- Arrest van 3 april 2012

03/04/2012 - 2009AR1860

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een bezitsvordering wordt slechts toegelaten, onder andere onder de voorwaarde dat minder dan een jaar verkopen is sinds de stoornis of de ontzetting van bezit (artikel 1370, 4° Ger. W.).

Bij toepassing van artikel 1398, tweede lid Ger. W. geschiedt de door de rechter toegestande voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/1860

INZAKE VAN :

1) De heer T. A., en zijn echtgenote

2) Mevrouw D. B. ,

samenwonende te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 23 februari 2009,

vertegenwoordigd door Meester D. LERNOUT loco Meester Frédéric NIMAL, advocaat te 1060 BRUSSEL, Sint-Bernardusstraat 76,

1ste kamer

TEGEN :

De naamloze vennootschap C & F S., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Herwig HEMMERECHTS, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Lambertstraat 2 B,

Een bezitsvordering wordt slechts toegelaten, onder andere onder de voorwaarde dat minder dan een jaar verkopen is sinds de stoornis of de ontzetting van bezit (artikel 1370, 4° Ger. W.).

Bij toepassing van artikel 1398, tweede lid Ger. W. geschiedt de door de rechter toegestande voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis alleen op risico van de partij die daartoe last geeft en onverminderd de regels inzake kantonnement.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (10de kamer), na tegenspraak uitgesproken op 23 februari 2009, bij exploot van 5 juni 2009 aan appellanten betekend;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 3 juli 2009 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van appellanten;

- de syntheseconclusie van geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 5 maart 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat hun oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding van 15 april 2008, ongegrond verklaart en hen veroordeelt tot betaling van de gerechtskosten.

2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om hun oorspronkelijke vordering in te willigen, met veroordeling van geïntimeerde tot betaling van 16.000 euro plus de kosten.

3. Geïntimeerde besluit tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep en vordert veroordeling van appellanten tot de gerechtskosten van het hoger beroep.

Zij vraagt de conclusie van appellanten d.d. 15 oktober 2009 uit de debatten te weren.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Het hof verwijst naar de omstandige uiteenzetting van de antecedenten in het bestreden vonnis (p. 3-4).

5. Appellanten hebben bij (niet voorgelegde) notariële akte van 14 november 2002 een pand gekocht, gelegen te Lot, Pastoriestraat nummer 11. De verkoper was huidige geïntimeerde, die tevens eigenaar was en bleef van het naastgelegen pand, Pastoriestraat nummer 9.

Een betwisting rees tussen appellanten en de voormalige huurder van geïntimeerde m.b.t. het gebruik van hun tuin en garage. Na het vertrek van de huurder hebben huidige appellanten in de loop van de maand mei 2003 bezit genomen van deze tuin en garage en hebben zij werken ondernomen teneinde de twee panden duidelijk te individualiseren en elke toegang tot hun pand te ontzeggen.

6. Huidige appellante stelde een bezitsvordering voor de vrederechter van het kanton Halle in die, bij vonnis van 7 december 2005? de vordering ontvankelijk en gegrond verklaarde en huidige appellanten veroordeelde "de werken die zij uitgevoerd hebben aan de Pastoriestraat nummer 9, nl. het dichtmetselen van de deuropening en het afsluiten van de toegangsdeur van de binnenkoer, ongedaan te maken en dit binnen de 14 dagen na de betekening van huidig vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag vertraging." De vrederechter gaf huidige appellante bovendien voorbehoud voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding en veroordeelde huidige appellanten tot de kosten. De vrederechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Het vonnis werd aan huidige appellanten betekend op 5 januari 2006.

Op 30 juni 2006 heeft geïntimeerde een bevel laten betekenen .

7. Appellanten stellen dat zij dan ook zijn overgegaan tot het uitvoeren van de bevolen werken, ondanks het hoger beroep dat zij op 13 januari 2006 hadden ingesteld.

8. Bij vonnis van 23 januari 2007 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (21ste kamer), zetelend in graad van beroep, het hoger beroep van appellanten gegrond verklaard en de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde onontvankelijk verklaard. Geïntimeerde werd veroordeeld tot de gerechtskosten van beide aanleggen. De rechtbank oordeelde immers dat geïntimeerde niet haar bezitsvordering had ingesteld binnen de termijn van een jaar "sinds de stoornis of de ontzetting van bezit" zoals bepaald bij artikel 1370, 4° van het Gerechtelijk Wetboek.

9. Appellanten hebben bij dagvaarding van 15 april 2008 huidige vordering voor de eerste rechter ingesteld om vergoeding te vorderen van de schade die zij beweren te hebben geleden doordat geïntimeerde onterecht het vonnis van de vrederechter hebben laten uitvoeren.

Appellanten vorderden bij dagvaarding 500 euro voor de evacuatie van de verschillende aan geïntimeerde toebehorende voorwerpen, 250 euro per maand gedurende 36 maanden wegens het niet-genot van het goed (totaal 9.000 euro) en 2.500 euro wegens morele schade. Zoals hierboven uiteengezet wordt hun totale schade thans begroot op 16.000 euro.

III. Bespreking

10. De eerste rechter stelde vast dat appellanten geen enkel bewijsstuk neerlegden waaruit zou blijken dat zij zijn overgegaan tot de gedwongen tenuitvoerlegging van het vonnis van de vrederechter en dat zij zelfs de vonnissen niet voorlegden noch uitleg geven welke werken zij hebben uitgevoerd noch op basis van welke documenten dit gebeurde. Hun vordering werd dan ook ongegrond verklaard.

1°. Verzoek tot wering uit de debatten

11. Geïntimeerde vraagt de eerste conclusie van appellanten uit de debatten te weren.

Bij beschikking van 11 augustus 2009 heeft het hof op grond van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek de conclusietermijnen vastgelegd voor appellanten op 15 oktober 2009 en 15 februari 2010 en voor geïntimeerde op 15 december 2009 en 15 april 2010.

Appellanten hebben hun eerste conclusie neergelegd op 15 oktober 2009 en hun syntheseconclusie neergelegd op 15 februari 2010.

Geïntimeerde laat gelden dat de brief van 15 oktober 2009 waarbij de raadsman van appellanten zijn eerste conclusie meedeelde in de Franse taal is opgesteld. Deze brief zou als akte van de rechtspleging nietig zijn in de zin van artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek met het gevolg dat de conclusie niet rechtsgeldig werd meegedeeld en uit de debatten moet geweerd worden.

12. Artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alle conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat worden gezonden tezelfdertijd als zij ter griffie worden neergelegd. Te dezen gebeurde de neerlegging van de (eerste) conclusie van appellanten gelijktijdig als de materiële mededeling ervan aan de raadsman van geïntimeerden.

De conclusie werd niet na het verstrijken van de termijn aan de tegenpartij gezonden zodat er geen reden is om deze uit de debatten te weren overeenkomstig artikel 747 § 2, voorlaatste alinea, van het Gerechtelijk Wetboek.

De conclusie zelf is volledig in de Nederlandse taal opgesteld zoals door artikel 38 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken voorgeschreven.

Het verzoek tot wering uit de debatten is ongegrond. Ten overvloede benadrukt het hof dat geïntimeerde geen wering uit de debatten vraagt van de syntheseconclusie van appellanten, welke de eerste conclusie van appellanten vervangt (artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek).

2°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep - Exceptie van nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep

13. Geïntimeerde concludeert tot de nietigheid van het verzoekschrift tot hoger beroep wegens miskenning van artikel 1057, eerste lid, 1° van het Gerechtelijk Wetboek.

14. Appellanten hebben hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 3 juli 2009. Het origineel van het verzoekschrift werd gedateerd op 3 juli 2009.

Zoals blijkt uit het dossier van geïntimeerde heeft de griffie bij gerechtsbrief van 6 juli 2009 overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek de raadsman van geïntimeerde ter kennis gebracht van het hoger beroep en een kopie bezorgd van het verzoekschrift tot hoger beroep, welke kopie onderaan geen datum draagt.

15. Er wordt vooreerst opgemerkt dat de kopie bijgevoegd aan de gerechtsbrief wel de stempel van de griffie draagt met melding dat het verzoekschrift op 3 juli 2009 ter griffie neergelegd werd.

Het wordt bovendien niet aangetoond dat de kennisgeving aan geïntimeerde partij zelf ook met een ongedateerde kopie van het verzoekschrift vergezeld was.

16. Een onregelmatigheid in de kennisgeving van het hoger beroep tast de regelmatigheid van de akte van hoger beroep niet aan. Te dezen blijkt duidelijk dat het hoger beroep tijdig en regelmatig ingesteld werd en ontvankelijk is.

Het neergelegde verzoekschrift tot hoger beroep dat aan alle voorwaarden van artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek voldoet, kan niet nietig verklaard worden om de enige reden dat de door de griffie aan de raadsman van geïntimeerde meegedeelde kopie ervan geen datum draagt.

3°. Ten gronde

17. De tenuitvoerlegging van het vonnis van de vrederechter van 7 december 2005 geschiedde op risico van de executant, zijnde geïntimeerde. Artikel 1398, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek creëert een geval van risicoaansprakelijkheid in geval het vonnis in hoger beroep wordt hervormd. De executant is dan gehouden tot restitutie en tot vergoeding van de schade zonder dat enige fout, noch kwade trouw moet worden bewezen .

Het wordt thans door appellanten aangetoond dat geïntimeerde wel degelijk tot gedwongen tenuitvoerlegging bij voorraad van het vonnis van de vrederechter is overgegaan. Geïntimeerde heeft het vonnis op 5 januari 2006 laten betekenen. Een bevel werd op 30 juni 2006 aan appellanten betekend. Er kan dus geen sprake zijn van vrijwillige uitvoering van het vonnis van 7 december 2005.

18. Appellanten verstrekken heel weinig nauwkeurige gegevens over de wijze waarop zij concreet zijn overgegaan tot de uitvoering van het vonnis van de vrederechter van 7 december 2005.

Zij beweren de werken te hebben uitgevoerd om de litigieuze afsluitingen ongedaan te maken. Zij leggen foto's voor die de uitvoering van deze werken zouden bevestigen.

De foto's, neergelegd in de bundel van appellanten onder stuk 4, waarover appellanten zelf geen nadere toelichting in hun conclusie geven, zijn allesbehalve duidelijk. Het betreft heel onduidelijke documenten en het kan niet eens uitgemaakt worden welke werken het voorwerp zouden maken van deze foto's (vόόr of na het vonnis van de vrederechter).

19. Appellanten stellen dat de rechtbank van eerste aanleg zetelend in graad van beroep zou hebben vastgesteld dat zij de afsluitingen tussen de panden zouden hebben verwijderd. Het hof houdt echter rekening met de stukken die partijen in huidige procedure voorleggen.

Het wordt niet verduidelijkt wanneer appellanten de beweerde werken zouden hebben uitgevoerd. Zij verklaren zonder meer in conclusie dat zij hiertoe zijn overgegaan nadat gerechtsdeurwaarder Tanghe loco Gielen zijn p.v. van vaststelling heeft opgesteld, dit betekent na 24 maart 2006.

Appellanten blijken een stedenbouwkundige vergunning m.b.t. het "verbouwen van een bestaande woning tot meergezinswoning" te hebben aangevraagd en leggen hiervoor het verslag van de brandweerdienst van augustus 2006, het ontvangstbewijs van de stedenbouwkundige aanvraag en twee ereloonstaten van architect Goossens voor maar de relevantie van deze stukken gelet op het voorwerp van huidig geschil wordt niet aangetoond.

20. Uit het p.v. van vaststelling d.d. 24 maart 2006 en de bijgevoegde foto's kan het hof echter afleiden dat het dichtmetselen van de openingen tussen de panden op deze datum gedeeltelijk verwijderd was maar dat het bouwmateriaal overal over de vloer bleef verspreid en dat de garage zeker niet ontruimd was. Alleszins blijven appellanten in gebreke de kosten m.b.t. deze onafgewerkte werkzaamheden te staven.

Het kan ook aangenomen worden dat appellanten een einde hebben gesteld aan de bezetting van de betwiste garage en een gedeelte van de tuin. De periode tijdens welke appellanten geen bezit meer hadden van de litigieuze ruimten staat niet vast. Ten andere wordt de schatting van de genotsderving niet op objectieve wijze gestaafd. Deze genotsderving is alleszins beperkt gebleven.

Bij gebrek aan afdoende bewijs van hun materiële schade wordt de vordering van appellanten slechts tot beloop van 250 euro gegrond verklaard.

21. Appellanten blijven ten slotte in gebreke aan te tonen dat zij een morele schade hebben geleden ingevolge de onterechte uitvoering van het vonnis van de vrederechter van 7 december 2005.

22. Het hoger beroep is dan ook deels gegrond.

23. De gerechtskosten:

Elke partij wordt verwezen in haar eigen gerechtskosten van beide aanleggen.

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft is er geen reden om af te wijken van het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 2 het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.210 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering van appellanten ongegrond verklaart en hen veroordeelt tot alle gerechtskosten.

Opnieuw rechtdoende, verklaart de oorspronkelijke vordering van appellanten deels gegrond en veroordeelt bijgevolg de N.V. C & F S. tot betaling aan de heer A. en mevrouw B. samen de som van TWEEHONDERD VIJFTIG EURO (250 euro), te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van huidig arrest.

Verklaart het hoger beroep en de oorspronkelijke vordering voor het overige ongegrond.

Verwijst elke partij in haar eigen gerechtskosten van beide aanleggen.

Begroot de gerechtskosten van het hoger beroep

- in hoofde van appellanten op euro 1.396 (186 rolrecht + 1;210 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

03/04/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN

Vrije woorden

  • I. Bezitvordering. Ontvankelijkheid. Voorwaarden. Termijn van één jaar. Artikel 1370, 4° Ger. W. II. Rechterlijke toegestane voorlopige tenuitvoerlegging. Risico. Schade: bewijs. Materiële en morele schade. Artikel 1398, lid 2 Ger. W.