaal van het hof van beroep te Brussel werd op 10.05.1995 toelating verleend aan ambtenaren van het Ministerie van Financiën tot inzage en kopiename van het gerechtsdossier met notitienummer 70.97.1071/95 (het zogenaamde KB Lux-dossier) teneinde te kunnen overgaan tot de regularisatie van de fiscale aangiften van de belastingplichtigen.

Uit dit dossier is gebleken dat U bij KB Lux over een (bank)rekening beschikt(e) onder de naam ‘z' waarop tenminste in 1993 voor aanzienlijke bedragen gelden en effecten waren geplaatst.

In uw aangifte in de personenbelasting voor onder meer de aanslagjaren 1995 (...) en 1996 (...) werden door U geen inkomsten van deze buitenlandse kapitalen en roerende waarden aangegeven, alhoewel deze overeenkomstig art. 6 en 17 WIB (1992) belastbaar zijn vermits er bij inning in het buitenland geen Belgische roerende voorheffing werd ingehouden.

Daar wij vermoeden dat deze beleggingen ook in de latere jaren roerende inkomsten hebben opgeleverd, vormt dit een aanwijzing om de onderzoekstermijn te verlengen.

Het niet aangeven van aanzienlijke inkomsten van uw plaatsingen bij een Luxemburgse financiële instelling over meerdere jaren is bijgevolg gebeurd met de manifeste bedoeling om de belasting te ontduiken en Uzelf hierdoor een ongeoorloofd en onwettig voordeel te verschaffen" (stukken 52 en 53 van het administratief dossier).

Op basis van de gegevens van het gerechtsdossier beschouwde de taxatieambtenaar de op de Luxemburgse rekening geplaatste bedragen van 16.351.150 BEF in totaal als indiciair te verantwoorden inkomsten. De taxatieambtenaar stelde het indiciair tekort vast op 15.934.649 BEF (bericht van wijziging van 4 november 1999, stukken 63 en 65 van het administratief dossier), dat hij herleidde tot 12.646.880 BEF, teneinde rekening te houden met het positief saldo van de Luxemburgse rekening per 31 december 1992 van 3.287.769 BEF (bericht van taxatie van 11 december 2000, stukken 73 en 74 van het administratief dossier). Het indiciair tekort werd als inkomsten van onbepaalde oorsprong toegevoegd aan de gezamenlijk belastbare inkomsten van geïntimeerde.

Een belastingverhoging van 10 % werd toegepast.

De gewestelijke directeur verleende een gedeeltelijke ontheffing van de betwiste aanslag, teneinde rekening te houden met ontvangen huurgelden ten bedrage van 692.952 BEF als verantwoording van het indiciair tekort, dat hij herleidde tot het bedrag van 11.950.948 BEF.

Aangezien echter een deel van de huuropbrengsten (228.682 BEF) gemeubelde huur betrof, waarvan 60 % van de huur als belastbaar kadastraal inkomen wordt in aanmerking genomen, en de overige 40 % voor de helft als een onbelastbaar roerend inkomen wordt beschouwd, herkwalificeerde de gewestelijke directeur het onroerend inkomen ten belope van 45.736 BEF (de helft van 40 % van 228.682 BEF) als roerend inkomen.

2.

Luidens artikel 327, § 1 WIB (1992) mogen de verzoeken om inzage en afschriftname van stukken uit een gerechtsdossier, gericht aan de griffies van de hoven en alle rechtscolleges enkel worden gedaan door "een ambtenaar belast met de zetting of de invordering van de belasting".

Geïntimeerde stelt dat bij gebrek aan nadere gegevens aangaande de inzage op de griffie door een bevoegde ambtenaar moet worden besloten dat de inzage van het gerechtsdossier niet wettelijk is verlopen, zodat de betwiste belasting steunt op onwettig bekomen informatie en derhalve nietig is.

Appellant, die uit eigen beweging meewerkt aan de bewijslevering aangaande de regelmatigheid van de inzage van het gerechtsdossier, werpt op dat de administratie op rechtsgeldige wijze van de Procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel de toelating tot inzage van het gerechtsdossier bekwam, en dat "gelet op de taken die het gerechtelijk wetboek aan de griffiers oplegt, men er toch mag van uitgaan dat deze controleert of de inzage in het dossier gebeurt door mensen die daartoe de nodige bevoegdheid hebben. Het lijkt (appellant) dan ook totaal overbodig in casu de betrokken ambtenaar met naam te moeten noemen om aan te tonen dat de ambtenaar is belast met de vestiging of invordering van de belasting - de griffie zal dit bij inzage zeker gecontroleerd hebben" (conclusie, blz. 9).

Vaststaat inderdaad dat de administratie de toelating van de Procureur-generaal tot inzage van het gerechtsdossier rechtsgeldig bekwam.

Uit dit enkele feit kan echter redelijkerwijze niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat ook de inzage rechtsgeldig gebeurde.

Vervolgens is het een loutere veronderstelling, en geen gekend feit waarop een vermoeden kan worden gesteund, dat de griffie van de rechtbank de door artikel 327, § 1 WIB (1992) voorgeschreven bevoegdheid van de ambtenaar die om inzage verzocht heeft gecontroleerd.

Na in conclusie in ondergeschikte orde te hebben gesteld dat de administratie op vraag van het hof de stukken zal neerleggen waaruit blijkt dat de inzage gebeurde door de bevoegde ambtenaar, legde appellant op de pleitzitting een schrijven van de administratie van 20 september 2011 neer, naar luid waarvan bij nader onderzoek blijkt dat de stukken die aangeven welke ambtenaar inzage nam van het gerechtsdossier niet meer beschikbaar zijn.

In de gegeven omstandigheden stelt geïntimeerde terecht dat niet is aangetoond dat de inzage van het gerechtsdossier regelmatig gebeurde.

Bij gebrek aan wettig bekomen gegevens, wordt de betwiste aanslag niet gestaafd door bewijsgegevens en is zij derhalve nietig.

Het hoger beroep wordt op die grond afgewezen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,

Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep, aan zijn zijde begroot op de rechtsplegingvergoeding van 5.500,00 EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingvergoeding van 5.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

- P. Vandermotten, alleenzetelend raadsheer,

- C. De Nollin, griffier.

C. De Nollin. P. Vandermotten.

Vrije woorden

  • inzage gerechtsdossier

  • uitdrukkelijk verlof

  • ambtenaar belast met de vestiging of de invordering van de belastingen

  • controle van voorgeschreven bevoegdheid van de ambtenaar door griffie

  • gegevens niet wettig verkregen

  • nietigverklaring aanslag