- Arrest van 24 januari 2012

24/01/2012 - 2001AR920

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 2262bis, §1, lid 2 BW. inzake de verjaringstermijn van vijf jaar. Impact van de kennis van de identiteit van de dader. Opdat de identiteit van de aansprakelijke onmiddellijk kan worden vastgesteld, is het niet vereist dat de aansprakelijkheid van deze persoon al op dat ogenblik vaststaat. Als benadeelde kon het slachtoffer inderdaad twijfels hebben over wie, in casu, van de watervoorzieningsmaatschappij, van de gasmaatschappij of van de stad door de rechter als aansprakelijke partij zou worden verklaard, maar deze twijfel volstaat niet om de aanvang van de verjaringstermijn te beletten, zoniet zou de vordering van appellante eigenlijk nooit verjaren.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2009/AR/920

INZAKE VAN :

Mevrouw S. D.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 17 december 2008,

vertegenwoordigd door Meester GORIS loco Meester Hans PONSAERTS, advocaat te 8800 ROESELARE, Spanjestraat 32,

1ste kamer

TEGEN :

De CVBA VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENINGEN (VMW), waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Belliardstraat 73,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester I. PELGRIMS loco Meester Carl DEVLIES, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 132,

Opdat de identiteit van de aansprakelijke onmiddellijk kan worden vastgesteld, is het niet vereist dat de aansprakelijkheid van deze persoon al op dat ogenblik vaststaat. Als benadeelde kon het slachtoffer inderdaad twijfels hebben over wie, in casu, van de watervoorzieningsmaatschappij, van de gasmaatschappij of van de stad door de rechter als aansprakelijke partij zou worden verklaard, maar deze twijfel volstaat niet om de aanvang van de verjaringstermijn te beletten, zoniet zou de vordering van appellante eigenlijk nooit verjaren.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (9de kamer) op tegenspraak uitgesproken op 17 december 2008, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 6 april 2009 ter griffie van het hof neergelegd;

- de conclusie van appellante (datum neerlegging ter griffie 24 augustus 2009);

- de conclusie van geïntimeerde (datum neerlegging ter griffie 30 juni 2009).

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzittingen van 2 januari 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat haar oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding van 17 oktober 2007, onontvankelijk verklaart als zijnde verjaard en appellante veroordeelt tot betaling van de gerechtskosten.

Voor het hof vordert appellante met de hervorming van het bestreden vonnis, om haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 1.938,06 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 9 oktober 1996 en met de gerechtskosten van beide aanleggen.

Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

2. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

II. Relevante feitelijke gegevens

3. Appellante is eigenaar van een personenwagen Opel Ascona die op 9 oktober 1996 beschadigd werd terwijl hij geparkeerd stond te Leuven aan de C. Meunierstraat.

De oorzaak van de schade ligt ongetwijfeld bij twee gasontploffingen die zowel lichamelijke schade aan meerderen personen als beschadigingen aan verschillende huizen veroorzaakten. De aardgasontploffingen aan de woningen gelegen Meunierstraat 46 en 48 werden door de diensten van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid, Afdeling Veiligheid, Buitendienst Noord, toegeschreven aan grondverzakkingen die zelf hun oorsprong vonden in de breuk van een waterleiding van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, hierna VMW.

Een strafonderzoek werd opgestart dat afgesloten werd met een beschikking van buiten vervolgingstelling op 20 februari 1998 door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven uitgesproken.

4. Een burgerlijke procedure werd voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven opgestart, eerst bij dagvaarding van 12 december 1996, uitgaande van een partij Deb... en gericht tegen de Stad Leuven, Iverlek en de VMW. Tal van parallelle vorderingen van andere schadelijders werden bij dagvaarding ofwel bij verzoekschriften tot vrijwillige tussenkomst ingesteld.

Bij vonnis van 5 september 2002 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, o.m. op grond van een deskundig verslag van de Ir Claessens beslist dat "enkel de VMW als enige aansprakelijke voor de schadelijke gevolgen van de ontploffing van 9 oktober 1996 dient weerhouden".

De VMW stelde hoger beroep in. Bij arrest van 13 december 2005 heeft de 17de kamer van het hof wat de aansprakelijkheden betreft, de enige aansprakelijkheid van de VMW bevestigd.

5. Appellante heeft bij dagvaarding van 17 oktober 2007 haar vordering voor de eerste rechter ingesteld in betaling van de door haar geleden schade, begroot op1.938,06 euro.

III. Bespreking

6. De eerste rechter oordeelde dat de vordering van appellante met toepassing van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek verjaard was en dat appellante ten onrechte stelt dat zij pas na de uitspraak van 13 december 2005 kennis heeft gekregen van de identiteit van de aansprakelijke.

7. Appellante houdt voor dat zij pas effectief kennis heeft kunnen nemen van de identiteit van de aansprakelijke na het arrest van het hof van beroep van 13 december 2005 en dus zekerlijk in de periode van 5 jaar voorafgaande aan de dagvaarding. Geïntimeerde zou alleszins niet aantonen dat zij voordien reeds kennis had van de identiteit van de aansprakelijke persoon zodat de verjaring niet is ingetreden.

8. De toepassing van de vijfjarige verjaringstermijn wordt niet betwist. Deze termijn heeft te dezen een aanvang genomen vanaf de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 (27 juli 1998), en dit conform artikel 10 ervan.

Artikel 2262bis § 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

Art. 2262bis. § 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.

9. De verjaring begint weliswaar pas te lopen wanneer de benadeelde kennis heeft genomen van (de schade of de verzwaring ervan en van) de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Het moet vooreerst worden vastgesteld dat het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 december 2005 aan appellante geen kennis heeft kunnen verschaffen van de identiteit van de aansprakelijke persoon. Het arrest besluit tot de (uitsluitende) aansprakelijkheid van de VMW maar dit geldt alleen tussen de betrokken partijen (artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek) en niet in de verhouding tussen appellante en overige partijen.

Het is duidelijk dat, vanaf de dag van het schadegeval van 9 oktober 1996, appellante kennis had van "de feiten die nodig zijn om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen" of van de "feiten waaruit kan worden afgeleid dat de toepassingsvoorwaarden van een aansprakelijkheidsvordering vervuld zijn" .

Opdat de identiteit van de aansprakelijke onmiddellijk kan worden vastgesteld, is het niet vereist dat de aansprakelijkheid van deze persoon al op dat ogenblik vaststaat .

Als benadeelde kon appellante inderdaad twijfels hebben over wie van de watervoorzieningsmaatschappij, van de gasmaatschappij of van de stad door de rechter als aansprakelijke partij zou worden verklaard, maar deze twijfel volstaat niet om de aanvang van de verjaringstermijn te beletten, zoniet zou de vordering van appellante eigenlijk nooit verjaren.

Geïntimeerde bewijst op afdoende wijze dat appellante meer dan vijf jaar voor het instellen van haar vordering effectief kennis had van de feiten die toelieten een aansprakelijkheidsvordering in te stellen.

De eerste rechter besloot bijgevolg terecht tot de verjaring van de vordering.

Het hoger beroep is ongegrond.

10. De gerechtskosten

Beide partijen verklaren hun rechtsplegingsvergoeding te begroten op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Het basistarief bedraagt te dezen wel degelijk 650 euro, thans na indexatie 715 euro (geschillen in geld waardeerbaar van 2.500 tot 5.000 euro), en niet 1.200 euro die van toepassing is voor geschillen in geld waardeerbaar van 10.000 tot 20.000 euro.

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellante als de in het ongelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 901 (186 rolrecht + 715 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 715 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/01/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN

Vrije woorden

  • Art. 2262bis, §1, lid 2 BW. Onrechtmatige daad. Verjeringstermijn. Vijf jaar vanaf de kannis van de identiteit van de dader. Quid in geval van twijfel tussen drie mogelijke daders?