- Arrest van 23 april 2012

23/04/2012 - 2009AR2158

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De geïntimeerde die schadevergoeding vraagt wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep moet bewijzen dat appellante bij de uitoefening van haar recht hoger beroep in te stellen een fout heeft begaan omdat zij dat recht misbruikt heeft of beroep aangetekend heeft met een schuldige lichtzinnigheid.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/2185

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap AXA BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0404.483.367,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 mei 2009,

vertegenwoordigd door Meester POTILLIUS loco Meester Marijke VAN REYBROUCK, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 523,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer Jacques SWYNGEDOUW, wonende te 1700 DILBEEK, Ninoofsesteenweg 402/20,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester DE MEYR loco Meester Christel BRICHAU, advocaat te 1701 DILBEEK, Dorpstraat 10/1,

2) De heer Francis ROMBAUTS, wonende te 1700 DILBEEK, Stationstraat 229,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester GABRIELS loco Meester André DE BECKER, advocaat te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14,

De geïntimeerde die schadevergoeding vraagt wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep moet bewijzen dat appellante bij de uitoefening van haar recht hoger beroep in te stellen een fout heeft begaan omdat zij dat recht misbruikt heeft of beroep aangetekend heeft met een schuldige lichtzinnigheid.

_______________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 mei 2009, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 5 augustus 2009;

• de conclusie van geïntimeerde sub 2 neergelegd ter griffie op 16 december 2009;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 3 maart 2010;

• de conclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 2 april 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 februari 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde sub 1 strekte ertoe appellante en geïntimeerde sub 2 in solidum te horen veroordelen tot betaling van (1) een provisie van 2.175,70 euro ten titel van materiële schade en (2) een provisie van 1 euro ten titel van lichamelijke schade, telkens plus de vergoedende intresten vanaf 11 november 2006 en de gerechtelijke intresten.

Alvorens verder recht te doen werd om de aanstelling van een geneesheer - deskundige gevraagd teneinde o.a. de letsels te beschrijven die geïntimeerde sub 1 had opgelopen op 11 november 2006.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard t.a.v. geïntimeerde sub 2 en eisende partij veroordeeld in de gerechtskosten in hoofde van deze partij, (2) de vordering ontvankelijk een deels gegrond verklaard t.a.v. appellante, (3) appellante veroordeeld tot betaling van een provisie van 1 euro en (4) alvorens verder recht te spreken Dr. Luc ENGELS aangesteld als deskundige met een welomschreven opdracht.

1.3. In hoger beroep vraagt appellante de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren.

1.4. Geïntimeerden vragen beiden (voor zoveel als nodig) de bevestiging van het bestreden vonnis.

Geïntimeerde sub 1 vraagt bovendien appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep (= incidentele vordering en geen incidenteel beroep).

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 11 november 2006 zich een ongeval voordeed in de manege "GENTRY" te Lennik, uitgebaat door de verzekerde van appellante .

Tijdens het voederen van de paarden werd geïntimeerde sub 1 gebeten door het paard "PIPOT", eigendom van geïntimeerde sub 2, als gevolg waarvan hij kwetsuren opliep.

III. Bespreking.

3.1. De vordering van geïntimeerde sub 1 is gegrond op artikel 1385 B.W.

In het licht van voornoemde bepaling dient nagegaan te worden wie de bewaarder van het dier was op het ogenblik dat het ongeval zich voordeed.

3.2. Hierbij wordt opgemerkt dat geïntimeerde sub 1 de bevestiging vraagt van het bestreden vonnis waarin zijn vordering ingesteld tegen geïntimeerde sub 2 werd afgewezen als zijnde ongegrond.

Bijgevolg staat vast dat geïntimeerde sub 2 op het ogenblik van de feiten niet de bewaarder was van het dier dat zijn eigendom is.

Appellante stelt verder in haar conclusie dat zij zal aantonen dat het gedrag van het paard niet abnormaal of onvoorzienbaar was en dat de schade werd aangericht door een fout van het slachtoffer.

Zij betwist bijgevolg evenmin dat de eerste rechter haar als de bewaarder van het paard in kwestie aanduidde.

3.3. Appellante is de mening toegedaan dat het slachtoffer zelf een fout beging en derhalve ten beloop van ¾ moet instaan voor zijn eigen schade.

De bewaarder van een dier is bevrijd van zijn aansprakelijkheid indien hij kan aantonen dat de schade te wijten is aan een vreemde oorzaak, zijnde o.a. een daad van het slachtoffer.

3.4. Het slachtoffer is zelf eigenaar van een paard en weet bijgevolg hoe om te gaan met dergelijke dieren. Het was dus geen leek die de manege - uitbaatster hielp met het voederen van de paarden.

3.5. Verwezen wordt naar de verklaring van de uitbaatster van de manege waarin gesteld wordt dat geïntimeerde sub 1 een "verkeerde" beweging zou gemaakt hebben waardoor het paard opgehitst werd.

Deze verklaring overtuigt het hof niet. Het werd opgesteld op 4 januari 2007 - d.i. ongeveer 2 maanden na het ongeval - en de vraag stelt zich hoe die uitbaatster het gebeuren zo nauwgezet kan relateren als zij 4 boxen verder met iemand stond te praten.

Het enige dat vaststaat is dat geïntimeerde sub 1 een gebaar heeft gemaakt opdat het paard achteruit zou bewegen teneinde het voedsel door de opening - die hiervoor voorzien is - te kunnen steken. Op dat ogenblik slaagde het paard er in geïntimeerde sub 1 vooralsnog te bijten door het hoofd door die opening te steken.

Het gebaar dat geïntimeerde maakte naar het dier toe is blijkbaar gebruikelijk om een paard zijn hoofd te doen keren. Appellante bewijst het tegendeel niet.

3.6. Appellante erkent zelf dat het paard Pipot een "dominant" karakter heeft.

Na de feiten liet zij overigens op de box van dat paard het bordje aanbrengen "gevaarlijk paard". De vergelijking met het aanbrengen van plaatjes met "gevaarlijke hond" op gaat niet op.

In de gegeven omstandigheden mocht van de manege - uitbaatster verwacht worden dat zij dat paard zelf voederde en die klus niet overliet aan een toevallige derde die dat paard niet of minder kende.

3.7. Derhalve dient besloten te worden dat geïntimeerde sub 1 geen enkele fout beging en dat de verzekerde van appellante, als bewaarder van het kwestieuze paard, instaat voor de schade veroorzaakt door een dier dat zich abnormaal of onvoorzienbaar heeft gedragen.

Het bestreden vonnis wordt dan ook bevestigd.

Voor zoveel als nodig wordt verwezen naar de pertinente motieven van de eerste rechter die als herhaald worden beschouwd in zoverre ze niet tegenstrijdig zijn met de in dit arrest ontwikkelde motieven.

3.8. Geïntimeerde sub 1 stelt een incidentele vordering in en vraagt appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep.

Appellante heeft het recht hoger beroep in te stellen wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld.

De geïntimeerde die schadevergoeding vraagt wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep moet bewijzen dat appellante bij de uitoefening van haar recht hoger beroep in te stellen een fout heeft begaan omdat zij dat recht misbruikt heeft of beroep aangetekend heeft met een schuldige lichtzinnigheid.

Geïntimeerde sub 1 blijft in gebreke dit bewijs te leveren zodat zijn vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep bijgevolg ongegrond is.

3.9. Appellante vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro voor de hoofdvordering en van 400 euro voor de vordering wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep.

Geïntimeerde sub 1 vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 2.000 euro en geïntimeerde sub 2 van 400 euro .

Gezien geïntimeerden de bevestiging vragen van het bestreden vonnis waarin aan geïntimeerde sub 1 een provisie van 1 euro werd toegekend en verder een deskundige werd aangesteld, bedraagt het basisbedrag, na indexatie, 165 euro .

Dit bedrag komt toe aan elk van de geïntimeerden afzonderlijk die elk een eigen raadsman hebben en de in het gelijk gestelde partijen zijn.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verklaart de incidentele vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst de zaak voor het overige opnieuw naar de eerste rechter bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger.W.

Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van appellante op euro 351 (186 rolrecht + 165 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van eerste geïntimeerde op euro 165 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van tweede geïntimeerde op euro 165 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

23/04/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Hoger beroep. Tegenvordering. Tergend en roekeloos inesgteld hoger beroep: definitie en criteria