- Arrest van 15 november 2011

15/11/2011 - 2009AR456

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De planschadevergoeding dient, conform artikel 35 van het decreet Ruimtelijke Ordening (DRO) gecoördineerd op 22 oktober 1996 , te worden geraamd "als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, vόόr de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan." Artikel 35, tweede lid, DRO vervolgt: "Als waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving wordt in aanmerking genomen, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten of successierechten over de volle eigendom van het goed, of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving."


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2009/AR/456

INZAKE VAN :

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Minister-President, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, wiens kabinet gevestigd is te 1210 SINT-JOOST-TEN-NOODE, Koning Albert II-laan 19,

eiser tot cassatie van een arrest gewezen op 27 juni 2006 door het hof van beroep te Antwerpen, geïntimeerde tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 4 mei 1999,

vertegenwoordigd door Meester J. DE LAT, advocaat te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer R. A.,

2) Mevrouw J. G.,

3) De heer J. A.,,

4) De heer E. A.,

5) Mevrouw A. A., wonende te

6) Mevrouw H. A.,

7) de derde tot en met zesde in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de heer M.l A.,

7) Mevrouw M. J. B.,

verweerders in cassatie, appellanten,

de eerste en de tweede niet vertegenwoordigd, noch iemand voor hen,

de derde tot en met zevende vertegenwoordigd door Meester Ives VAN GILS loco Meester Els EMPEREUR, advocaat te 2600 ANTWERPEN, Uitbreidingstraat 2,

De planschadevergoeding dient, conform artikel 35 van het decreet Ruimtelijke Ordening (DRO) gecoördineerd op 22 oktober 1996 , te worden geraamd "als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, vόόr de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan." Artikel 35, tweede lid, DRO vervolgt: "Als waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving wordt in aanmerking genomen, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten of successierechten over de volle eigendom van het goed, of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving."

_________________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- de dagvaarding na cassatie bij exploot van 23 Januari 2009;

- de conclusie van eisers na cassatie A. en consorten;

- de conclusie en aanvullende conclusie van verweerster na cassatie.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. (De rechtsvoorgangers van) de consorten A. hebben bij exploot van 22 februari 1984 een vordering ingesteld tegen het Vlaamse Gewest voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Aanvankelijk werd de vordering tevens gericht tegen de Belgische Staat, de Vlaamse Gemeenschap en de gemeente Essen.

In hun hoedanigheid van eigenaars van percelen bouwgrond te Essen-Wildert, aan de Schaapslaan, die zij in 1963 en 1975 als bouwgrond hadden aangeworven (gelegen in woonzone B) conform het A.P.A. van de gemeente Essen, goedgekeurd bij K.B. van 1 augustus 1960, vorderden eisers een vergoeding wegens de wijziging van bestemming van hun percelen ingevolge het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij K.B. van 30 september 1977, dat de percelen dan rangschikte als natuurgebied.

Een stedenbouwkundig attest nummer 1 van 24 februari 1983 bevestigde dat de percelen niet (meer) in aanmerking kwamen voor bebouwing. Uit een stedenbouwkundig attest nummer 2 van 7 november 1989 bleek opnieuw dat de percelen gelet op hun bestemming volgens het gewestplan niet voor bebouwing in aanmerking kwamen.

Bij tussenvonnis van 29 juni 1992 stelde de rechtbank van eerste aanleg de heer Geens, meetkundige-schatter, als deskundige aan met de opdracht "de juiste hoegrootheid van de percelen bouwgrond (...) na te gaan, alle vereiste vaststellingen te doen, een technisch advies te geven en te antwoorden op alle nuttige vragen van partijen".

De deskundige legde op 3 april 1997 zijn verslag neer.

2. Bij vonnis van 4 mei 1999 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen o.m.:

- de vordering, in zover tegen de Belgische Staat gericht, onontvankelijk verklaard en deze partij buiten zaak gesteld;

- de vordering, in zover gesteund op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, ontvankelijk doch ongegrond verklaard;

- de vordering op grond van quasionteigening zonder voorwerp verklaard;

- de vordering op grond van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek ongegrond verklaard;

- de vordering op grond van artikel 37 van de Stedenbouwwet, thans artikel 35 van het Stedenbouwdecreet, in zover gericht tegen het Vlaamse Gewest ontvankelijk en deels gegrond verklaard;

- het Vlaamse Gewest veroordeeld tot betaling aan de heer en mevrouw A.-G. van 4.422.900 BEF (109.640,82 euro) en aan de heer A.-B. van 7.638.300 BEF (189.348,51 euro), telkens vermeerderd met de vergoedende interest vanaf het negatief stedenbouwkundig attest nummer 1 van 24 februari 1983 tot de dag van de dagvaarding;

- voor recht gezegd dat het gedeelte van het perceel kadastraal gekend als sectie C, nummer 343D3 (1.306 m²), van de heer en mevrouw A.-G., gelegen is in het woongebied met landelijk karakter en bouwgrond, evenwel rekening houdend met de stedenbouwkundige voorschriften;

- vastgesteld dat eisers geen vordering opzichtens de Vlaamse Gemeenschap stellen.

3. Het Vlaamse Gewest legde op 2 juli 1999 een verzoekschrift tot hoger beroep ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen neer.

Bij tussenarrest van 27 februari 2001 heeft het hof van beroep te Antwerpen:

- het hoger beroep van het Vlaamse Gewest en het incidenteel beroep van partijen A. en de gemeente Essen ontvankelijk verklaard;

- het bestreden vonnis bevestigd voor zover het de vordering op grond van de quasionteigening zonder voorwerp heeft verklaard en de vordering van de eisers op grond van artikel 37 van de Stedenbouwwet ontvankelijk heeft verklaard;

- het vonnis hervormd in zover het de vordering op grond van artikel 1382 B.W. ontvankelijk verklaard;

- deze vordering onontvankelijk verklaard;

- een deskundigenonderzoek bevolen en de heer Geens aangesteld met als opdracht advies uit te brengen over de vergoeding wegens planschade.

De gerechtsdeskundige legde op 25 oktober 2004 zijn verslag neer.

4. Bij eindarrest van 27 juni 2006 heeft het hof van beroep te Antwerpen, het vorige arrest verder uitgewerkt en:

- het hoger beroep van het Vlaamse Gewest "in de hierna bepaalde mate ongegrond verklaard";

- het door partijen A. ingesteld (impliciet) incidenteel beroep "eveneens gegrond" verklaard in zoverre het bestreden vonnis de vergoedende interesten slechts vanaf 24 februari 1983 heeft toegekend;

- het bestreden vonnis bevestigd in zover het Vlaamse Gewest t.o.v. partijen A. tot de gerechtskosten wordt veroordeeld;

- het bestreden vonnis gewijzigd als volgt;

- de vordering van partijen A. deels gegrond verklaard;

- het Vlaamse Gewest veroordeeld tot betaling aan de echtgenoten A.-G. van 30.824,50 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 30 september 1977 en de gerechtelijke interest;

- het Vlaamse Gewest veroordeeld tot betaling aan de echtgenoten A.-B. van 44.222,98 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 30 september 1977 en de gerechtelijke interest;

- de door het Vlaamse Gewest ingestelde tussenvordering ontvankelijk verklaard en zoals hierna bepaald gegrond verklaard;

- voorbehoud verleend aan het Vlaamse Gewest voor de mogelijkheid om, overeenkomstig artikel 37, zevende lid, van de Stedenbouwwet, aan de verplichting tot planschadevergoeding te voldoen door het herstel van de oorspronkelijke bestemming;

- de kosten tussen partijen omgeslagen;

- het meergevorderde als ongegrond afgewezen.

5. Het Vlaamse Gewest legde een voorziening in cassatie neer.

Bij het arrest van 31 maart 2008 heeft het Hof van Cassatie het bestreden arrest vernietigd "in zoverre het uitspraak doet over het bedrag van de planschadevergoeding, de interest en de kosten". Verder heeft het Hof van Cassatie de kosten aangehouden en de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter overgelaten en de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel verwezen.

Het Hof overwoog:

" Middel zelf

Tweede onderdeel

3. Krachtens artikel 35, tweede lid, van het gecoördineerd decreet van 22 oktober 1996, dient, inzake planschadevergoeding, de waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, te worden geraamd als het verschil tussen eensdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, voor de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan kan in aanmerking komen voor schadevergoeding.

4. Krachtens artikel 577-2, §8, van het Burgerlijk Wetboek, is de verdeling van de gemeenschappelijke zaak onderworpen aan de regels die bepaald zijn in de titel Erfenissen.

Krachtens artikel 883 van het Burgerlijk Wetboek, wordt iedere mede-erfgenaam geacht alleen en onmiddellijk te zijn opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere goederen van de nalatenschap te hebben gehad.

5. Uit de samenlezing van de voormelde artikelen volgt dat de akte deling tussen onverdeelde eigenaars declaratief van aard is en niet eigendomsoverdragend.

6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de verweerders eigenaars zijn van 2 percelen grond gelegen te Essen-Wildert aan de Schaapsbaan, en dat zij hiervoor een planschadevergoeding vorderen waarvan de omvang ter discussie staat.

De appelrechters stellen vast dat de partijen uiteenlopende standpunten hebben omtrent de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, hetzij de aankoopakte van 13 maart 1965 omtrent twee derden van de onverdeelde eigendom, hetzij de akte deling van 14 april 1975.

Zij oordelen:

- de aankoop van de gronden in 1963 heeft niet als basis gediend voor de heffing van de registratie- en successierechten voor de volle eigendom van de gronden; zoals blijkt uit de verkoopakte van 13 maart 1963 werden de verweerders slechts eigenaar van één derde van de betrokken percelen. De verkoopakte stelde immers dat de kopers een recht (hebben) verworven op het goed "kopende ieder voor één/derde paart";

- als verwervingswaarde dient derhalve te worden weerhouden de waarde van de percelen als bouwgrond op datum van de akte van deling verleden voor notaris W.M. (...) op 14 april 1975, als gevolg waarvan de verweerders uiteindelijk de "volle eigendom d.i. de eigendom over de volledige betrokken percelen" verwierven;

- gezien de akte van deling enkel aanleiding heeft gegeven tot de heffing van registratierechten op een deel van de overdracht van de kwestieuze percelen, dient de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de verwerving in acht te worden genomen.

7. Door aldus voor de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving de datum van de akte deling in aanmerking te nemen, verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

8. Krachtens artikel 35 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, is al naar het geval schadevergoeding verschuldigd door het Vlaamse Gewest, de vereniging van gemeenten of de gemeente, wanneer het bouw- of verkavelingsverbod volgend uit een plan dat bindende kracht heeft verkregen, een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed dient of normaal bestemd is de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding.

Krachtens het derde lid van voormeld artikel, ontstaat het recht op schadevergoeding ofwel bij de overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.

9. Hieruit volgt dat de rente verschuldigd wegens het uitblijven van de vergoeding ten vroegste verschuldigd is vanaf het ontstaan van voormeld recht op schadevergoeding, onder meer bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.

10. De appelrechters stellen vast dat het toepasselijke gewestplan vastgesteld werd bij koninklijk besluit van 30 september 1977 en dat op 24 februari 1983 een negatief stedenbouwkundig attest werd afgeleverd aan de verweerders.

Zij oordelen:

- het beroepen vonnis dient hervormd in zoverre het de vergoedende interesten slechts vanaf 24 februari 1983 toekent;

- de verweerders vorderen de interesten na expertise vanaf 30 september 1977;

- dit impliciet incidenteel beroep dient te worden ingewilligd.

11. Door aldus te oordelen verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond."

6. Thans vorderen de consorten A. in hoofdorde, wat de planschadevergoeding betreft, de aanstelling van een gerechtsdeskundige, met de opdracht (samengevat) advies uit te brengen over de vergoeding wegens planschade die hen toekomt.

Zij vragen in ondergeschikte orde vier prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

In meer ondergeschikte orde vragen zij om het Vlaamse Gewest te veroordelen tot betaling aan de heer en mevrouw A.-G. 2.555,07 euro te betalen en aan de overige consorten A., 4.519,99 euro, telkens te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 24 februari 1983 en de gerechtelijke interest vanaf de datum van het arrest en met de gerechtskosten.

7. Het Vlaamse Gewest besluit tot de ongegrondheid van de vorderingen van de consorten A. op grond van artikel 35 van het Coördinatiedecreet en, in ondergeschikte orde, om te zeggen voor recht dat de planschade-eisers in ieder geval slechts interest kunnen bekomen over een periode van maximaal 4 jaar aan een rentevoet van 3 % jaarlijks en te zeggen voor recht dat, overeenkomstig artikel 35, lid 3, van het coördinatiedecreet, de vordering in ieder geval met 20 % dient verminderd te worden en te zeggen voor recht dat het Vlaamse Gewest in ieder geval gerechtigd is toepassing te maken van artikel 37, zevende lid, coördinatiedecreet inzake de eventuele toepassing van het herstel in natura voor zover een veroordeling tot schadevergoeding zou worden uitgesproken.

Het Gewest vraagt ten slotte alle gerechtskosten ten laste van de consorten A. te leggen.

II. Relevante feitelijke gegevens

8. (De rechtsvoorgangers van) de consorten A. zijn eigenaar geworden van percelen bouwgrond te Essen-Wildert, aan de Schaapslaan, ingevolge akte van 13 maart 1963, verleden door notaris Jaak Mennes te Essen. De kopers verwierven het goed "ieder voor één / derde paart".

Een akte-deling werd op 14 april 1975 verleden, ook door notaris Jaak Mennes.

De percelen werden als "een blok bouw- of villagrond" aangekocht (gelegen in woonzone B) conform het A.P.A. van de gemeente Essen, goedgekeurd bij K.B. van 1 augustus 1960. De oppervlakte in de aankoopakte vermeld is 8.355 m². De overeengekomen prijs was 133.680 BEF.

9. De consorten A. vorderden schadevergoeding wegens de wijziging van bestemming van hun percelen ingevolge het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij K.B. van 30 september 1977, dat de percelen dan rangschikte als natuurgebied.

Een stedenbouwkundig attest nummer 1 van 24 februari 1983 bevestigde dat de percelen niet (meer) in aanmerking kwamen voor bebouwing. Uit een stedenbouwkundig attest nummer 2 van 7 november 1989 (in de loop van de procedure verleend) bleek opnieuw dat de percelen gelet op hun bestemming volgens het gewestplan niet voor bebouwing in aanmerking kwamen.

III. Voorwerp van het debat voor het hof

10. Na verwijzing door het Hof van Cassatie blijven slechts twee punten ter discussie: de begroting van de planschadevergoeding, enerzijds, de interest en de kosten, anderzijds.

De zaak is in staat en er is geen reden om de behandeling ervan uit te stellen tot kennisname van enig arrest van het Grondwettelijk Hof noch om bijkomende conclusietermijnen toe te staan.

11. De planschadevergoeding dient, conform artikel 35 van het decreet Ruimtelijke Ordening (DRO) gecoördineerd op 22 oktober 1996 , te worden geraamd "als het verschil tussen eensdeels de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de lasten en kosten, vόόr de inwerkingtreding van het plan en anderdeels de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan."

Artikel 35, tweede lid, DRO vervolgt: "Als waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving wordt in aanmerking genomen, het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten of successierechten over de volle eigendom van het goed, of, bij ontstentenis van zulke heffing, de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving."

12. Wat de verwervingswaarde betreft stellen de consorten A. dat de verkoopakte van 13 maart 1963 niet als basis heeft gediend voor de heffing van de registratierechten of successierechten over de volle eigendom van het goed omdat zij slechts eigenaar zijn geworden van een derde van de betrokken percelen. Zij zijn eigenaar geworden "ieder voor één / derde paart" (zie randnummer 8).

Geïntimeerde werpt terecht op dat het begrip "volle eigendom" in artikel 35, tweede lid, moet gelezen worden in het licht van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek "Eigendom is het recht om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken, mist men (...)". Artikel 35, tweede lid, impliceert niet dat de planschadegerechtigde de eigendom over het volledige goed heeft verworven.

Te dezen heeft de akte van 13 maart 1963 als grondslag gediend voor de heffing van de registratierechten over de volle eigendom van het goed. Er is geen aanleiding om "de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving" in aanmerking te nemen, welke waarde slechts in aanmerking komt bij ontstentenis van heffing van registratierechten. Te dezen werden registratierechten geheven op de prijs in de akte vermeld, te weten 133.680 BEF.

De vordering van de consorten A. tot aanstelling van een gerechtsdeskundige met de opdracht advies uit te brengen over de planschadevergoeding waarbij de verkoopwaarde van het goed in volle eigendom op de dag van de verwerving in aanmerking wordt genomen is bijgevolg ongegrond.

13. De consorten A. doen opmerken dat de planschadevergoeding zoals door het hof van beroep te Antwerpen toegekend, zijnde op basis van de reële verkoopwaarde op 14 april 1975, aanzienlijk hoger is dan deze berekend op basis van het bedrag in de akte van 13 maart 1963 vermeld. Zij stellen dat dit verschil een disproportionele en onredelijke discriminatie uitmaakt.

De consorten A. verwijzen naar situaties die geen uitstaans hebben met het geschil, te weten de verwerving bij een onderhandse overeenkomst die niet ter registratie worden aangeboden of de verwerving van een goed met kosteloze registratie.

Het al dan niet uitvoeren van een controleschatting door de fiscale administratie van de waarde pro fisco kan evenmin een onverantwoorde discriminatie veroorzaken. De consorten A. hadden de wettelijke verplichting een toereikende verkoopwaarde van het goed in de akte aan te geven en zij kunnen zich bezwaarlijk beklagen over de schade die zij zouden lijden ingevolge hun eigen onderschatting van de waarde van het goed en het uitblijven van controleschatting door de fiscale administratie. Er wordt overigens niet eens aangetoond dat de in de akte van 13 maart 1963 opgegeven prijs niet met de "reële verkoopwaarde" van het goed gelet op de toenmalige staat ervan overeenstemde.

Artikel 35 DRO kan geen schending van het gelijkheidsbeginsel voor gevolg hebben doordat het als hoofdcriterium verwijst naar een objectief en vaststaand gegeven voor het bepalen van de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, meer bepaald het bedrag dat als grondslag heeft gediend voor de heffing van de registratierechten of successierechten.

Artikel 35 DRO heeft verder geen onteigening of eigendomsberoving of -overdracht tot gevolg zodat de prejudiciële vraag die naar de onteigening verwijst en totaal niet vergelijkbare situaties betreft, niet kan bijdragen tot de oplossing van het geschil.

Het hof gaat bijgevolg niet in op het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof.

14. De consorten A. beroepen zich in ondergeschikte orde naar het verslag van landmeter-expert De Lannoy d.d. 8 juni 2009 om als planschadevergoeding op grond van de aankoopprijs vermeld in de akte van 13 maart 1963 te vorderen:

• in hoofde van de consorten A. sub 1 en 2, een som van 2.094,32 euro (perceel met oppervlakte van 2.504 m²);

• in hoofde van de consorten A. sub 3 tot 7, een som van 3.704,91 euro (perceel met oppervlakte van 4.428 m²);

• telkens te verhogen met een wederbeleggingsvergoeding van 20 % en wachtinterest van 2 % alsook compensatoire interest vanaf 24 februari 1983 (datum van het afleveren van het negatief stedenbouwkundig attest) en gerechtelijke interest vanaf de uitspraak.

De gevorderde vergoedingen houden wel rekening met het aandeel van 20 % dat door de consorten A. moet worden gedoogd .

Het Vlaamse Gewest betwist eigenlijk slechts deze vordering (1) in zoverre appellanten de vergoedende interest gedurende de ganse periode vorderen dan wanneer hun procedure meer dan 20 jaar aansleepte en (2) in zoverre appellanten aanspraak maken op een wederbeleggingsvergoeding en wachtinterest.

Zij besluit dan ook dat de eventuele interest, te begroten aan een rentevoet van 3 %, dient beperkt te worden over een maximale periode van vier jaar en dat de vordering m.b.t. de wederbeleggingsvergoeding en wachtinterest ongegrond moet worden verklaard.

15. Vergoedende interest

Het verloop van de procedure werd hierboven (nummers 1 tot 7) uiteengezet.

De consorten A. hebben hun vordering bij exploot van 22 februari 1984 ingesteld, zijnde ongetwijfeld binnen een redelijke termijn na het ontstaan van hun recht op vergoeding wegens planschade (24 februari 1983).

De procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen duurde tot 4 mei 1999, dit is 15 jaar en duidelijk zeer lang, maar hierin moet rekening worden gehouden met de aanvraag van de consorten A. tot stedenbouwkundig attest nummer 2 dat op 7 november 1989 werd afgegeven, het uitspreken van een tussenvonnis op 29 juni 1992 en het gerechtelijk deskundig onderzoek dat praktisch vijf jaar duurde. Het Vlaamse Gewest geeft niet nauwkeurig aan in welke periode appellanten foutief zouden hebben getalmd noch wanneer zij in gebreke waren de zaak in staat te stellen. De duur van deze aanleg is bijzonder lang maar er moet gewezen worden naar het aantal partijen, de complexiteit van de zaak en de veelvuldige betwistingen en rechtsgronden.

Voor het hof van beroep te Antwerpen duurde de procedure, ingesteld door het Vlaamse Gewest praktisch zeven jaar (2 juli 1999 tot 27 juni 2006). Het hof van beroep te Antwerpen heeft op haar beurt een tussenbeslissing uitgesproken en een deskundig onderzoek bevolen dat drie jaar en half in beslag nam. Het Vlaamse Gewest was toen zelf appellant en had in deze hoedanigheid de nodige middelen om de procedure te activeren als dat nodig was. Het Vlaamse Gewest toont evenmin op concrete wijze aan in welke periode de consorten A. foutief zouden hebben getalmd noch wanneer zij in gebreke waren de zaak in staat te stellen.

De consorten A. kunnen niet verantwoordelijk zijn voor de enige vertraging in de loop van de procedure voor het Hof van Cassatie.

Voor het hof van beroep te Brussel hebben partijen onmiddellijk een conclusiekalender bepaald en heeft de procedure, ingesteld bij dagvaarding van 23 J.uari 2009, een heel normaal verloop gekend.

Het blijkt dus niet dat de consorten A. nalatig waren bij het in gereedheid brengen van de zaak zodat er geen reden voorhanden is om de toekenning van vergoedende interest te beperken. De vergoedende interest worden aan de wettelijke rentevoet berekend.

16. Wederbeleggingsvergoeding en wachtinterest

Het Vlaamse Gewest werpt terecht op dat de consorten A. geen onteigening hebben ondergaan van hun eigendom en dat zij derhalve niet tot wederbelegging moeten overgaan. De wetgever heeft overigens in een forfaitair systeem van planschadevergoeding voorzien dat geen wederbeleggingsvergoeding of wachtinterest toekent. De vordering desbetreffend is ongegrond.

17. Aangaande de nieuwe vordering betreffende de expertisekosten van landmeter De Lannoy

De consorten A. verklaren een euro provisioneel te vorderen tot terugbetaling van het ereloon dat zij hebben moeten betalen aan expert De Lannoy, en zulks op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Het betreft kosten van de eigen expert aangesteld door de consorten A., die geen verband houden met enige fout van het Vlaamse Gewest. Deze vordering is ongegrond.

18. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden tot beloop van drie vierden ten laste gelegd van de consorten A., als overwegend in het ongelijk gestelde partij, en tot beloop van een vierde ten laste van het Vlaamse Gewest.

Het Vlaamse Gewest partij begroot haar rechtsplegingsvergoeding voor het hof op 15.000 euro. Deze vordering wordt niet gemotiveerd. Artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat stelt een rechtsplegingsvergoeding van 15.000 euro vast als basisbedrag voor geschillen die betrekking hebben op vorderingen op meer dan 1.000.000 euro waardeerbaar. Dit is duidelijk te dezen niet het geval.

De rechtsplegingsvergoeding voor het hof wordt begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 het K.B. van 26 oktober 2007 gelet op de waarde van het geschil.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 990 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 februari 2001 verder uitwerkend,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zover het het Vlaamse Gewest veroordeelt tot betaling aan de heer en mevrouw A.-G. van 4.422.900 BEF (109.640,82 euro) en aan de heer A.-B. van 7.638.300 BEF (189.348,51 euro), telkens vermeerderd met de vergoedende interest vanaf 24 februari 1983.

Opnieuw rechtsprekend in de perken van huidige vordering, veroordeelt het Vlaamse Gewest tot betaling

• aan de consorten A. sub 1 en 2 samen, 2.094,32 euro;

• aan de consorten A. sub 3 tot 7 samen, 3.704,91 euro;

• telkens te verhogen met de compensatoire interest aan de wettelijke rentevoet vanaf 24 februari 1983 en met de gerechtelijke interest vanaf huidig arrest.

Zegt voor recht dat het Vlaamse Gewest gerechtigd is toepassing te maken van artikel 37, zevende lid, Coördinatiedecreet inzake de eventuele toepassing van het herstel in natura.

Verklaart de vordering van de consorten A. voor het overige ongegrond.

Veroordeelt de consorten A. tot betaling van drie vierden en het Vlaamse Gewest tot betaling van een vierde van de gerechtskosten zowel in eerste aanleg als in het hoger beroep, deze van het hoger beroep in hun geheel begroot

- in hoofde van de consorten A. op euro 1.303,45 (313,45 dagvaarding en rolzetting + 990 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van het Vlaamse Gewest op euro 990 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

15/11/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard J.SSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. J.SSENS DE BISTHOVEN

Vrije woorden

  • Vlaams Gewest. Ruimtelijke ordening en Stedenbouw. Planschadevergoeding. Art. 35 tot 37 DORO.