- Arrest van 28 november 2011

28/11/2011 - 2008AR2807

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het is overigens niet onaanvaardbaar dat de overheid, bij het bepalen van steunmaatregelen in het kader van de dioxinecrisis, het toekennen en uitkeren van de vergoedingen laat afhangen van het verzaken door de begunstigden aan allerlei overige vorderingen tot vergoeding van schade ingevolge de dioxinecrisis. De ondertekende verklaringen zijn volkomen rechtsgeldig. De overheid heeft bijgevolg op wettige wijze een privaatrechtelijke overeenkomst van dading met de appellanten kunnen afsluiten. Dading is een wederkering contract waarbij partijen elkaar wederzijdse toegevingen doen en een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil beëindigen.


Arrest - Integrale tekst

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2807

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. De heer V H., en zijn echtgenote

2. Mevrouw V. P. landbouwers,

(...)

4361. De heer M. M., gepensioneerd landbouwer,

allen woonstkiezende op het kantoor van hun raadsman Meester CAESTECKER Dirk, 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Uitbreidingsstraat 2,

appelanten tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 oktober 2008,

vertegenwoordigd door Meester Dirk CAESTECKER, advocaat te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Uitbreidingsstraat 2,

TEGEN:

1) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door zijn Regering in de persoon van de Vlaamse Minister van Institutionele Hervormingen, Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media, Toerisme, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Martelaarsplein 19, woonst kiezende op de kantoren te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 35 bus 41,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester VANHOUTTE Inge, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 105,

2) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, vertegenwoordigd door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 7,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester S. LINDEMANS, advocaat te BRUSSEL, loco Mr. DEPLA Rik, advocaat te 8310 SINT-KRUIS (BRUGGE), Karel Van Manderstraat 123,

3) Het BELGISCH INTERVENTIE EN RESTITUTIEBUREAU, afgekort B.I.R.B., waarvan de burelen gevestigd zijn te 1040 BRUSSEL, Trierstraat 82, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0202.819.476,

derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester S. LINDEMANS, advocaat te BRUSSEL, loco Meester JANNIS Magda, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Grote Markt 19

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (22ste kamer), na tegenspraak uitgesproken op 7 oktober 2008, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 5 november 2008 ter griffie neergelegd;

- de aanvullende en synthesebesluiten van appellanten (datum neerlegging 20 april 2011);

- de syntheseconclusie van het Vlaamse Gewest (datum neerlegging 28 augustus 2009);

- de syntheseconclusie van de Belgische Staat (datum neerlegging 31 augustus 2009).

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 september 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat (1) hun oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding van 23 december 2003, ongegrond verklaart, alsook de vordering in gedwongen tussenkomst, (2) huidige appellanten tot de kosten veroordeelt van het Vlaamse Gewest en deze laatste partij tot de kosten van de Belgische Staat en het BIRB.

2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om hun oorspronkelijke vordering tegen geïntimeerde, het Vlaamse Gewest, gegrond te verklaren, het door het Vlaamse Gewest ingestelde incidenteel beroep ongegrond te verklaren en bijgevolg het Vlaamse Gewest te gelasten dat het, bij het vaststellen van de omvang van de schadevergoeding aan appellanten uit te betalen conform de wet van 3 december 1999 en het koninklijk besluit van 24 december 1999, dient te erkennen dat de facturatie voor melkleveringen aan Belgomilk CVBA in de maand mei 1999 verricht door appellanten aantoont dat de gefactureerde prijs gelijk is aan 0,1363 euro (5,50 BEF) per liter en dus niet 0,1983 euro (8 BEF) per liter en dat geïntimeerde dus bij de berekening van de forfaitaire schadevergoeding moet uitgaan van een gefactureerde meerprijs voor de maand mei 1999 van 0,1363 euro (5,50 BEF) per liter, in overeenstemming van het koninklijk besluit van 24 december 1999.

Appellanten vragen verder geïntimeerde te gelasten een schadevergoeding toe te kennen aan appellanten, provisioneel begroot op één euro voor iedere verzoeker, onder voorbehoud van vermeerdering of wijziging gedurende het geding, plus gerechtelijke interest en de gerechtskosten van beide aanleggen, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 10.000 euro (maximumbedrag) voor beide aanleggen.

3. Geïntimeerde, het Vlaamse Gewest, besluit tot de ontoelaatbaarheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep en stelt incidenteel beroep in waarbij het vraagt de vordering van appellanten tegen het Vlaamse Gewest ontoelaatbaar te verklaren bij gebrek aan vorderingsrecht.

Geïntimeerde vordert de gerechtskosten van het hoger beroep, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200 euro (basisbedrag).

4. De Belgische Staat vraagt het hoger beroep tegen hem gericht af te wijzen als ongegrond, het bestreden vonnis te bevestigen in zoverre de vorderingen tegen hem ongegrond werden verklaard en hem dienvolgens buiten zaak te stellen, met veroordeling van het Vlaamse Gewest, dan wel appellanten, tot betaling van de gerechtskosten, in hoger beroep begroot op 10.000 euro (maximumbedrag).

II. Relevante feitelijke gegevens

5. De achtergrond van het geschil kan teruggeplaatst worden in de context van de (eerste) dioxinecrisis die eind mei 1999 in de Belgische kippensector uitgebroken is.

De federale overheid heeft ten gevolge van deze crisis aan aantal maatregelen genomen om de op basis van kippen en eieren geproduceerde voedingsmiddelen uit de markt te halen tenzij het bewijs was geleverd dat deze producten niet verontreinigd waren met dioxine.

Bij beschikkingen 1999/368/EG van 4 juni 1999 en 1999/389/EG van 11 juni 1999 heeft de Europese Commissie beschermende maatregelen bevolen, inhoudende verbod om melk en afgeleide producten op de markt te brengen waarvan het bewijs niet was geleverd dat deze producten niet verontreinigd waren met dioxine. Deze producten werden later uit de lijst van de getroffen producten gelicht (beschikking 11999/449/EG van 9 juli 1999).

Ingevolge deze situatie is de melkprijs in de maanden mei, juni en juli 1999 ernstig onder druk komen te staan. Appellanten, die allen landbouwers en melkproducenten zijn, werden in deze periode getroffen.

6. Appellanten waren vennoten van de zuivelcoöperatie Belgomilk CVBA, zijnde een door de Nationale Raad voor Coöperatie erkende landbouwcoöperatie die meer dan 4.600 vennoten telde (en later fuseerde en thans CVBA Milkobel is geworden).

Belgomilk besliste bij wijze van steunmaatregel om aan haar vennoten een niet-marktconforme prijs te betalen voor de door hen geleverde melk en bepaalde hiervoor een prijs van 8 BEF (0,1983 euro) per liter. Appellanten benadrukken dat deze steunmaatregel maar voorlopig was en dat deze prijs ook even voorlopig was bepaald.

Deze prijs voor de maand mei 1999 werd later definitief vastgesteld en herzien naar een "meer marktconforme prijs" van 5,5 BEF per liter (0,1363 euro).

Het verschil van 2,5 BEF (8 BEF min 5,5 BEF), dat appellanten als voorlopige steunmaatregel hadden ontvangen, werd later aan Belgomilk geleidelijk (tot in december 2000) terugbetaald middels debetnota's op latere leveringen.

7. De Belgische Staat heeft eveneens steunmaatregelen uitgevaardigd, en dit via de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (B.S. 11 december 1999) en het koninklijk besluit van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de wet van 3 december 1999 betreffende steunmaatregelen ten gunste van landbouwbedrijven getroffen door de dioxinecrisis (B.S. 30 december 1999).

De melkproducenten konden aldus aanspraak maken op een schadevergoeding forfaitair bepaald op het verschil tussen de door de producenten ontvangen marktprijs en een forfaitair bedrag van 9,8 BEF per liter, met toepassing van een bepaalde correctiefactor.

De overheid was echter van oordeel dat appellanten recht hadden op het verschil tussen de gefactureerde prijs van 8 BEF en het bedrag van 9,8 BEF per liter, en niet op het verschil tussen de gefactureerde prijs van 5,5 BEF per liter, zoals blijkt uit de uiteindelijke facturatie en de opgestelde debetnota's, en het bedrag van 9,8 BEF per liter.

De vordering van appellanten betreft de volgens hen juist berekende schadevergoeding, met name een schadevergoeding berekend aan 4,3 BEF per liter (9,8 min 5,5 BEF) i.p.v. de door de Belgische Staat berekende vergoeding van 1,8 BEF per liter (9,8 min 8 BEF).

8. Een aantal vennoten van Belgomilk hebben vorderingen tegen de Belgische Staat of het Vlaamse Gewest ingesteld die aanleiding gaven tot vonnissen (van de rechtbanken van eerste aanleg te Veurne, Brugge, Antwerpen of Brussel) of arresten (van het hof van beroep te Gent) die deze vorderingen inwilligden.

9. Voor de eerste rechter heeft het Vlaamse Gewest de Belgische Staat alsook het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau, afgekort en hierna B.I.R.B., bij exploot van 7 februari 2006 in gedwongen tussenkomst gedagvaard, stellende dat het deze partijen, en niet het Gewest, zou behoren de gevorderde schadevergoeding te betalen.

III. Bespreking

10. De eerste rechter heeft de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het Vlaamse Gewest bij gebrek aan belang in de zin van artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek ongegrond verklaard. De verzaking van appellanten "aan elk recht en elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis" (artikel 7 van de wet van 3 december 1999) is immers volgens de eerste rechter niet relevant nu appellanten geen schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek vorderen maar wel de (correcte) toepassing van de wet van 3 december 1999 en van het koninklijk besluit van 24 december 1999.

Verder oordeelt de eerste rechter dat de omstandigheid dat eisers 694 tot 710 niet zouden opgenomen zijn in de dagvaarding aan het Vlaamse Gewest betekend, niet tot de nietigheid van de dagvaarding of de niet-ontvankelijkheid van de vordering leidt.

De eerste rechter oordeelt bovendien dat de vordering terecht tegen het Vlaamse Gewest werd gericht en dat de vordering in gedwongen tussenkomst van deze partij ongegrond is.

Ten gronde oordeelt de eerste rechter dat Belgomilk eerst zonder voorbehoud de melkprijs op 8 BEF per liter heeft bepaald en pas op een niet onverdacht tijdstip maar terwijl de onderhandelingen al aan de gang waren, de prijs "definitief" heeft vastgesteld op 5,5 BEF per liter. De gevorderde steun wordt dan ook aanzien als onverantwoord nu hij tot ongelijke behandeling van de melkproducenten zou leiden, zodat de rechtbank de vordering ongegrond verklaart.

1°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

11. Het Vlaamse Gewest verklaart te concluderen tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep maar ontwikkelt geen middel dat zijn exceptie ondersteunt.

Het hof ziet geen reden om het hoger beroep van appellanten ambtshalve onontvankelijk te verklaren.

2°. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

12. Het Vlaamse Gewest stelt incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van huidige appellanten ontvankelijk verklaart.

Eerste geïntimeerde stelt dat alle landbouwers - coöperanten bij de berekening van de schadevergoeding door de overheid zich expliciet akkoord hebben verklaard met de wijze van berekening en niet gerechtigd zijn achteraf op hun expliciet akkoord terug te komen.

13. Dergelijke exceptie van dading betreft wel degelijk de ontvankelijkheid van de vordering en maakt geen verweermiddel ten gronde uit .

14. Artikel 7 van de wet van 3 december 1999 bepaalt:

Steun met toepassing van artikel 4 kan niet worden uitgekeerd vooraleer de begunstigde schriftelijk, zonder voorbehoud en onherroepelijk, heeft verzaakt aan elk recht en elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis, noch, zo de begunstigde hiervoor reeds tegen de Staat een vordering tot schadevergoeding bij de rechtbanken had ingesteld, vooraleer de begunstigde afstand van rechtsvordering heeft betekend aan de Staat.

Deze eventuele verzaking gebeurt op het ogenblik dat de begunstigde volledig inzicht heeft in net bedrag van de steun die hem door de Staat wordt aangeboden.

Artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 december 1999 betreffende de nadere regels voor de toekenning van vergoedingen in uitvoering van de wet van 3 december 1999 (B.S. 30 december 1999) bepaalt:

De Secretaris-generaal van het Ministerie doet aan de aanvrager, in tweevoud, een voorstel voor schadevergoeding toekomen dat overeenstemt met het model in bijlage IV.

Als de aanvrager met het voorstel instemt, dateert en ondertekent hij een exemplaar ervan na daarop de vermelding " gelezen en goedgekeurd " met de hand te hebben geschreven; hij zendt dit exemplaar terug naar het op het voorstel vermelde adres binnen de 30 dagen na ontvangst ervan. De vergoeding wordt pas uitbetaald na ontvangst van dat exemplaar.

Als nog een beslissing aangaande een andere tegemoetkoming van een overheidsinstelling of een verzekeringsmaatschappij hangende is, kan aan de aanvrager een voorschot worden uitbetaald dat gelijk is aan het onbetwistbare verschuldigde gedeelte en dit na ontvangst van het behoorlijk ondertekende exemplaar van het voorstel voor schadevergoeding. Het eventuele overblijvende gedeelte wordt pas uitbetaald na kennisgeving van de beslissing aangaande de betrokken tegemoetkoming.

Als de aanvrager niet instemt met het voorstel kan hij, binnen de 30 dagen na ontvangst van dit voorstel, bij een ter post aangetekend schrijven aan het op het voorstel vermelde adres een aanvraag voor herziening van het voorstel richten die behoorlijk moet worden gerechtvaardigd en van afdoende bewijsstukken moet vergezeld zijn.

De aanvrager kan slechts eenmaal een herziening van het voorstel vragen.

15. Appellanten leggen zelf in hun dossier (stuk 12 ) een exemplaar over van de verklaring die zij van de overheid ontvingen en die opgesteld is als volgt:

Betreft: Voorstel voor schadevergoeding

Mevrouw, Mijnheer,

In antwoord op uw aanvraag van (datum) die bij het Enig loket werd geregistreerd onder nummer (...), deel ik u mede dat het voorstel tot vergoeding van de als gevolg van de dioxinecrisis geleden schade als volgt luidt:

(volgt dan de berekening van het "bedrag dat zal worden uitbetaald onmiddellijk na ontvangst van de mededeling inhoudende instemming met dit voorstel")

Als u met dit voorstel instemt, vragen wij u de verklaring op volgende bladzijde in te vullen en er met de hand de woorden "gelezen en goedgekeurd" bij te schrijven, ze te dateren, te ondertekenen en naar bovenstaand adres op te sturen binnen de maand na ontvangst van dit voorstel.

Na ontvangst van uw uitdrukkelijke aanvaarding zal het bedrag van (... BEF) overgemaakt worden op volgend rekeningnummer: (...) behoudens in de gevallen waarin de wet een andere procedure voorschrijft (zo: beslag onder derden).

Als u het niet kunt aanvaarden, kunt u een aanvraag voor herziening van het voorstel doen. Deze met redenen omklede en van de vereiste stukken vergezelde aanvraag dient aan het hierboven vermelde adres te worden gericht binnen de maand na ontvangst van dit voorstel.

De bijgevoegde "verklaring tot aanvaarding" was opgesteld als volgt:

Ik, ondergetekende, verklaar het voorstel weergegeven op de vorige bladzijde voor schadevergoeding te aanvaarden en zonder enig voorbehoud en onherroepelijk af te zien van alle rechten en vorderingen tegen de Staat omwille van schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis.

De schadevergoeding kan op volgend rekeningnummer gestort worden: (...)

Als ik reeds een dergelijke vordering heb ingesteld, voeg ik hierbij het bewijs van de indiening van het onherroepelijk verzoek tot intrekking van deze vordering tot schadeloosstelling die op (datum) tegen de Staat werd ingediend.

Als ik gebonden ben door contracten met gegarandeerde afnameprijzen, verklaar ik de Belgische Staat in de plaats te stellen in mijn rechten m.b.t. uitvoering van deze contracten, ten belope van de schadevergoeding ontvangen voor de in deze contracten opgenomen dieren of producten.

De aanvrager

Naam en handtekening Datum

(...) (...)

16. Het wordt niet betwist dat een grote meerderheid van appellanten de hierboven geciteerde verklaring hebben ingevuld, getekend en teruggestuurd.

De andere appellanten hebben een "aanvraag voor herziening" ingediend, die de overheid afgewezen heeft, waarna zij zich met het standpunt van de overheid akkoord hebben verklaard en een voorstel voor schadevergoeding hebben ondertekend en teruggestuurd.

17. Appellanten voeren in hun conclusie (p. 20) aan dat hun verklaring "enkel betekent dat het slachtoffer dient af te zien van elke aansprakelijkheidsvordering tegen de Belgische Staat bij toepassing van artikel 1382 e.v. B.W. waarbij vergoeding van alle schade wordt nagestreefd en dat het slachtoffer daarentegen te kennen geeft genoegen te nemen met de wettelijk bepaalde forfaitaire steun, forfait dat niet noodzakelijk al zijn ingevolge de dioxinecrisis geleden schade vergoedt"."

Appellanten benadrukken verder dat hun vordering niet gesteund is op artikelen 1382 e.v. B.W. doch net streeft tot correcte toepassing van de betrokken wet van 3 december 1999 en de daarbij voorziene forfaitaire vergoeding.

18. Anders dan appellanten stellen is hun verzaking zoals geformuleerd in de "verklaring tot aanvaarding" niet beperkt tot vorderingen tot schadevergoeding op grond van artikelen 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. De verzaking is zonder enig voorbehoud en onherroepelijk en impliceert dat de betrokkenen afzien van alle rechten en vorderingen tegen de Staat omwille van schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis.

Uit de uiteenzetting van appellanten zelf blijkt dat het voorwerp van hun vordering wel schade ten gevolge van de dioxinecrisis is. Zonder de dioxinecrisis zouden appellanten immers minstens het forfaitaire bedrag van 9,8 BEF per liter melk hebben ontvangen en het verschil tussen dit bedrag en de aan Belgomilk gefactureerde prijs van 5,5 BEF per liter, dit is het voorwerp van hun vordering, maakt ontegensprekelijk hun schade (verlies) uit de dioxinecrisis uit.

Appellanten hebben het voorstel voor schadevergoeding en de berekening van deze vergoeding wel degelijk verklaard onherroepelijk en zonder voorbehoud te aanvaarden.

19. Het wordt niet aangetoond dat er geen volle wilsovereenstemming in hoofde van appellanten bestond op het ogenblik dat zij de verklaring invulden en ondertekenden. De omstandigheid dat zij bij gebrek aan akkoord over deze verklaring geen betaling van de vergoeding conform de wet van 3 december 1999 zouden hebben ontvangen impliceert geen dwaling, bedrog of dwang die de vrije wil van appellanten heeft kunnen aantasten. Appellanten vorderen overigens geen vernietiging van de gedane verklaringen.

De gerechtelijke beslissingen waarbij de vordering van melkproducenten in andere geschillen worden ingewilligd, zijn niet ter zaken dienend. De uitspraken in andere zaken kunnen het hof niet binden bij de beoordeling van deze zaak.

20. Appellanten poneren dat het voorstel van verklaring en de opgestelde verklaring die aan appellanten werden meegedeeld geen enkele wettelijke basis hebben, met het gevolg dat de verklaring van akkoord met het voorstel van schadevergoeding niet rechtsgeldig is en dus als onbestaand dient beschouwd te worden.

De voorgestelde en door appellanten goedgekeurde verklaring tot aanvaarding is echter niet strijdig noch met artikel 7 van de wet van 3 december 1999 (welk artikel oplegt dat de begunstigde van de steunmaatregel vooraf verzaakt aan elk recht en elke vordering tegen de Staat omwille van schade geleden ten gevolge van de dioxinecrisis) noch met artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 december 1999, hierboven (randnummer 14) geciteerd, noch met enige wettelijke bepaling of regel van openbare orde.

Het is overigens niet onaanvaardbaar dat de overheid, bij het bepalen van steunmaatregelen in het kader van de dioxinecrisis, het toekennen en uitkeren van de vergoedingen laat afhangen van het verzaken door de begunstigden aan allerlei overige vorderingen tot vergoeding van schade ingevolge de dioxinecrisis. De ondertekende verklaringen zijn volkomen rechtsgeldig.

De overheid heeft bijgevolg op wettige wijze een privaatrechtelijke overeenkomst van dading met de appellanten kunnen afsluiten. Dading is een wederkering contract waarbij partijen elkaar wederzijdse toegevingen doen en een gerezen geschil beëindigen, of een toekomstig geschil beëindigen.

De exceptie en het incidenteel beroep van het Vlaamse Gewest zijn gegrond. De oorspronkelijke vordering van appellanten is onontvankelijk.

21. De gerechtskosten:

De kosten worden ten laste gelegd van appellanten, zijnde de in het ongelijk gestelde partijen.

Er is geen reden om, wat de begroting van de rechtsplegingsvergoedingen betreft, af te wijken van het basistarief van 1.320 euro (na indexatie). Het hof oordeelt dat de zaak geen bijzondere graad van complexiteit vertoont en dat de belangrijkheid van het geschil te dezen geen verhoging van de rechtsplegingsvergoeding verantwoordt.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van appellanten ontvankelijk verklaart en, opnieuw rechtdoende, verklaart deze vordering onontvankelijk.

Veroordeelt appellanten in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellanten op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van 1ste geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van 2de geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van 3de geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/11/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

A. DE PREESTER, Voorzitter,

E. JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

M. DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door V. DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Dioxine. Dioxinecrisis. Melk. Melkproducten. Schadevergoeding. Dading. Belgisch interventie en restitutiebureau. Belgomilk. Milkobel. Art. 7, wet van 3 december 1999. Art. 10, KB 24 december 1999. Steunmaatregelen van de Belgische Staat. Melproducent.