- Arrest van 26 juni 2012

26/06/2012 - 2011-AR-2512

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De eindvervaldag van een levensverzekeringscontract is de dag waarop het contract geen uitwerking meer heeft. Deze dag telt dus niet mee voor het berekenen van de duur van het contract.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

5be kamer

________

terechtzitting

van

26-06-2012

BELASTINGEN

Na tussenarrest

dd.15.5.2012

Nr.2011/AR/2512

in de zaak van:

1. H........... W...........,

wonende te ...................................,

2. B...............L.................,

wonende te .....................................,

appellanten van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, dd.23.3.2011,

hebbende als raadsman mr. FONTEYNE Jan, advocaat te 8790 WAREGEM, M. Windelsstraat 6

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te

1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. VAN ACKER Elie, advocaat te 9030 MARIAKERKE (GENT), Brugsesteenweg 591

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 2 september 2011 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 23 maart 2011 werd uitgesproken.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 8 mei 2012, waarna het debat werd gesloten. Tijdens het beraad stelde het hof vast dat de geïntimeerde niet al zijn stukken had overgelegd, zodat bij tussenarrest van 15 mei 2012 het debat werd heropend om die stukken vooralsnog te kunnen neerleggen.

Op de zitting van 12 juni 2012 waarop alle stukken van de beide partijen aan het hof werden overgelegd, heeft het hof het debat opnieuw gesloten en nam het hof de zaak opnieuw in beraad.

De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.

Het hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De eerste appellant heeft bij AGF Leven Luxemburg een contract van het type ‘Liberty Invest' met polisnummer 5902693 aangegaan. Dat contract vermeldt in de bijzondere voorwaarden onder ‘algemene informatie' onder andere:

Aanvangsdatum van het kontrakt: 02/03/1995

Eindvervaldatum van het kontrakt: 02/03/2003.

Het ingelegd kapitaal bedroeg 78.077,14 euro. Het vereffend kapitaal op de vervaldag was gelijk aan 124.931,81 euro en de ontvangen intrest bedraagt bijgevolg 46.854,67 euro.

Op datum van 11 juni 1998 heeft de procureur-generaal van het hof van beroep te Brussel aan de BBI inzage en toelating verleend tot het nemen van afschrift van het strafdossier met notitienummer 70.97.523/98 (ten laste van de groep AGF/ASSUBEL) en dit om de juiste zetting of invordering van door de Staat gevestigde belastingen te vorderen. Deze toelating werd achtereenvolgens vernieuwd op 7 april 1999, 11 februari 2000, 7 juni 2000, 30 april 2001, 5 september 2001, 2 januari 2002, 18 juni 2002, 21 augustus 2002, 15 oktober 2002, 27 maart 2003, 7 november 2003, 29 januari 2004 en voor het laatst op 25 mei 2005, waardoor ze werd uitgebreid tot alle documenten en stukken die bij het onderzoek werden gevoegd sinds 11 juni 1998.

Op 22 november 2005 werd een vraag om inlichtingen verzonden aan de appellanten, waarop zij op 21 februari 2006 hebben geantwoord.

Op 7 maart 2006 werd in toepassing van artikel 346 WIB92 een bericht van wijziging van de aangifte verstuurd betreffende aanslagjaar 2004, inkomsten 2003. Daarin werd gesteld dat uit het voorvermeld gerechtsdossier blijkt dat voormeld contract werd afgesloten voor de duur van acht jaar, met als gevolg dat de vrijstellingsregeling voorzien bij art. 21,9° b WIB92 niet kan worden ingeroepen. Er werd bijgevolg vooropgesteld een bedrag van 46.854,67 euro te belasten onder code 155 van de aangifte (verplicht aan te geven inkomsten van kapitalen en roerende goederen zonder roerende voorheffing m.b.t. overeenkomsten gesloten vanaf 01.03.1990).

Eveneens werd in toepassing van artikel 444 WIB92 een belastingverhoging van 10% aangekondigd.

In hun antwoord van 30 maart 2006 hebben de appellanten zich niet akkoord verklaard met de belastbaarheid van de roerende inkomsten voortkomend uit het Liberty Invest-contract met nummer 5902693. Ze stelden dat het door de administratie ingeroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Luik, waarin gevonnist werd dat de contracten in kwestie een looptijd hebben van 8 jaar en niet van 8 jaar en 1 dag, strijdig is met de wet.

Op 20 juni 2006 werd een kennisgeving van beslissing tot taxatie verstuurd met de vermelding van de redenen waarom er met de aangevoerde opmerkingen geen rekening kon worden gehouden.

Op 22 september 2006 werd overeenkomstig het bericht van wijziging van de aangifte overgegaan tot vestiging van een aanslag in de personenbelasting onder kohierartikel 767.352.953 (supplement aan kohierartikel 756925963). De berekeningsnota werd op 25 september 2006 aan de appellanten toegestuurd.

De appellanten hebben tegen die aanslag op 31 oktober 2006 een bezwaarschrift ingediend.

In zijn directeurbeslissing van 25 april 2007 wees de geïntimeerde het bezwaar af.

Met een verzoekschrift van 1 juni 2007 stelden de appellanten hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent. De appellanten vorderden de vernietiging van de bestreden aanslag, minstens de ontheffing van de belastingverhoging.

In het vonnis van 23 maart 2011 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent de vordering van de appellanten ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk gegrond, met name door de belastingverhoging te ontheffen.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellanten

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het hof te bekomen dat het hof de bestreden aanslag zou vernietigen omdat de interesten die de appellanten ontvingen krachtens het genoemde Liberty Invest-contract vrijgesteld zijn op grond van artikel 21, 9° WIB92.

De appellanten vragen bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de kosten van de beide aanleggen, die zij vaststellen op enerzijds een rolrecht voor elk van de aanleggen en anderzijds een rechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 euro voor de eerste aanleg en een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro voor het hoger beroep.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vordert dat het hof het hoger beroep als ongegrond zou afwijzen. Hoewel hij ook vraagt om het bestreden vonnis integraal te bevestigen, blijkt uit de argumentatie dat de geïntimeerde (impliciet) incidenteel hoger beroep instelt met betrekking tot de kwijtschelding door de eerste rechter van de belastingverhoging.

Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellanten tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, waaronder de rechtsplegingsvergoeding voor het hoger beroep van 990,00 euro.

4. De betwistingen en de beoordeling

4.1. Ten gronde: duurtijd van het verzekeringscontract

4.1.1. Het enige discussiepunt ten gronde gaat over de vraag of het levensverzekeringscontract die de appellanten met AFG Leven Luxembourg sloten een duurtijd had van 8 jaar dan wel van 8 jaar en een dag.

Meer bepaald is de vraag of de inkomsten uit het betreffende levensverzekeringscontract die de appellanten ontvingen — zijnde inkomsten in de zin van artikel 19, §1, 3° WIB92 — al dan niet ‘inkomsten van roerende goederen en kapitalen' zijn bedoeld in artikel 21, 9°, b) WIB92, waarvan de tekst als volgt luidt:

De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet:

[...]

9° inkomsten die zijn begrepen in kapitalen en afkoopwaarden betreffende levensverzekeringscontracten gesloten door een natuurlijke persoon, zoals die in artikel 19, §1, 3°, worden omschreven, in elk van de volgende gevallen:

[...]

b) wanneer het contract gesloten is voor meer dan acht jaar en de kapitalen of afkoopwaarden effectief worden betaald meer dan acht jaar na het sluiten van het contract.

4.1.2. In enkele arresten van 19 januari 2012 (o.a. in de zaak met rolnummer F. 11.0032.N) heeft het Hof van Cassatie als volgt geoordeeld:

1. Om niet belastbaar te zijn, vereist het toepasselijke artikel 21, 9°, b), WIB92 onder meer dat de levensverzekeringsovereenkomst een looptijd heeft van meer dan acht jaar.

2. Dit artikel noch enige andere bepaling van het WIB92 verduidelijken het beginpunt en het eindpunt van de termijn van acht jaar. Noch de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek noch artikel 2260 Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op de berekening van die termijn.

3. Het begrip "jaar", vermeld in artikel 21, 9°, b), WIB92 dient dan ook uitgelegd te worden in de gebruikelijke betekenis die het dagelijks taalgebruik eraan geeft, namelijk "tijd van 12 maanden". Een periode van acht jaar begint dan ook de eerste dag van die periode vanaf de overeengekomen datum, te dezen 1 juli 1994, om 00.00 uur en eindigt acht jaar later, te dezen 30 juni 2002, om 24.00 uur. Een verzekering die, zoals de appelrechters vaststellen, begint te lopen op 1 juli 1994 en eindigt op 1 juli 2002, heeft dus een looptijd van meer dan acht jaar.

4. De appelrechters die anders oordelen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het is dan ook cruciaal te achterhalen

• wanneer de periode van de duur van het contract begint

en

• wanneer die periode van de duur van het contract eindigt.

4.1.3. De appellanten stellen dat de duur van het contract 8 jaar en een dag is zoals dat duidelijk zou blijken uit de volgende vermeldingen in de bijzondere voorwaarden van het contract:

Aanvangsdatum van het kontrakt: 02/03/1995

Eindvervaldatum van het kontrakt: 02/03/2003.

Het contract zou begonnen zijn op 2 maart 1995 en geëindigd zijn op 2 maart 2003, wat zou inhouden dat 2 maart 2003 integraal deel uitmaakt van de duur van het contract.

De geïntimeerde is van oordeel dat deze vermelding moet gelezen worden als zou 2 maart 2003 de dag zijn waarop er geen dekking meer is, zodat het contract zou geëindigd zijn op 1 maart 2003 om 24u00.

4.1.4. Het komt aan het hof toe te achterhalen wat de contractpartijen in werkelijkheid hebben willen overeenkomen.

4.1.5. Het hof kan slechts vaststellen dat het onmiskenbaar de bedoeling van de partijen was om een contract met een duur van (exact) acht jaar te sluiten.

4.1.5.1. In het werk van Paul Bruyère, Lexicon Juridique, UPEA 2000 (uitgave dus van de Union Professionelle des Entreprises d'Assurances of Belgische Vereniging voor Verzekerings-ondernemingen (BVVO) - ondertussen Assuralia) omschrijft de auteur Paul Bruyère op pagina's 42-43 onder lemma Échéance du contrat:

1. date à laquelle le contrat prenant fin n'a plus d'effet;

2. dans un système de reconduction tacite des contrats, date à laquelle le contrat se renouvelle, à défaut pour les parties de l'avoir dénoncé dans les délais prescrits.

Het hof vertaalt die verklaring van het lemma eindvervaldag van het contract als

1. datum waarop een contract dat ten einde loopt geen uitwerking meer heeft;

2. in een systeem van stilzwijgende verlenging van contracten, datum waarop het contract vernieuwd wordt indien de contractpartijen nagelaten hebben het binnen de voorgeschreven termijn op te zeggen.

Daaruit blijkt dat het in de verzekeringsmiddens gebruikelijk is om als eindvervaldag de datum te vermelden die onmiddellijk volgt op de laatste dag van de duur van het contract. In het geval, zoals hier, waarin het contract ten einde loopt, is de eindvervaldag immers de dag waarop het contract geen uitwerking meer heeft. Dat wil zeggen dat de uitwerking vanaf de aanvang van die dag gestopt is, dat het risico niet meer gedekt is.

Op de ‘eindvervaldag' vermeld in de bijzondere voorwaarden van het contract van de appellanten, namelijk 2 maart 2003, had het contract dan ook geen uitwerking meer. Met andere woorden: in die bijzondere voorwaarden is vermeld dat het contract begon op 2 maart 1995 en eindigde op 1 maart 2003. De duur in de bijzondere voorwaarden is dan ook gelijk aan acht jaar.

4.1.5.2. Dat dit ook de werkelijke bedoeling van de partijen was, namelijk een contract sluiten met een duur van (exact) acht jaar (en zeker niet meer), wordt bevestigd door de volgende vaststellingen:

• Eveneens in de bijzondere voorwaarden staat onder rubriek ‘hoofdwaarborg' het volgende:

In geval van Leven van de verzekerde op 02/03/2003, zal de Maatschappij een kapitaal uitkeren dat na iedere storting door middel van een rekeninguittreksel, aan de verzekeringnemer zal worden meegedeeld.

Bij overlijden van de verzekerde voor 02/03/2003, zal de Maatschappij het spaartegoed berekend op het einde van de maand die deze van het overlijden voorafgaat, uitkeren.

Het bedrag van de waarborg overlijden is minimum gelijk aan de gestorte premies.

Het is duidelijk dat de contractpartijen hier bevestigen dat het geval van overlijden — zoals de geïntimeerde terecht aanvoert: het scenario dat de essentie van het levensverzekeringscontract uitmaakt — zich moet voordoen vóór 2 maart 2003, waarmee ze slechts hun wil uitdrukken om de ‘verzekering tegen overlijden' te laten lopen tot 1 maart 2003; als de verzekerde op 2 maart 2003 nog leeft, is de uitbetaling anders: op dat moment is de overeenkomst afgelopen en heeft het verzekerde risico zich niet voltrokken.

• Artikel 3 van de algemene voorwaarden AV-LI-8/92 waarvan in de bijzondere voorwaarden van het contract van de appellanten bedongen staat dat ze toepasselijk zijn en zijn bijgevoegd, luidt als volgt:

Het contract wordt onderschreven voor een duurtijd door de onderschrijver bepaald en nauwkeurig omschreven in de bijzondere voorwaarden.

De duurtijd bedraagt minimum 1 jaar en ten hoogste 8 jaar.

• Ook in het invuldocument dat door AGF Luxemburg werd gebruikt bij de inschrijving van een contract Liberty Invest (stuk 25 geïnt.) is duidelijk vermeld 8 jaar max., wat bevestigt dat het nooit de bedoeling was om overeenkomsten aan te gaan voor een duur van langer dan acht jaar, dus ook niet voor acht jaar en een dag. Dat dit een intern document is voor de agenten/makelaars van de verzekerings-maatschappij, belet niet dat dit nogmaals bevestigt dat het niet de bedoeling was om een contract voor langer dan acht jaar te sluiten.

• Zoals de geïntimeerde stelt, daarin niet tegengesproken door de appellanten, is de aan de appellanten uitbetaalde som actuarieel daadwerkelijk berekend op een duur van acht jaar en niet op acht jaar en een dag. De appellanten leggen wel uit dat er onderscheid moet gemaakt worden tussen de fiscaal relevante duurtijd waar de grens op acht jaar ligt en diezelfde grens voor het toepassen van de referentierentevoet, maar daarmee erkennen zij hoe dan ook dat het technisch mogelijk was om ook voor de duurtijd na acht jaar nog rente toe te kennen, weze het aan een andere rentevoet dan de referentierentevoet. Tegen die achtergrond blijft het relevant vast te stellen dat hier toch slechts voor exact acht jaar rente werd toegekend.

Het hof kan slechts vaststellen dat de bijzondere voorwaarden en de algemene voorwaarden met elkaar overeenstemden: de looptijd was (maximaal, maar ook werkelijk, exact) acht jaar.

4.1.5.3. Hoewel de appellanten aanvoeren dat zij het levensverzekeringscontract speciaal zouden hebben aangegaan rekening houdend met het verkoopsargument van AGF Luxembourg dat de bewuste belegging vrijgesteld was van roerende voorheffing overeenkomstig artikel 21, 9° WIB92, omdat het om een contract van 8 jaar en een dag ging, leveren zij daarvan geen enkel bewijs. Indien het product werkelijk verkocht werd met het ‘voordeel' dat het belastingvrij was, dan zou de cruciale reden daarvoor geweest zijn dat de overeenkomst voor langer dan 8 jaar werd aangegaan, in welk geval toch kon verwacht worden dat daarvan uitdrukkelijk melding werd gemaakt: Zoals vermeld blijkt dat precies niet het geval te zijn: elke keer dat er over de duur iets vermeld werd, stond uitdrukkelijk aangegeven dat hij maximaal acht jaar kon zijn.

Ten aanzien van de fiscus is het trouwens niet relevant te bewijzen dat het de bedoeling was om een fiscaal gunstig contract af te sluiten. Het bewijs moet betrekking hebben op de voorwaarden — hier de duur van het contract — om op basis daarvan louter objectief vast te stellen of de voorwaarden belastingvrijstelling toelaten of niet.

4.1.5.4. Niet geheel onterecht laten de appellanten gelden dat de geïntimeerde het strafdossier slechts gedeeltelijk overlegt, meer bepaald enkel verklaringen van personeelsleden van AGF Luxembourg die bevestigen dat nooit een termijn van acht jaar en een dag bestaan heeft. Het valt niet uit te sluiten dat er personeelsleden andere verklaringen aflegden; de appellanten noemen namen van diverse ondervraagden wier verklaringen minder gunstig voor de stelling van de geïntimeerde zouden geweest zijn, al leggen de appellanten ook daarvan geen stukken voor. Het hof laat dit in het midden, niet in het minst omdat het voldoende blijkt dat bij AGF Luxembourg inderdaad pogingen zijn ondernomen om voor te houden dat de contracten die voor acht jaar waren afgesloten, eigenlijk een duur van acht jaar en een dag hadden. Dat blijkt trouwens uit het antwoord dat de appellant op 1 december 2005 van AGF Luxembourg ontving; daarin staat uitdrukkelijk dat de looptijd van het contract 8 jaar 1 dag was. Deze stellingname was op niets anders gebaseerd dan op de veronderstelling dat de vervaldatum contract (2 maart 2003) in de looptijd inbegrepen was, veronderstelling die onjuist is.

Hoe dan ook gaat het slechts om verklaringen achteraf, waarbij ermee moet rekening gehouden worden dat sommigen hun eerdere stellingname als zouden de contracten een duur van meer dan acht jaar hebben gehad, als te goeder trouw wilden doen voorkomen, met name door de stellige indruk te wekken dat ze geloofden dat de ‘eindvervaldag' ook in de duurtijd was begrepen.

Ook de genoemde verklaring van 1 december 2005 kan slechts verklaard worden als een poging om (ook de appellanten) te doen geloven dat de ‘eindvervaldag' in de duurtijd begrepen was, terwijl dat niet het geval is.

Niettegenstaande die achtergrond, moet toch voldoende objectieve betekenis worden gehecht aan de verklaring in P.V. 156511/03 van 17 december 2002 van een actuaris van AGF Luxembourg, zijnde een specialist inzake de berekening van premies, reserves, enz.:

En ma qualité d'actuaire, je prends connaissance des notes techniques relatives au produit LIBERTY INVEST et LIBERTY RENTE. De façon indéniable il est spécifié que sa durée était de huit ans maximum. Je n'ai jamais entendu parler de huit ans moins un jour ou plus un jour; ce qui pour un actuaire est techniquement farfelu.

En outre lors, durant les comités de direction hebdomadaires, je n'ai jamais entendu parler de durées de N moins un jour ou N plus un jour.

Het hof vertaalt deze verklaring als volgt :

In mijn hoedanigheid van actuaris, neem ik kennis van de technische nota's met betrekking tot LIBERTY INVEST en LIBERTY RENTE. Het is onmiskenbaar dat verduidelijkt wordt dat de maximale contractduur acht jaar bedroeg. Ik heb nooit horen praten over acht jaar min een dag of plus een dag; dat is voor een actuaris technisch bekeken ondenkbaar.

Bovendien heb ik tijdens de wekelijkse directiecomités nooit horen praten over een duur van N min een dag of N plus een dag.

4.1.5.5. De datum waarop aan de appellanten werd uitbetaald (7 maart 2003) is voor de huidige betwisting niet relevant. De betwisting gaat enkel over de duur van het levensverzekeringscontract.

4.1.6. Nu het contract begon te lopen op 2 maart 1995 en ten einde liep op 1 maart 2003, had het een duur van acht jaar. De conclusie is dan ook dat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 21, 9°, b) WIB92, zoals de eerste rechter met reden vaststelde. Het principaal hoger beroep is ongegrond.

4.2. De belastingverhoging

De geïntimeerde stelt (impliciet) incidenteel hoger beroep in wat de kwijtschelding betreft door de eerste rechter van de belastingverhoging.

De eerste rechter ging over tot kwijtschelding omdat de appellanten volgens hem konden geloven dat de voorwaarden van artikel 21, 9°, b) WIB92 vervuld waren en zij dus te goeder trouw nalieten een fiscale aangifte van de belastbare inkomsten te doen. Hij verwees naar artikel 444, lid 2 WIB/92.

De geïntimeerde citeert het eerste en vierde lid van artikel 444 WIB92 en verder ook artikel 238bis KBWIB92 om daaruit te besluiten dat de belastingverhoging van 10 procent terecht werd toegepast. Hij stelt dat de niet-aangegeven inkomsten meer dan 25.000 frank (bedoeld wordt: 620 euro) bedragen en dat een belastingverhoging van 10 procent werd toegepast wegens een eerste overtreding zonder het opzet om de belasting te ontduiken.

Deze argumentatie van de geïntimeerde belet nochtans niet dat toepassing kan gemaakt worden van het tweede lid van artikel 444 WIB92 dat luidt:

Bij ontstentenis van kwade trouw kan worden afgezien van het minimum van 10 pct. belastingverhoging.

Waar de taxatieambtenaar van die mogelijkheid geen gebruik maakte, belet dit niet dat de rechtscolleges nagaan of die beslissing in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, dit evenwel zonder de kwijtschelding louter om opportuniteitsredenen toe te staan.

Niet alleen moet er mee rekening gehouden worden dat de appellanten te goeder trouw waren omtrent hun stelling dat er geen belastingplicht was; ze zullen zelfs verrast zijn geweest dat er wel belasting verschuldigd was. Daarenboven is de kwestie van de belastbaarheid van de uitkeringen inzake Liberty Invest-overeenkomsten van principiële aard beschouwd. Het volstaat hiertoe te verwijzen naar onder meer de rechtspraak aangehaald door de appellanten, waarin hun stelling wel wordt gevolgd.

In deze omstandigheden is het onevenredig een belastingverhoging op te leggen voor de inbreuk van de appellanten geen aangifte te hebben gedaan van de betreffende roerende inkomsten, terwijl zij er van overtuigd konden zijn dat er geen aangifteplicht bestond.

Het incidenteel hoger beroep is ook ongegrond.

5. De gerechtskosten

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten de appellanten negen tienden en de geïntimeerde een tiende dragen van de gerechtskosten van het hoger beroep.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Indien de partijen elk voor een deel in het ongelijk gesteld worden, wordt aan elk van hen een rechtsplegingsvergoeding toegekend en wordt deze onderling tussen hen verdeeld volgens de vastgestelde verhouding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

De vorderingen zijn in geld waardeerbaar.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 5.000,01 tot 10.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 990,00 euro toepasselijk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, maar verklaart ze beide ongegrond;

veroordeelt de appellanten tot het betalen van negen tienden en de geïntimeerde tot het betalen van een tiende van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellanten:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 990,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 990,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN TWAALF.

Aanwezig de Heren:

D.Vandeputte, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M.Vanderbeeken, griffier.

Vrije woorden