- Arrest van 5 juni 2012

05/06/2012 - 2007AR1948

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

I. Artikel 1057 Ger. W. vereist niet dat de akte van hoger beroep melding maakt van de hoedanigheid waarin de geïntimeerde in de zaak optreedt.

II. Naar luid van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu stelt de stakingsrechter het bestaan vast van een handeling, die een kennelijke inbreuk is (of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk) op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.

Hij kan in dat geval de staking bevelen van de handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu.

Dit betekent dat eerst een "kennelijke inbreuk" moet vastgesteld worden, waaruit verstaan wordt, spijts de ongelukkige formulering door de wetgever, dat de inbreuk ernstige gevolgen heeft op het leefmilieu. De gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu zijn derhalve beslissend om uit te maken of een inbreuk al dan niet "kennelijk" moet aangezien worden.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2007/AR/1948

Milieustakingsvordering - dansschool - ontvankelijkheid van hoger beroep zonder vermelding van de hoedanigheid van geïntimeerden handelend namens de gemeente - ontvankelijkheid van de vordering van inwoners namens de gemeente - belang - verjaring van de inbreuken (neen) - kennelijke inbreuk niet bewezen

INZAKE VAN :

1) De B.V.B.A. DIMULTI, voorheen BVBA DASA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1730 ASSE, Gentsesteenweg 122, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0452.488.964,

2) De naamloze vennootschap NIEUWEGHE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1730 ASSE, Gentsesteenweg 126, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0467.934.235,

3) De V.Z.W. DASA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1730 ASSE,Gentsesteenweg 122, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0459.637.963,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 21 juni 2007,

vertegenwoordigd door Meester Isabelle COOREMAN, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer S. V., en

2) Mevrouw I C.,

beiden wonende te 1730 ASSE, ...,

die optreden namens de gemeente ASSE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1730 ASSE, Gemeenteplein 1,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Steven VAN GEETERUYEN, advocaat te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan 180,

_____________________________________________

Art. 1057 Ger. W. Akte van hoger beroep. Inhoud

I. Artikel 1057 Ger. W. vereist niet dat de akte van hoger beroep melding maakt van de hoedanigheid waarin de geïntimeerde in de zaak optreedt.

Naar luid van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu stelt de stakingsrechter het bestaan vast van een handeling, die een kennelijke inbreuk is (of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk) op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.

Hij kan in dat geval de staking bevelen van de handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu.

Dit betekent dat eerst een "kennelijke inbreuk" moet vastgesteld worden, waaruit verstaan wordt, spijts de ongelukkige formulering door de wetgever, dat de inbreuk ernstige gevolgen heeft op het leefmilieu. De gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu zijn derhalve beslissend om uit te maken of een inbreuk al dan niet "kennelijk" moet aangezien worden.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend zoals in kort geding, na tegenspraak uitgesproken op 21 juni 2007, bij exploot van 20 juli 2007 aan appellanten betekend;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 16 juli 2007 ter griffie neergelegd;

- de tweede aanvullende en syntheseconclusie van appellanten;

- de tweede aanvullende en syntheseconclusie conclusie van geïntimeerden.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 20 maart 2012, waarna de zaak op de zitting van 16 april 2012 in beraad werd genomen en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden, ingesteld overeenkomstig artikel 587, 5° van het Gerechtelijk Wetboek (vorderingen ingesteld overeenkomstig de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu) namens de gemeente Asse bij dagvaarding van 26 februari 2007, deels gegrond verklaart en voor recht zegt dat huidige appellanten zich schuldig maken aan een kennelijke inbreuk tegen de bepalingen van wetten en decreten betreffende de bescherming van het leefmilieu door:

- bouwwerken te hebben opgericht op de Gentsesteenweg 122 en 126 te Asse zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, hoewel een vergunning vereist was;

- een parking in stand te houden in een waardevol agrarisch gebied;

- het plaatsen van houten constructies in waardevol agrarisch gebied.

Bij het bestreden vonnis heeft de eerste rechter bovendien de onmiddellijke staking bevolen van het wederrechtelijk gebruik van het agrarisch gebied en heeft hij de vordering voor het overige afgewezen, met veroordeling van huidige appellanten tot het betalen van de kosten.

2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, met veroordeling van geïntimeerden in alle kosten.

Appellanten besluiten bovendien tot de afwijzing van het incidenteel beroep als onontvankelijk, minstens ongegrond.

3. Geïntimeerden besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, minstens tot de ongegrondheid ervan en stellen incidenteel beroep in waarbij zij vragen hun oorspronkelijke vordering integraal in te willigen en om bijgevolg:

- geïntimeerden akte te verlenen dat zij aanbieden onder zekerheidstelling om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor alle mogelijke veroordelingen die zouden worden uitgesproken en de wijze van zekerheidstelling te willen bepalen;

- dienvolgens de vordering van geïntimeerden, ingesteld namens de gemeente Asse ontvankelijk te verklaren;

- dienvolgens vast te stellen dat elke verzoeningspoging zonder gevolg is gebleven;

- dienvolgens, bij gebreke aan verzoening, de vordering van geïntimeerden, ingesteld namens de gemeente Asse gegrond te verklaren en voor recht te zeggen dat door huidige appellanten een kennelijke inbreuk wordt gepleegd op een of meer bepalingen van wetten, decreten of besluiten die de bescherming van het leefmilieu garanderen door:

• de oprichting en / of verbouwingen van de gebouwen en aanhorigheden, die zich bevinden te Asse, Gentsesteenweg 122 en 126 en kadastraal gekend te Asse, afdeling 1, sectie K, nummers 242L en 240W, zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning hoewel hiervoor een stedenbouwkundige vergunning is vereist;

• het in stand houden en uitbreiden van een verharde parking in waardevol agrarisch gebied zonder stedenbouwkundige vergunning;

• het kappen van hoogstammige bomen zonder enige vergunning of toelating met het oog op het aanleggen van een verharde parking in agrarisch gebied;

• het plaatsen van houten constructies, containers en verlichtingspalen in agrarisch gebied;

• het uitbaten of laten uitbaten van een inrichting, ingedeeld onder Vlarem I, rubriek 32.1, zonder dat hiervoor enige milieuvergunning werd aangevraagd op het perceel gelegen aan de Gentsesteenweg nummer 126;

• het aanmerkelijk wijzigen (uitbreiden) van een in 1994 vergunde inrichting, ingedeeld onder Vlarem I, rubriek 32.1, zonder dat hiervoor een bijkomende aanvraag tot het verkrijgen van een milieuvergunning werd ingediend;

- dienvolgens de onmiddellijke staking te bevelen door huidige appellanten van het verder uitbaten van de inrichtingen die zich bevinden te Asse, Gentsesteenweg 122 en 126, ingedeeld onder Vlarem I, rubriek 32.1 totdat de uitvoerbare milieuvergunning verkregen is, zulks binnen de week na betekening van het uit te spreken (arrest);

- dienvolgens de staking te bevelen van het gebruik van het agrarisch gebied, eveneens gelegen te Asse, Gentsesteenweg 122 en 126, als parking, zulks binnen de 24 uur na betekening van het uit te spreken (arrest) en dit agrarisch gebied in zijn oorspronkelijke staat te herstellen, zulks binnen de maand na betekening van het uit te spreken arrest;

- dit onder verbeurte van een dwangsom van 2.500 euro per dag dat een overtreding wordt vastgesteld op het bevel tot staken zoals opgelegd door het uit te spreken arrest.

Geïntimeerden vorderen tot slot de veroordeling in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, van appellanten tot alle gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van 242,94 euro en in hoger beroep van 10.000 euro.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Eerste appellante, de BVBA Dimulti, voorheen BVBA Dasa, is eigenaar van een perceel gelegen te Asse, aan de Gentsesteenweg nummer 122.

Tweede appellante, N.V. Nieuweghe, is eigenaar van het perceel gelegen te Asse, aan de Gentsesteenweg nummer 126.

Derde appellante, de VZW Dasa, is een dansschool, die haar activiteiten uitbaat in de gebouwen gelegen op beide genoemde percelen.

Geïntimeerden wonen in een zijstaat van de Gentsesteenweg, meer bepaald te Asse, Veegang nummer 51.

Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. van 7 maart 1977) zijn de goederen deels gelegen in woongebied met een landelijk karakter (50 meter vanaf de rooilijn van de Gentsesteenweg) en deels in agrarisch gebied.

5. De gebouwen van eerste appellante worden verhuurd, voor een deel aan de uitbaters van een fitnesscentrum en de uitbaters van een eet- en praatcafé en voor het andere gedeelte aan derde appellante, VZW Dasa, die de dansschool uitbaat en op het adres haar maatschappelijke zetel heeft.

De gebouwen van tweede appellante worden verhuurd aan derde appellante.

6. Bij akte van 5 april 1994 heeft de BVBA Dasa, rechtsvoorganger van eerste appellante, vertegenwoordigd door de heer Dirk D., dansleraar, het gebouw gelegen Gentsesteenweg 122 aangekocht alsook het achterliggend terrein. Het goed wordt in de akte beschreven als "een woon- en handelshuis op en met grond, aanhorigheden en tuin (...) met een oppervlakte van 5 aren 91 centiaren". De prijs bedroeg 8.000.000 BEF.

Volgens appellanten betrof het goed een loods met pompstation. Het achterliggend terrein diende volgens appellanten voorheen als opslagplaats van schrootijzer, afgedankte auto- en vrachtwagenbanden en puin, afkomstig van de afbraakwerken van de verkopers. Geïntimeerden stellen dat, kort voor de verkoop dit terrein opgeruimd werd, waarbij de bestaande beplanting werd verwijderd.

BVBA Dasa nam ook, bij authentiek huurcontract van 5 april 1994, het naastliggend terrein, gelegen tussen nummers 122 en 126 in huur. Bij onderhandse akte van 9 april 2000 heeft BVBA Dasa, steeds vertegenwoordigd door haar zaakvoerder, de heer Dirk D., dat "perceel bouwgrond te Asse, aan de Gentsesteenweg, (...) met een oppervlakte van 10 aren, 20 centiaren" aangekocht voor de prijs van 3.200.000 BEF. De akte van 9 april 2000 vermeldt dat het goed deel uitmaakt "van een verkavelingsvergunning goedgekeurd door het bestuur van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening te Leuven en afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse op 26 april 1978". Het perceel dient als parking.

Zowel het goed gelegen Gentsesteenweg 122 als het perceel gelegen Gentsesteenweg tussen nummers 122 en 126 werden verkocht door de consorten Boom.

7. N.V. Nieuweghe (= ook de heer Dirk D.) is eigenaar geworden van het goed gelegen Gentsesteenweg nummer 126 bij authentieke akte verleden op 17 februari 2000 voor notaris Boel te Asse. Het goed was beschreven als zijnde "een handelshuis met magazijnen en alle verdere afhangen op en met grond (...) voor een oppervlakte van 9 aren".

8. Het goed gelegen Gentsesteenweg nummer 122, eigendom van eerste appellante, maakte het voorwerp van volgende (aanvragen tot) vergunningen uit:

• de heer Dirk D. heeft op 12 september 1994 een regularisatievergunning verkregen "strekkende tot het vervangen van poorten door ramen en het verbouwen van de zijgevel";

• een milieuvergunning werd ook op 24 oktober 1994 verleend aan "dansschool DASA BVBA, de heer Dirk D., Gentsesteenweg 122 te Asse" voor het exploiteren van een inrichting "gelegen op hetzelfde adres, kadastrale percelen Asse, 1ste afdeling, sectie K, nummer 242/k, met als voorwerp (1) het lozen van normaal huisafvalwater in de openbare riolen en (2) het exploiteren van lokalen met dansgelegenheid, rubrieken 3.4 en 32.1.2 van de indelingslijst"; deze milieuvergunning, die afhankelijk was van de "strikte naleving" van voorwaarden, nader onder artikel 4 beschreven, gold tot 24 oktober 2014;

• de bouwaanvraag voor regularisatie van een niet vergunde houten constructie werd (definitief) geweigerd bij ministerieel besluit van 3 april 1998;

• op 7 augustus 2000 weigerde het gemeentebestuur van Asse een stedenbouwkundige vergunning strekkende tot het afbreken van het niet vergunde achterbouw (houten constructie of "kapel") en het oprichten van dit gebouw met uitbreiding; de aanvraag beoogde de sloop van dit gebouw en de uitbreiding van de dansschool links van het bestaande hoofdgebouw, in plaat van achter het gebouw;

• op 5 juli 2004 verleende het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning voor het kappen van een dode hoogstammige esdoorn;

• op 30 augustus 2004 diende BVBA Dasa een aanvraag in strekkende tot "het uitbreiden en verbouwen van een woning" op het adres Gentsesteenweg 122 (verhoging van het gebouw, mits vervanging van het steil zadeldak door een plat dak, uitbreiding van de leefruimte achteraan met een bureau en wintertuin en aanleg van het platte dak als terras en tuin). De stedenbouwkundige vergunning werd op 8 november 2004 verleend;

• in januari 2006 wordt een nieuw "masterplan" opgesteld en met de gemeente en de provincie besproken;

• op 21 augustus 2006 verleende het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van twee reclamezuilen;

• een milieuvergunningsaanvraag werd op 20 april 2007 ingediend. Het college van burgemeester en schepenen weigerde de vergunning bij besluit van 30 juli 2007. Eerste appellante tekende beroep aan dat gegrond werd verklaard. De bestendige deputatie verleende bij besluit van 24 januari 2008 een vergunning voor een termijn van 20 jaar, met aanvang op 24 januari 2008; de vergunning werd verleend "voor het verder uitbaten en veranderen van een feestzaal en lokalen met dansgelegenheid op bovenvermeld adres" met als voorwerp (i) feestzaal met dansgelegenheid (bestaande uit 4 dansstudio's, waarvan twee ombouwbaar tot feestzaal, (ii) ruimte voor spinning en (iii) het lozen van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering met een maximum jaarlijks debiet van 2.000 m³ (rubrieken 3.3, 32.1 en 32.2.1);

• op 10 oktober 2006 diende derde appellante een nieuwe aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in m.b.t. "verbouwen en uitbreiden van een dansschool". Het gemeentebestuur nodigde haar bij brief van 29 november 2006 uit om een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in te dienen. De stedenbouwkundige vergunning werd bij besluit van 4 juni 2007 geweigerd. Het probleem situeerde zich vooral in de illegale achtergelegen verharde parkingzone in agrarisch gebied gelegen . De heer Dirk D. - BVBA Dimulti tekende beroep aan bij de bestendige deputatie. Dit beroep werd bij besluit van 26 maart 2009 ingewilligd, onder bepaalde voorwaarden, o.m. dat het gedeelte van de bestaande verharding gelegen in het agrarisch gebied (= vanaf 4,30 meter van de nieuwe achtergevel van de dansschool) uit de vergunning wordt gesloten; volgens geïntimeerden hebben appellanten geen concreet gevolg gegeven aan deze nieuwe vergunning gegeven;

• eerste appellante heeft van de OVAM op 11 december 2008 een bodemattest verkregen (een oriënterend bodemonderzoek werd op 20 september 2008 en vervolgens op 3 oktober 2000, waarna een beschrijvend bodemonderzoek op 29 augustus 2001).

9. Op het perceel gelegen Gentsesteenweg nummer 126, eigendom van tweede appellante N.V. Nieuweghe, stond een gebouw daterend van vόόr de huidige stedenbouwwetgeving, dat aldus vergund wordt geacht.

Het gebouw betrof volgens appellanten een woning met handelsgelijkvloers en een achterbouw dienstdoende als verkoopmagazijn en opslagplaats.

De bestaande volumes van het goed nummer 126 werden heringericht "tot handelsgelijkvloers, woningen en danslokalen" en helemaal niet als feestzalen, in de stelling van appellanten. Appellanten houden voor dat enkel onderhouds- en herstellingswerken, waarvoor geen vergunning vereist was, werden uitgevoerd onder leiding van architect Goedgebuer.

De gemeente Asse schreef evenwel aan de N.V. Nieuweghe, de heer Dirk D. op 23 januari 2007: "Het college heeft in zitting van 18.12.2006 uw aanvraag tot het bouwen van een hoogspanningscabine en technische lokalen te Asse, Gentsesteenweg 126 besproken. De werken worden uitgevoerd aan een voormalige vloerfabriek die deels verbouwd werd met bijlokalen voor de dansschool zonder de nodige vergunningen. Wij verzoeken u bij deze aanvraag een regularisatiedossier in te dienen voor de reeds uitgevoerde werken aan het gebouw zonder vergunning. Zodra wij in het bezit zijn van de gevraagde documenten, zullen wij uw aanvraag opnieuw voor advies aan het college voorleggen." (door het hof onderstreept). De inhoud van deze brief spreekt de stelling dat geen vergunning voor de uitgevoerde werken vereist was tegen.

Een aanvraag van stedenbouwkundige vergunning werd op 23 april 2007 door de heer D. voor N.V. Nieuweghe ingediend met als voorwerp "verbouwen van een woning & regularisatie van gevelwijzigingen en functiewijziging". Tijdens de debatten ter zitting werd zonder meer verklaard dat er geen nieuwe vergunning afgegeven werd maar hierover worden geen stukken voorgelegd m.b.t. enige weigering van vergunning of enig verhaal tegen een weigeringsbeslissing of uitblijven van beslissing.

10. De raadsman van geïntimeerden richtte op 30 januari 2007 een brief naar de gemeente Asse om "het bestaan van ernstige inbreuken op de milieuwetgeving" aan te geven die zouden gepleegd zijn op de percelen gelegen Gentsesteenweg 122 en 126.

Hij nodigde de gemeente uit om over te gaan tot het bevelen van de sluiting van de exploitaties en het nemen van alle nodige maatregelen ter preventie van het leefmilieu en om een milieustakingsvordering in te stellen, zulks op grond van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.

11. De gemeente Asse, vertegenwoordigd door haar college, ondernam geen actie. Op 27 februari 2007 hebben huidige geïntimeerden een milieustakingsvordering tegen huidige appellanten namens de gemeente ingesteld. De vordering stemt volledig overeen met wat geïntimeerden thans bij hun incidenteel beroep vorderen.

III. Bespreking

1°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

12. Geïntimeerden doen opmerken dat het verzoekschrift tot hoger beroep van appellanten tegen hen in persoon werd gericht en niet tegen hen, handelend namens de gemeente Asse, en dat het dus hun echte hoedanigheid niet vermeldt.

Appellanten zouden dan ook de verkeerde procespartijen in het hoger beroep hebben gedaagd zodat het hoger beroep ontoelaatbaar of onontvankelijk is.

13. Het verzoekschrift tot hoger beroep (pagina 1), gericht tegen het bestreden vonnis, vermeldt als geïntimeerden "de heer V. S. en mevrouw C. ., beiden bedienden, wonende te Asse, ...".

Op pagina 1 staat inderdaad niet vermeld, zoals in de gedinginleidende dagvaarding van 26 februari 2007 of op de aanhef van het bestreden vonnis, "die optreden namens de gemeente Asse, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met burelen te Asse, Gemeenteplein, 1".

Op het tweede blad van het verzoekschrift tot hoger beroep staat echter al vermeld dat geïntimeerden "verzoekers namens de gemeente Asse hebben gedagvaard". Op het derde blad van het verzoekschrift zetten appellanten uiteen dat "bij vonnis van 21 juni 2007 ... de vordering van geïntimeerden namens de gemeente Asse ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond (werd) verklaard". Verder betwisten appellanten uitvoerig de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering in zover ingesteld namens de gemeente Asse en vragen appellanten de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren.

14. De exceptie van geïntimeerden is bijgevolg zuiver formalistisch nu uit een aandachtige lezing van het verzoekschrift tot hoger beroep duidelijk blijkt dat geïntimeerden wel in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van de gemeente worden bedoeld en niet in persoonlijke naam. Er is geen reden om te veronderstellen dat appellanten ineens een andere hoedanigheid aan geïntimeerden hebben willen toekennen.

Artikel 1057 van het Gerechtelijk Wetboek vereist overigens niet dat de akte van hoger beroep melding maakt van de hoedanigheid waarin de geïntimeerde in de zaak optreedt .

De exceptie is ongegrond.

2°. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

15. Wat de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering betreft vragen appellanten voorafgaand een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof m.b.t. een mogelijke schending van artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake de bescherming van het leefmilieu doordat niet wordt voorzien in de waarborg van een verplicht voorafgaand eensluidend advies van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid zoals voorzien in artikel 6.1.7 (§ 6) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), voorheen Hoge Raad voor het Herstelbeleid zoals voorzien in artikel 149 DORO.

Niet ten onrechte werpen geïntimeerden op dat het verschil in behandeling een redelijke verantwoording kan vinden in het feit dat artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 toepasselijk is wanneer het bestaan wordt vastgesteld van een "kennelijke inbreuk" op enige reglementering betreffende de bescherming van het leefmilieu en dat de rechter, na tot een belangenafweging te zijn overgegaan, nog de opportuniteit van de gevraagde maatregel dient te oordelen.

Het hof wijst derhalve het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof af als ongegrond.

16. Verder concluderen appellanten tot de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden, ingesteld namens de gemeente,

i. nu niet werd voldaan aan de voorwaarden gesteld bij artikel 194 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 en er door geïntimeerden niet wordt aangetoond dat de gemeente niet optreedt t.a.v. appellanten;

ii. nu er door geïntimeerden niet wordt aangetoond dat de gemeente Asse over het in rechte vereiste belang beschikt om de vordering in te stellen (na op 29 januari 2007 een principiële goedkeuring te hebben gegeven over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning en na op 14 mei 2007 een RUP te hebben aangekondigd teneinde het achterliggende gedeelte van de percelen in agrarisch gebied gelegen te herbestemmen als parking);

iii. nu de vordering het eigen belang van geïntimeerden nastreeft en niet het belang van de gemeente.

17. Wat het uitblijven van initiatief vanwege de gemeente Asse, stellen appellanten dat de gemeente wel in rechte is opgetreden. De gemeente zou immers steeds de aanvragen tot vergunningen correct hebben behandeld en een reeks vergunningen hebben geweigerd of voorwaarden hebben opgelegd. Zij zou op constructieve wijze herhaaldelijk contact hebben opgenomen met appellanten en hebben gezocht naar aanvaardbare oplossingen aan de hand van een globaal project.

De gemeente zou zelfs bij brief van 6 maart 2007 appellanten (eigenlijk de heer D.) hebben bedreigd met het instellen van een gerechtelijke procedure. Dit argument is echter irrelevant nu geïntimeerden al hun vordering op 27 februari 2007 hadden ingesteld en dat de ontvankelijkheid van de vordering beoordeeld moet worden op het ogenblik dat zij ingesteld wordt.

18. Het hof stelt vast dat de gemeente geen onmiddellijke concrete maatregelen nam na ontvangst van de brief van de raadsman van geïntimeerden d.d. 30 januari 2007. Zij is sinds 1994 nogal passief gebleven terwijl niet-vergunde constructies (o.m. het houten achtergebouw) werden opgetrokken en een illegale parking in agrarisch gebied werd aangelegd en dat zij hiervan wel degelijk op de hoogte was. Alleszins staat het vast dat de gemeente Asse, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, zelf geen gebruik heeft gemaakt van het vorderingsrecht dat haar is toegekend bij de wet van 12 januari 1993. De reden waarom de gemeente zelf niet is opgetreden is voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van huidige vordering niet relevant.

Er dient dus besloten te worden dat de voorwaarde dat het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optrad, vervuld is zodanig dat geïntimeerden in hun hoedanigheid van inwoners namens de gemeente konden optreden.

De vraag of de gemeente in de huidige situatie wel ertoe gehouden was in rechte op te treden raakt de gegrondheid van de vordering.

19. Volgens appellanten beschikt de gemeente Asse zelf niet over het in rechte vereiste belang conform artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek om de vordering in te stellen. De gemeente Asse had immers in januari 2007 een voorwaardelijk gunstig advies gegeven m.b.t. het globaal project van appellanten. Zij kondigde zelfs bij brief van 14 mei 2007 aan dat zij het initiatief zou nemen om een RUP zonevreemde bedrijven op te maken met het gevolg dat het achterliggende perceel als parking zou kunnen worden herbestemd.

Het standpunt van de gemeente die zich principieel met een project akkoord verklaarde zonder dat een concrete volledige aanvraag (tot stedenbouwkundige vergunning of attest) was ingediend noch de nodige formaliteiten vervuld, sluit echter niet uit dat zij blijk geeft van het vereiste belang om op te treden tegen een beweerde concrete aantasting van het leefmilieu, des te meer dat het globaal project waarvan sprake niet gerealiseerd is en nog afhankelijk blijft van het verkrijgen van een milieuvergunning.

De verklaarde intentie om een RUP op te maken kan bovendien niet gelijkgesteld worden met de goedkeuring van een concreet RUP, na vervulling van de nodige formaliteiten.

De gemeente behoudt haar principieel belang om in deze zaak in rechte op te treden.

20. Appellanten stellen terecht dat de vordering van geïntimeerden op een recht van de gemeente dient te steunen en tot doel moet hebben een collectief belang te verdedigen. Geïntimeerden dienen ut universi te handelen en niet ut singuli.

Geïntimeerden verklaren hun vordering te hebben ingesteld met het oog op de bescherming van het collectief gemeentelijk belang. De omstandigheid dat het persoonlijk belang van geïntimeerden als buren in zekere mate overeenstemt met het algemeen belang, belet de inwoners niet om een vordering namens de gemeente in te stellen.

Geïntimeerden beriepen zich in het gedinginleidend exploot meer bepaald op inbreuken op het decreet Ruimtelijke ordening en inbreuken op het Milieuvergunningsdecreet Vlarem I en Vlarem II en milieustoornissen, o.a. geluidslast voor de omgeving van de inrichting uitgebaat door appellanten, welke last uiteraard niet uitsluitend door geïntimeerden wordt gedragen.

De omstandigheid dat geïntimeerden alleen het initiatief namen van huidige procedure doet hieraan geen afbreuk. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat gehouden werd in oktober en november 2006, werd overigens een bezwaarschrift ingediend bestaande uit een petitie ondertekend door 24 buurtbewoners .

21. Geïntimeerden doen terecht opmerken dat de steden en gemeenten het vereiste belang hebben om in rechte op te treden als zij van oordeel zijn dat bepaalde inrichtingen hun leefmilieubeleid doorkruisen. Dit impliceert dat zij ook gebruik kunnen maken van het vorderingsrecht zoals bepaald bij de wet van 12 januari 1993.

Bij het invoeren van dit vorderingsrecht voor de administratieve overheden, had de wetgever overigens hoofdzakelijk de gemeenten in het oog, die bij uitstek de bewaarders zijn van het algemeen belang . Het merendeel van de administratieve overheden die het vorderingsrecht uitoefenden zijn overigens precies de gemeenten.

De gemeente kan bijgevolg als administratieve overheid een milieustakingsvordering instellen op basis van de wet van 12 januari 1993. Er moet niet nagegaan worden of de bepalingen uit de milieuwetgeving die beweerdelijk worden overtreden haar wel het recht geven om een vordering in te stellen . Het valt bovendien onder de essentiële taken van een gemeente om op het lokale niveau "bij te dragen tot het welzijn van de burgers en tot de duurzame ontwikkeling van het gemeentelijk gebied" (artikel 2 Gemeentedecreet van 15 juli 2005).

Een gemeente moet niet doen blijken van een eigen belang in de zin van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Haar vorderingsrecht vloeit rechtstreeks voort uit de milieustakingswet zodat niet kan worden aangevoerd dat de gemeente geen belang zou hebben bij een dergelijke vordering .

22. Voor het eerst in hoger beroep voeren appellanten aan dat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk is gelet op de verjaring van de door geïntimeerden ingeroepen overtredingen (krachtens artikel 146 DORO juncto artikel 21 V.T. Sv.) alsook met toepassing van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek.

Appellanten stellen immers dat de bouw van de houten constructie en de aanleg van de parking respectievelijk in 1996 en 1994 waren voltooid, zijnde meer dan tien jaar vόόr het instellen van huidige vordering (bij exploot van 27 februari 2007).

23. Artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek werd bij artikel 5 van de wet van 10 juni 1998 ingevoerd.

Artikel 10 van deze wet van 10 juni 1998 bepaalt dat, wanneer de rechtsvordering zoals te dezen ontstaan is voor de inwerkingtreding van de wet, de nieuwe verjaringstermijnen slechts beginnen te lopen vanaf haar inwerkingtreding, zijnde vanaf 27 juli 1998.

De vordering werd ingesteld op 27 februari 2007 en zij is dus tijdig.

24. De opheffing van het strafbare karakter van het misdrijf van instandhouding inzake stedenbouw (buiten ruimtelijk kwetsbare gebieden) heeft alleen het verval van de op dat misdrijf gesteunde strafvordering tot gevolg. Bij ontstentenis van andersluidende bepaling brengt deze wijziging niet mee dat de instandhouding, die strafbaar was in de periode waarin zij plaatsvond, niet langer de grondslag kan uitmaken van een herstelvordering .

Hetzelfde geldt voor de door geïntimeerden ingestelde milieustakingsvordering die op 27 februari 2007 niet verjaard was.

De exceptie van verjaring is ongegrond.

25. Uit het voorgaande volgt dat de eerste rechter de vordering van geïntimeerden namens de gemeente Asse terecht ontvankelijk heeft verklaard.

3°. Ten gronde

26. Naar luid van artikel 1 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu stelt de stakingsrechter het bestaan vast van een handeling, die een kennelijke inbreuk is (of een ernstige dreiging vormt voor een inbreuk) op één of meer bepalingen van wetten, decreten, ordonnanties, verordeningen of besluiten betreffende de bescherming van het leefmilieu.

Hij kan in dat geval de staking bevelen van de handelingen waarvan de uitvoering reeds is begonnen of maatregelen opleggen ter preventie van de uitvoering ervan of ter voorkoming van schade aan het leefmilieu.

Dit betekent dat eerst een "kennelijke inbreuk" moet vastgesteld worden, waaruit verstaan wordt, spijts de ongelukkige formulering door de wetgever, dat de inbreuk ernstige gevolgen heeft op het leefmilieu . De gevolgen van de inbreuk op het leefmilieu zijn derhalve beslissend om uit te maken of een inbreuk al dan niet "kennelijk" moet aangezien worden .

Wanneer hij zulke kennelijke inbreuk vaststelt, "kan" de stakingsrechter de staking van de gestelde handelingen bevelen. De rechter zal bijgevolg beslissen na tot een belangenafweging te zijn overgegaan .

27. Samengevat betreffen de klachten van geïntimeerden wat volgt:

(1) de oprichting of verbouwing, zonder stedenbouwkundige vergunning, van gebouwen en aanhorigheden op het pand gelegen Gentsesteenweg 122, o.m. de houten constructie, deels in agrarisch gebied opgericht;

(2) de uitvoering van onvergunde werken op het pand gelegen Gentsesteenweg 126;

(3) de aanleg, het instandhouden en uitbreiden van een niet vergunde verharde parking in agrarisch gebied;

(4) het kappen van bomen in agrarisch gebied, alweer zonder stedenbouwkundige vergunning;

(5) het plaatsen van containers en verlichtingspalen in agrarisch gebied;

(6) de uitbating, zonder milieuvergunning, van een inrichting klasse II (Vlarem I, rubriek 32.1) gebruikt als danszaal / dansschool.

28. Geïntimeerden dringen veel aan op de illegaliteit van de onvergunde gebouwen en uitbating van danszaal. De door geïntimeerden neergelegde stukken bevestigen inderdaad dat illegale gebouwen werden opgericht, deels in agrarisch gebied, o.a. het houten achtergebouw aan de Gentsesteenweg nummer 122, dat er onvergunde werken werden uitgevoerd aan het pand gelegen Gentsesteenweg nummer 126 en dat een illegale niet vergunbare parking werd aangelegd, ook deels in agrarisch gebied. Het staat daarentegen niet vast dat de aanwezigheid van containers voortdurend is.

Wat de concrete effecten op het leefmilieu betreft, verwijzen geïntimeerden naar problemen van geluidoverlast en verkeeroverlast.

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de bestendige deputatie van Vlaams-Brabant echter geoordeeld dat het verbouwen en uitbreiden van de dansschool gelegen Gentsesteenweg nummer 122 verenigbaar was met de goede ruimtelijke ordening mits (1) inrichting van de achteruitbouwstrook (ongeveer 4 meter) volgens het parkeer- en circulatieplan d.d. 23 oktober 2003, voorwaardelijk gunstig geadviseerd door de afdeling Wegen en Verkeer, (2) naleving van de stedenbouwkundige verordeningen inzake afkoppeling van hemelwater en (3) aanplanting van een haag langs de grens met het agrarisch gebied. Het gedeelte van de bestaande grindverharding (parking) gelegen in het agrarisch gebied wordt echter uit de vergunning uitgesloten.

Bij besluit van 24 januari 2008 heeft de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant tevens beslist een milieuvergunning toe te kennen, ook m.b.t. het goed gelegen Gentsesteenweg nummer 122, en zulks m.b.t. het verder uitbaten en veranderen van feestzalen en lokalen met dansgelegenheid, ruimte voor spinning en het lozen van huishoudelijk afvalwater. Hiervoor heeft de deputatie rekening gehouden met een gunstig advies van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), een gunstig advies van de Afdeling Milieuvergunningen, dienst Vlaams-Brabant (AMV), en een unaniem gunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC).

De deputatie houdt weliswaar rekening met bijzondere vergunningsvoorwaarden inzake geluidsisolatie die thans niet blijken vervuld te zijn (gebruik van isolerend materiaal, scherm met een minimumhoogte van drie meter rond de parking, begrenzing van de muziekinstallaties, werking met gesloten deuren en ramen en, indien nodig, een glazen scherm ter hoogte van het terras van de taverne aan de kant van de Gentsesteenweg) maar uit de verklaringen van partijen blijkt ook dat de ontworpen uitbreiding van de inrichting niet verwezenlijkt werd.

Hierbij werd bovendien rekening gehouden met (strengere) normen voor nieuwe inrichtingen, hoewel de litigieuze inrichting feitelijk al bestond.

29. Geïntimeerden steunen zich hoofdzakelijk op geluidstoornissen en verkeersoverlast in de omgeving van de litigieuze inrichting.

Het kan aangenomen worden dat geluidstoornissen en / of verkeersoverlast een kennelijke inbreuk op een bepaling inzake leefmilieu, kunnen uitmaken.

Te dezen ontbreken echter bewijzen van dergelijke inbreuken.

Dat een feestzaal, of zelfs alleen een dansschool, geluidsoverlast in de omgeving kan veroorzaken is volstrekt geloofwaardig maar uit geen enkel stuk blijkt dat de litigieuze inrichting wel degelijk geluidsoverlast creëert en, nog minder, dat die overlast concreet aantoonbare schadelijke effecten voor het leefmilieu genereert. Er worden geen waarnemingen, geluidsmetingen of bijzondere klachten van de omwonenden voorgelegd.

In welke mate het plaatselijk verkeer ook ingrijpende schade aan het leefmilieu berokkent wordt ook door verweerders op bijzonder theoretische wijze geponeerd, zonder dat concrete noemenswaardige incidenten, problemen qua verkeer op de openbare weg of parkeerproblemen worden aangetoond.

Andere schadelijke effecten op het leefmilieu afkomstig van de inrichting van appellanten, waaronder de illegaliteit van de parking en van bestaande constructies, worden evenmin bewezen zodat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden en hun incidenteel beroep ongegrond worden verklaard.

Het hoger beroep is bijgevolg gegrond.

4°. De gerechtskosten:

30. De gerechtskosten van beide aanleggen worden ten laste gelegd van geïntimeerden als in het ongelijk gestelde partijen.

Appellanten begroten terecht de rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat. Er is immers geen reden om af te wijken van het basisbedrag gelet op een beweerde bijzondere complexiteit van de zaak, quod non, zoals geïntimeerden aanvoeren.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden, handelend namens de gemeente Asse, deels gegrond verklaart en appellanten tot betaling van de kosten veroordeelt.

Opnieuw rechtsprekende, verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden, handelend namens de gemeente Asse, ongegrond en wijst geïntimeerden ervan af.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt geïntimeerden in de gerechtskosten van beide aanleggen.

Begroot de kosten van het hoger beroep, in hun geheel,

- in hoofde van appellanten op euro 1.506 ( 186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

05/06/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Wet van 12 januari 1993. Vorderingsrecht betreffende de bescherming van het leefmilieu. Dansschool.Stakingsvordering.